Oefentoets Biologie: Dierfysiologie | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 5

Deze oefentoets bevat 19 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

19

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dierfysiologie

1/5 Duikeenden en Aalscholvers.

Duikeenden vetten hun veren in, en onderhouden hun verenvet door middel van hun stuitklier. Aalscholvers daarentegen missen zo'n stuitklier om hun veren in te vetten, maar hebben wel een dikke onderhuidse vetlaag.

Wat is het voordeel van ingevette veren?

Dierfysiologie

2/5 Duikeenden en Aalscholvers.

Maar waarom is diep duiken met ingevette veren veel lastiger dan met natte veren?

Dierfysiologie

3/5 Duikeenden en Aalscholvers.

Waarom krijgen deze duikende eenden het eerder koud op grotere diepten?

Dierfysiologie

4/5 Duikeenden en Aalscholvers.

Willem zegt dat diepe duiken kost meer energie en dus meer zuurstof, zodat de eend minder lang onder water kan blijven.

Geef twee redenen waarom Willem gelijk heeft.

Dierfysiologie

5/5 Duikeenden en Aalscholvers.
Zie figuur B 5084 van de bijlage.

Aalscholvers zie je vaak afgebeeld met wijd gespreide vleugels (zie afbeelding hiernaast). Die houding nemen ze aan na het vissen.

Waartoe dient die houding?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Zuurstofopname.

Een kubusvormig organisme met een ribbe van 1 cm kan per uur door zijn buitenoppervlak maximaal 1 ml zuurstof uit de omgeving opnemen. Het organisme heeft geen andere gaswisselingsmogelijkheid. Na enkele weken is het lichaam gegroeid en is de ribbe van dit kubusvormige organisme 2 cm.

Als alle andere omstandigheden gelijk zijn gebleven, hoeveel ml zuurstof kan het grotere organisme nu maximaal (door diffusie) via zijn buitenoppervlak opnemen?

Dat is [invulveld] ml.

Dierfysiologie

Waterdieren.
Zie figuur B 5085 van de bijlage.

De walvishaai lijkt uitwendig op een walvis. Beide diersoorten eten vooral kleine garnalen, ook wel krill genoemd. Ze leven in hetzelfde gebied. Twee even grote en even actieve dieren, een walvishaai en een walvis, worden vergeleken met elkaar.

Welk dier heeft gemiddeld meer voedsel per dag nodig, de walvishaai of de walvis,of hebben ze ongeveer evenveel voedsel nodig?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Energiegebruik bij zoogdieren.

Bij zoogdieren in rust komen aanzienlijke verschillen in energieverbruik voor. In de tabel hieronder is dit energieverbruik van vier verschillende volwassen zoogdieren uit gematigde streken weergegeven.
Het energieverbruik is gedurende 24 uur gemeten onder gelijke omstandigheden en is uitgedrukt in kJ per kg lichaamsgewicht. De dieren zijn niet in winterslaap. Ze verschillen aanzienlijk in gewicht.
afbeeldingafbeelding

Is op grond van deze gegevens te bepalen in welke volgorde deze dieren kunnen worden gerangschikt van licht naar zwaar?
Zo ja, wat is de juiste volgorde?
Zo nee, welke gegevens zijn nog meer nodig zodat de juiste volgorde kan worden bepaald?

Dierfysiologie

Energieverbruik.

Bij zoogdieren in rust zijn grote verschillen in energieverbruik.
Het energieverbruik van vier verschillende volwassen zoogdieren (in kJ/kg) wordt onder gelijke omstandigheden, bij 20°C, in rust gemeten.
De tabel hieronder geeft het energieverbruik in kilojoule per kilogram lichaamsgewicht.
afbeeldingafbeelding

Wat is de belangrijkste factor waardoor dit verschil in energieverbruik in rust wordt verklaard?

Dierfysiologie

Landslakken.
Zie figuur B 5086 van de bijlage.

Bij veel soorten landslakken vindt gaswisseling plaats door de wand van de ademholte (een soort long). Deze ademholte staat via de ademopening in verbinding met de buitenlucht.
Het grootste deel van de tijd is deze ademopening gesloten.

De belangrijkste functie van het gesloten houden van de ademopening is, dat op deze wijze

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Slangen.

