Oefentoets Biologie: Zenuwstelsel - centraal_autonoom 2 | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Zenuwstelsel

Blozen.

Een jongen wordt aangesproken door een meisje dat hij aardig vindt. Hij bloost. Hierbij loopt zijn gezicht rood aan. Over dit blozen worden de volgende uitspraken gedaan:

1. bloedvaten in de huid verwijden zich;
2. het rood worden van de huid staat onder invloed van het autonome zenuwstelsel;
3. dit blozen is een aanwijzing dat impulsen van het animale zenuwstelsel kunnen worden doorgegeven naar het autonome zenuwstelsel.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Zenuwstelsel

Schrikken.

Als iemand schrikt, kan zijn hart sneller gaan kloppen.

Via welke van onderstaande zenuwen worden in dat geval impulsen naar het hart geleid, waardoor dit sneller gaat kloppen?

Zenuwstelsel

Adrenaline en het autonome zenuwstelsel.

Het bijniermerg van de mens produceert adrenaline.

Wordt de productie van adrenaline gestimuleerd door het orthosympathische deel van het autonome zenuwstelsel?
En wordt de productie van adrenaline gestimuleerd door het parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel?

Zenuwstelsel

Gestimuleerd worden door het (ortho)sympathische zenuwstelsel.

De volgende gebeurtenissen kunnen in het lichaam van een mens plaatsvinden:

1. de frequentie van de hartslag wordt groter;
2. de doorsnede van de kleinste vertakkingen van de bronchiën wordt groter;
3. de afgifte van spijsverteringssappen neemt toe.

Welke activiteiten worden gestimuleerd door het (ortho)sympathische zenuwstelsel?

Zenuwstelsel

1/4 Hersencentra.
Zie figuur A 1042 van de bijlage.

De Canadese neurochirurg Penfield ontwikkelde in de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw een kaart van de sensorische centra in de menselijke hersenschors. Deze kaart wordt vaak weergegeven als een homunculus: een op de hersenschors geprojecteerd figuurtje van de mens (zie de afbeelding).

Verklaar waarom gezicht en handen in dit figuurtje zo'n groot oppervlak op de hersenschors innemen.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/4 Hersencentra.

Als iemand niet bestaande beelden ziet spreekt men van hallucineren.

Waar zul je met een hersenscan grote elektrische activiteit vinden bij hallucineren?

Zenuwstelsel

3/4 Hersencentra.
Zie figuur B 4688 van de bijlage.

Een Groningse arts deed onderzoek naar incontinentie. Hij ontdekte dat er in de hersenen drie centra bij het plassen zijn betrokken. Als bij een gezond persoon de blaas vol is, gaan er via het ruggenmerg impulsen naar de hersenen. In het Emotioneel Motorisch Centrum (EMC) wordt bepaald of het veilig is om te plassen. Is dat het geval, dan gaan er impulsen naar het Plascentrum (PC). Via het ruggenmerg wordt nu het plassen in gang gezet: de sluitspier van de blaas wordt ontspannen en de blaaswandspier aangespannen. Is de situatie onveilig, dan gaan er impulsen naar het Continentiecentrum (CC): de plas moet worden opgehouden. Als dat laatste centrum niet goed werkt, kan de plas niet worden opgehouden: er is sprake van incontinentie.
In de afbeelding is een model geschetst van de drie centra, EMC, PC en CC, de sluitspier, de blaaswandspier en de zintuigen in de blaas.
De genummerde pijlen geven effecten aan: een + betekent een stimulerend effect, een - een remmend effect.

Iemand plast op een ‘veilige' plek.

Geef in de goede volgorde aan:

- de nummers van de banen die dan impulsen doorgegeven van de zintuigen naar de sluitspier, en
- de nummers van de banen die impulsen doorgegeven van de zintuigen naar de blaaswandspier.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

4/4 Hersencentra.

De arts deed vervolgens onderzoek bij zoogdieren en ontdekte bij bepaalde soorten ook een systeem van gecontroleerde urinelozing.

Leg uit dat het functioneel is voor bepaalde diersoorten om een dergelijk systeem te hebben.

Zenuwstelsel

Parasympathisch zenuwstelsel.

Via het parasympathisch zenuwstelsel kan

Zenuwstelsel

1/2 Snurken.

Op de regulatie van de adembewegingen hebben zowel het CO2 -gehalte als het O2 -gehalte van het bloed invloed. Na blokkering van de ademhalingswegen vinden processen plaats waardoor het ademritme weer hersteld wordt.
Hieronder staat een aantal zinnen over dit herstel:

1. Vanuit de hersenstam gaan impulsen via motorische zenuwen naar de buikwandspieren die zich vervolgens samentrekken.
2. Impulsen bereiken het ademcentrum in de hersenstam.
3. Zintuigjes worden geprikkeld, zodat impulsen in sensorische zenuwen ontstaan.
4. Door blokkering van de luchtwegen neemt het CO2 -gehalte van het bloed toe, waardoor het bloed zuurder wordt.
5. Impulsen arriveren in de grote hersenen en worden van daaruit doorgegeven aan de hersenstam.
6. Vanuit de hersenstam gaan impulsen via motorische zenuwen naar de middenrifspieren die zich vervolgens samentrekken.

Welke van de gebeurtenissen, beschreven in bovenstaande zinnen, vinden plaats bij het herstellen van het ademritme bij snurkenden en in welke volgorde gebeurt dat?

Zenuwstelsel

2/2 Snurken.

Een apparaatje dat het snurken mogelijk vermindert, is de zogenoemde 'snoozer'. De snoozer wordt onder het hoofdkussen geplaatst en produceert, na drie opeenvolgende snurkgeluiden, trillingen, die door de huid worden waargenomen en die ongeveer twee seconden aanhouden. Zij sporen de snurker aan om van houding te veranderen. Een zijligging vermindert de kans op snurken.

