Genetica
Crossing-over.
afbeelding
Tussen een drietal genen werden crossing-over percentages gevonden zoals in de figuur is weergegeven.
De onvolkomenheid bij dit resultaat is verklaarbaar door het feit dat
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Crossing-over.
afbeelding
Tussen een drietal genen werden crossing-over percentages gevonden zoals in de figuur is weergegeven.
De onvolkomenheid bij dit resultaat is verklaarbaar door het feit dat
Crossing-over.
Zie figuur B 211 van de bijlage.
We volgen de gedragingen van twee homologe chromosomen met de allelen E, e, F en f. E is gekoppeld aan f en e is gekoppeld aan F.
Hoe zal na de meiose I de verdeling van de chromosomen er uit zien, er van uitgaande dat er eenmaal crossing-over optreedt tussen de beide genen?
afbeelding
X-chromosomaal.
De allelen voor ichtyosis (een bepaalde huidziekte) en kleurenblindheid zijn beide recessief en X-chromosomaal.
Een man met beide eigenschappen trouwt met een normale vrouw. Hun dochter is normaal. Zij trouwt met een normale man.
Een zoon uit dit laatste huwelijk heeft alleen ichtyosis, een andere zoon is alleen kleurenblind.
Hoe kan het optreden van ichtyosis bij de ene zoon en kleurenblindheid bij de andere zoon worden verklaard?
Crossing-over.
Bij bananenvliegjes komen tussen bepaalde genen (zie onderstaande tabel) de volgende crossing-over percentages voor:
afbeelding
De juiste volgorde waarin de genen in het chromosoom liggen gerangschikt, is
Crossing-over.
Zie figuur B 243 van de bijlage.
Een kruising levert een nakomelingschap op met de genotypen zoals afgebeeld in de figuur. Afstanden tussen genen worden uitgedrukt in eenheden, die gelijk zijn aan de percentages gevonden recombinanten.
Hoe groot is de afstand tussen E en F en hoe groot tussen F en G?
afbeelding
afbeelding
Crossing-over.
Een plant die voor twee eigenschappen heterozygoot is, levert na zelfbestuiving talrijke nakomelingen (F1
). De genen zijn gekoppeld; het recombinatiepercentage is 30. Aan het fenotype is zichtbaar welk genotype een plant voor deze eigenschappen heeft.
Hoeveel verschillende fenotypen kunnen worden verwacht in de F1
?
Crossing-over.
Een individu dat voor de eigenschappen groot, rood en rond heterozygoot is, wordt gekruist met een individu dat voor deze eigenschappen homozygoot recessief is. Het fenotype van deze laatste is klein, kleurloos en hoekig.
De nakomelingschap van deze kruising is als volgt samengesteld:
afbeelding
Wat is op grond van deze gegevens mede te delen omtrent de ligging van de betrokken genen?
Crossing-over.
Bij tomaten is het allel voor ronde vruchten dominant over dat voor ovale vruchten. Het allel voor enkelvoudige bloeiwijze is dominant over dat voor samengestelde bloeiwijze. De genen voor vruchtvorm en bloeiwijze zijn gekoppeld.
Twee homozygote ouders worden gekruist:
een plant met ovale vruchten en enkelvoudige bloeiwijze met
een plant met ronde vruchten en samengestelde bloeiwijze.
Individuen van de F1
worden onderling gekruist. Bij 20% van de gevormde gameten is recombinatie opgetreden.
In welke percentages kunnen de fenotypen in de F2
worden verwacht?
afbeelding
Crossing-over.
Een voor drie eigenschappen heterozygoot Drosophila vrouwtje met fenotype EFG wordt gekruist met een mannetje met fenotype efg. De betrokken genen zijn gekoppeld. In de talrijke nakomelingschap worden de volgende fenotypen verkregen in de aangegeven percentages:
afbeelding
Wat is het genotype van het moederdier, rekening houdend met de volgorde van de genen?
afbeelding
Crossing-over.
Een plant is voor twee eigenschappen heterozygoot en vertoont het fenotype van de dominante allelen. De betrokken genen liggen in hetzelfde chromosoom. Het recombinatiepercentage is 50. Door zelfbestuiving levert deze plant talrijke nakomelingen.
In welke verhouding komen bij deze nakomelingen de te verwachten fenotypen voor?
Crossing-over.
Bij Drosophila zijn de allelen voor gevorkte haren (e), korte vleugels (f) en witte ogen (g) X-chromosomaal en recessief ten opzichte van de allelen voor rechte haren, lange vleugels en rode ogen.
Bepaalde wijfjes zijn heterozygoot voor haarvorm, vleugellengte en oogkleur; de dominante allelen liggen in hetzelfde chromosoom. Deze wijfjes worden gekruist met mannetjes gevorkte haren, korte vleugels en witte ogen.