Er zijn slangensoorten die bij water leven en kunnen zwemmen.
Een voorbeeld is de ringslang (Natrix natrix), die in Nederland voorkomt, niet giftig is en niet bijt. De ringslang kan wel een half uur onder water blijven terwijl hij bezig is met zoeken van voedsel.

Hieronder worden vier beweringen gegeven als verklaring voor het feit dat een ringslang lang onder water kan blijven.

1. Aanwezigheid van kleine kieuwen achter aan de kop.
2. Lage stofwisselingsactiviteit in koud water.
3. Zwemmen in water kost weinig energie.
4. De slang verzamelt lucht bij waterplanten en maakt daar een luchtbel van.

Welke verklaring is of welke verklaringen zijn juist?

Dierfysiologie

Reptielen.

Reptielen zijn koudbloedig. Een python broedt haar eieren uit door haar lange lichaam om haar eieren te winden. Zij laat op gezette tijden haar spieren trillen.

Wat is de meest aannemelijke reden van dit trilgedrag?

Dierfysiologie

Schollen.

Schollen zijn platvissen. Je vindt een schol met twee ogen aan de linker zijde van de kop. Tijdens de groei is het rechteroog steeds meer naar de linkerkant gekomen. Als de vis volwassen is zwemt hij vlak boven de zeebodem.

Op welke zijde zwom de gevonden schol over de zeebodem?

Dierfysiologie

Baby’s en volwassenen.

Het gewicht en het lichaamsoppervlak van een pasgeboren baby worden vergeleken met die van een volwassene. Het gewicht van de baby is ongeveer 1/20 van het gewicht van de volwassene en het lichaamsoppervlak van de baby is ongeveer 1/9 van dat van de volwassene.
Drie andere verschillen tussen een volwassene en een baby staan in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Welk van de genoemde verschillen tussen een volwassene en een baby wordt of welke verschillen worden vooral veroorzaakt door het verschil in lichaamsoppervlak per kilogram lichaamsgewicht?

Dierfysiologie

Tonijn.

Voor de tonijn geldt niet de uitdrukking ‘zo koud als een vis’, omdat deze vis continu een lichaamstemperatuur handhaaft die 10°C hoger is dan de temperatuur van het zeewater.

Welke kenmerken zijn aanwezig en van belang voor de temperatuurregeling bij de tonijn?

1. De zwemspieren liggen diep in het lichaam.
2. De temperatuur in het bloed in de kieuwen is erg laag.
3. Het bloed dat uit de kieuwen komt gaat eerst naar de zwemspieren om op te warmen.
4. De vis zoekt zonnige plaatsen op.
5. Het zuurstofarme bloed dat uit het lichaam naar de kieuwen gaat, kan zijn warmte afgeven aan het bloed dat juist van de kieuwen terugkomt.
6. De tonijn maakt altijd zwembewegingen.

Dierfysiologie

Ademhaling bij de kikker.
Zie figuur B 5087 van de bijlage.

Barbourula kalimantanensis is een kikker die als volwassen dier geen longen heeft.
Deze kikker ademt alleen via zijn huid.

Onder welke omstandigheden zal deze kikker het best in leven kunnen blijven?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Aalscholvers.
Zie figuur B 5084 van de bijlage.

Aalscholvers zie je vaak in het zonnetje zitten met hun vleugels gespreid.
Na elke duik moeten zij hun veren laten drogen. Zij kunnen het vettige stofje, waarmee andere vogels hun verenpak waterdicht maken, niet maken.

Doordat er geen luchtbelletjes tussen de veren blijven zitten

1. zijn de vogels lichter en kost vliegen minder energie;
2. kunnen zij onder water sneller zwemmen;
3. kunnen zij dieper duiken dan andere watervogels.
Welk van de beweringen 1, 2 en 3 is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Pissebedden.
Zie figuur A 1087 van de bijlage.

Een groep leerlingen heeft de afgifte van koolstofdioxide gemeten bij pissebedden, gedurende 50 minuten en bij twee verschillende temperaturen: 13°C en 19°C. Hiervan is nevenstaande grafiek gemaakt.

Als dezelfde metingen bij een mens zou worden gedaan, dan

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Kevers.
Zie figuur B 5723 van de bijlage.

Een goliathkever weegt ongeveer 100 gram en past net in je hand.
Kevers kunnen niet groter worden dan 30 cm.

Wat zal de meest waarschijnlijke reden zijn dat er geen grotere kevers zijn, ook niet in warme gebieden?

afbeeldingafbeelding