Delen van het zenuwstelsel zijn: grote hersenen, motorische en sensorische zenuwbanen en ruggenmerg.

Welke van de genoemde delen zijn, samen met de kleine hersenen, betrokken bij het van houding veranderen van de snurker tengevolge van de trillingen van de snoozer?

Zenuwstelsel

Een nieuwe astmatherapie.

Een van de reacties bij astma is dat de spiertjes om de luchtwegen zich samentrekken en verkrampt raken.

Door welk deel van ons zenuwstelsel wordt het samentrekken van de spiertjes in de luchtwegen gestimuleerd?

Zenuwstelsel

Bloedsomloop.
Zie figuur C 179 van de bijlage.

De frequentie van de hartslag kan worden beïnvloed vanuit het centrale zenuwstelsel. Het hart is door zenuwen van het autonome zenuwstelsel verbonden met de hersenstam. De hersenstam krijgt informatie vanuit onder andere de aorta en de halsslagaders. Daar bevinden zich receptoren die worden geprikkeld door veranderingen in de bloeddruk in deze bloedvaten. Het autonome zenuwstelsel reguleert de bloeddruk.

Op een bepaald moment neemt bij iemand door een verhoogde bloeddruk de impulsfrequentie vanuit de genoemde receptoren naar de hersenstam toe.

Zal de bloeddruk vervolgens weer normaal worden door een toename van de impulsfrequentie in het parasympatische of het orthosympatisch deel van het autonome zenuwstelsel? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Bloedsomloop.

Door welk deel van het zenuwstelsel wordt de doorstroming van het lichaam met bloed geregeld?

Zenuwstelsel

1/2 Koorts.

Bij bepaalde ziekten kunnen giftige stoffen in het bloed aanwezig zijn, waardoor koorts ontstaat. De gifstoffen beïnvloeden een bepaald deel van de hersenstam dat de lichaamstemperatuur regelt. Het temperatuurcentrum wordt door de gifstoffen ongevoeliger voor warmte. Hoewel de lichaamstemperatuur aanvankelijk normaal is, geeft het temperatuurcentrum door de werking van de gifstoffen toch meer impulsen af dan normaal. Hierdoor neemt de stofwisselingsactiviteit toe en stijgt de lichaamstemperatuur.

Dank zij de temperatuurverhoging wordt de afbraak van de giftige stoffen versneld.

Voelt iemand zich bij beginnende koorts koud, normaal of warm wanneer de temperatuur aan het stijgen is?

Zenuwstelsel

2/2 Koorts.
Zie figuur C 91 van de bijlage.

Neemt bij beginnende koorts de impulsfrequentie toe in het orthosympathische deel van het autonome zenuwstelsel of in het parasympathische deel van het autonome zenuwstelsel of neemt de impulsfrequentie in geen van beide delen toe?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Doping.
Zie figuur C 87 van de bijlage.

In de topsport wordt soms gebruik gemaakt van doping, het toedienen van stoffen die prestatieverhogend werken.
Voorbeelden van deze stoffen zijn amfetaminen die het effect van een bepaald deel van het autonome zenuwstelsel versterken. De afbeelding geeft een overzicht van een aantal invloeden van het parasympatische en van het orthosympathische deel van het autonome zenuwstelsel. Voor de duidelijkheid is het centrale zenuwstelsel twee keer weergegeven.

Versterken amfetaminen het effect van het parasympathische of van het orthosympathische deel van het autonome zenuwstelsel? Geef een verklaring voor je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Sport.

In het algemeen is het onverstandig om tijdens het sporten te eten. Dit geldt met name als de duur van de inspanning korter is dan twee uur. In de spieren en in de lever is dan voldoende glycogeen aanwezig zodat aanvulling tijdens de inspanning niet nodig is. Als de inspanning echter langer duurt dan twee uur, kan extra koolhydraatopname tijdens de inspanning de prestatie verbeteren.
Als verklaring waarom men beter niet tegelijkertijd kan eten en sporten, worden twee beweringen gedaan:

1. Tijdens het sporten vindt in het autonome zenuwstelsel vooral impulsoverdracht plaats in het orthosympathische deel, waardoor minder bloed naar de verteringsorganen stroomt.
2. Tijdens het sporten vindt vooral impulsoverdracht plaats in het animale zenuwstelsel, terwijl er nauwelijks impulsoverdracht plaatsvindt in het autonome zenuwstelsel.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Zenuwstelsel

Marathon lopen.

Door de invloed van het autonome zenuwstelsel is de vertering van het voedsel tijdens inspanning slechter dan in rust.
Over het autonome zenuwstelsel worden drie beweringen gedaan:

1. Het aantal impulsen per tijdseenheid in zenuwen van het parasympathische deel van het autonome zenuwstelsel die naar het maagdarmkanaal gaan, neemt bij inspanning af.
2. Het aantal impulsen per tijdseenheid in zenuwen van het parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel die naar het maagdarmkanaal gaan, neemt bij inspanning toe.
3. Het aantal impulsen per tijdseenheid in zenuwen van het orthosympatische deel van het autonome zenuwstelsel die naar het maagdarmkanaal gaan, neemt bij inspanning toe.

Welke van deze beweringen geeft een oorzaak van de slechte vertering tijdens inspanning?

Zenuwstelsel

Hardlopen.

Na het hardlopen gaat een man thuis bij de televisie zitten en valt in slaap.

Heeft één van de beide delen van het autonome zenuwstelsel tijdens het slapen een grotere invloed op het functioneren van het ademhalingsstelsel en het bloedvatenstelsel dan tijdens het trimmen?