De nakomelingschap is als volgt samengesteld:
1. met gevorkte haren, korte vleugels en witte ogen: 26,8%
2. met rechte haren, lange vleugels en rode ogen: 26,8%
3. met rechte haren, lange vleugels en witte ogen: 13,2%
4. met gevorkte haren, korte vleugels en rode ogen: 13,2%
5. met rechte haren, korte vleugels en witte ogen: 6,7%
6. met gevorkte haren, lange vleugels en rode ogen: 6,7%
7. met gevorkte haren, lange vleugels en witte ogen: 3,3%
8. met rechte haren, korte vleugels en rode ogen: 3,3%
Welke groepen nakomelingen zijn ontstaan als gevolg van dubbele crossing-over?
In welke volgorde liggen de betrokken genen in het chromosoom?
afbeelding
Crossing-over.
Bij tomaten is het allel voor ronde vruchtvorm dominant over dat voor ovale vruchtvorm, terwijl het allel voor enkelvoudige bloeiwijze dominant is over dat voor samengestelde bloeiwijze.
De genen voor vruchtvorm en bloeiwijze zijn gekoppeld; het percentage recombinanten onder de nakomelingen bedraagt 20.
Twee homozygote ouders worden gekruist: een plant met een ronde vruchtvorm en samengestelde bloeiwijze en een plant met een ovale vruchtvorm en een enkelvoudige bloeiwijze.
Een plant uit de F1
wordt gekruist met een plant met een ovale vruchtvorm en een samengestelde bloeiwijze.
Welke verhouding van de fenotypen is te verwachten bij de nakomelingen van deze kruising?
afbeelding
Crossing-over.
Een plant met grote, gaafrandige, behaarde bladeren wordt gekruist met een plant met kleine, getande, kale bladeren. De allelen voor groot, voor gaafrandig en voor behaarde bladeren zijn dominant.
De talrijke nakomelingschap is als volgt samengesteld:
groot, getand, kaal : 27%
klein, gaaf, behaard : 27%
groot, gaaf, kaal : 7%
klein, getand, behaard : 7%
klein, gaaf, kaal : 15%
groot, getand, behaard : 15%
groot, gaaf, behaard : 1%
klein, getand, kaal : 1%
Liggen de genen voor bladgrootte, voor vorm van de bladrand en voor beharing in één chromosoom?
Zo ja, welk ligt tussen de beide andere?
Crossing-over.
Zie figuur B 279 van de bijlage.
Kleurenblindheid wordt veroorzaakt door een recessief X-chromosomale allel; dit geldt eveneens voor bloederziekte. In de stamboom is de overerving van deze eigenschappen in een bepaalde familie weergegeven.
Welke van de vier nakomelingen 1 t/m 4 is (zijn) als gevolg van recombinaties door crossing-over ontstaan?
afbeelding
Crossing-over.
Van twee Drosophila's met het fenotype EFG worden nakomelingen verkregen. Alle vrouwelijke nakomelingen hebben het fenotype EFG.
Onder de mannelijke nakomelingen worden onderstaande fenotypen in de volgende percentages aangetroffen:
afbeelding
In welk schema is het genotype van het moederdier juist weergegeven?
afbeelding
Crossing-over.
Een plant is heterozygoot voor drie eigenschappen.
Heterozygote planten een fenotype (intermediair) dat verschilt van dat van homozygote planten. De betrokken genen P, Q en R zijn gekoppeld.
Er vindt crossing-over plaats tussen P en Q en ook tussen Q en R.
Door zelfbestuiving krijgt deze plant talrijke nakomelingen.
Hoeveel verschillende fenotypen kunnen worden verwacht bij de talrijke nakomelingen?
Crossing-over.
Bij een bepaalde diersoort is bij 20% van de gevormde gameten, zowel bij mannetjes als bij vrouwtjes recombinatie tussen twee bepaalde genen opgetreden.
Er vindt paring plaats tussen twee dieren die voor beide betrokken eigenschappen heterozygoot zijn. Bij deze dieren ligt het dominante allel voor de ene eigenschap in hetzelfde chromosoom als het recessieve allel voor de andere eigenschap.
Hoeveel procent van de talrijke nakomelingen zal, naar verwachting, voor beide eigenschappen het fenotype vertonen dat wordt veroorzaakt door de dominante allelen?
Crossing-over.
Een bepaald individu heeft als genotype EeFf.
De genen liggen in hetzelfde chromosoom.
Het percentage door recombinatie gevormde gameten bedraagt 25.
In welke verhouding levert dit organisme de gameten EF, Ef, eF en ef?
afbeelding
Crossing-over.
De figuur stelt voor een kolf van een bepaalde maïsplant.
Deze kolf bevat vier typen korrels in de getekende verhoudingen:
wit-rond, wit-gerimpeld, gekleurd-rond, gekleurd-gerimpeld.
Zowel korrelkleur als korrelvorm zijn eigenschappen van de kiem.
De pijlen geven de crossing-over producten aan.
Is het aannemelijk dat de korrels in deze kolf na zelfbestuiving zijn ontstaan?
Zo ja, uit welk type korrel zou deze zelfbestuivende plant dan ontstaan kunnen zijn?
afbeelding
Crossing-over.
Tussen de genen E, F, G en H zijn de volgende crossing-over percentages gevonden:
tussen E en F: 35%
tussen F en G: 10%
tussen G en H: 15%
tussen E en G: 25%
tussen F en H: 25%
Wat is de juiste volgorde van de genen in het chromosoom?