Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Verandert gedurende een bepaald jaar door het inbrengen van zuurstof het zelfreinigend vermogen van het water van een rivier? En verandert door het inbrengen van zuurstof in één jaar de soortensamenstelling in een rivier?
afbeelding
Ecologie
Fosfaat.
Wasmiddelen bevatten vroeger veel fosfaat. Dit fosfaat kwam met het waswater in het slootwater terecht. Door de toevloed van fosfaat nam het aantal algen in het slootwater sterk toe. Hierdoor kreeg het water een blauwgroene kleur. Men noemt dit verschijnsel waterbloei. De algen sterven massaal na korte tijd. Zij zakken naar de bodem. Hun resten worden afgebroken door de vele bacteriën. De hoge activiteit van de bacteriën heeft invloed op de vissen in de sloot. Slootwater heeft een bepaald zelfreinigend vermogen. Hierdoor verdwijnen de restanten van een dode eend vrij snel zonder schadelijke stoffen achter te laten.
Verandert dit zelfreinigend vermogen als gevolg van de waterbloei? Zo ja, neemt het dan toe of af?
Ecologie
Fosfaat.
Wasmiddelen bevatten vroeger veel fosfaat. Dit fosfaat kwam met het waswater in het slootwater terecht. Door de toevloed van fosfaat nam het aantal algen in het slootwater sterk toe. Hierdoor kreeg het water een blauwgroene kleur. Men noemt dit verschijnsel waterbloei. De algen sterven massaal na korte tijd. Zij zakken naar de bodem. Hun resten worden afgebroken door de vele bacteriën. De hoge activiteit van de bacteriën heeft invloed op de vissen in de sloot. Slootwater heeft een bepaald zelfreinigend vermogen. Hierdoor verdwijnen de restanten van een dode eend vrij snel zonder schadelijke stoffen achter te laten.
Verandert dit zelfreinigend vermogen als gevolg van de waterbloei? Waardoor?
Ecologie
Plantengroei.
In Nederland groeien op veel akkers maïsplanten. Zij groeien onder gunstige omstandigheden snel en slaan veel reservevoedsel op in de maïskolven. Daarom zijn zij geschikt voor veevoer. Onder grote bomen zal maïs minder goed kunnen groeien dan op een akker zonder bomen.
Noem twee redenen voor deze slechtere groei van maïsplanten onder grote bomen.
Ecologie
Zelfreinigend vermogen van water.
Vervuiling van water door organische stoffen is er altijd al geweest. Overal komen resten van dode planten en dieren in het water terecht. Zo vervuilt het water. In het water leven ook organismen die organische stoffen afbreken tot anorganische stoffen. Daardoor komt er geen ernstige vervuiling. Dit noemt men het zelfreinigend vermogen van water. Het zelfreinigend vermogen van water loopt gevaar als de invloed van vervuiling door menselijk handelen groot wordt.
Noem de groep organismen die voornamelijk voor het zelfreinigend vermogen van het water zorgt.
Dit zijn de [invulveld]
Ecologie
1/7 Algen bij de afvalwaterzuivering.
In een krant stond het volgende bericht:
Tekst: In het verleden werden bij de afvalwaterzuivering vooral bacteriën gebruikt om organische (biologische) stoffen uit het afvalwater te verwijderen. Het gedeeltelijk gezuiverde water dat overbleef, bleek nog te grote hoeveelheden zouten te bevatten. Door naast de bacteriën ook algen te gebruiken vond men een manier om dit probleem op te lossen. De algen nemen de zouten uit het water op voordat het water de installatie voor de afvalwaterzuivering verlaat.
Voor welk proces verbruiken de algen de zouten uit het afvalwater vooral?
Ecologie
2/7 Algen bij de afvalwaterzuivering.
In afvalwater bevinden zich: eiwitten en koolhydraten.
Welke van deze stoffen worden bij de afvalwaterzuivering door bacteriën grotendeels verwijderd uit het afvalwater?
Ecologie
3/7 Algen bij de afvalwaterzuivering.
In het water in een installatie voor afvalwaterzuivering leven veel algen en bacteriën. Om de afbraak van organische stoffen beter te laten verlopen wordt voortdurend lucht met veel zuurstof door het afvalwater gemengd. Dat is niet bedoeld om de algen en bacteriën in leven te houden; ze blijven zonder deze extra lucht ook wel in leven.
Is dit mengen met lucht vooral bedoeld om de fotosynthese in deze algen te bevorderen? En om de verbranding in deze bacteriën te bevorderen?
Ecologie
4/7 Algen bij de afvalwaterzuivering.
Welke van de volgende beweringen over algen is of welke zijn juist?
1. Algen krijgen vooral energie uit de verbranding van zouten. 2. Algen verbruiken zouten bij het maken van bepaalde organische stoffen.
Ecologie
5/7 Algen bij de afvalwaterzuivering.
Kan het water zoals dat na behandeling met algen, uit de zuiveringsinstallatie komt, nog als mest in de landbouw worden gebruikt? Leg je antwoord uit.
Ecologie
6/7 Algen bij de afvalwaterzuivering.
Wanneer het water uit de afvalzuiveringsinstallatie te warm is, zullen problemen kunnen ontstaan in het oppervlaktewater.
Hoe wordt het lozen van warm water in oppervlaktewater genoemd?
Ecologie
7/7 Algen bij de afvalwaterzuivering.
Beschrijf puntsgewijs en in het kort welke problemen (± 8) achtereenvolgens in het oppervlaktewater optreden als het water te warm wordt.
Ecologie
1/2 Eencelligen. Zie figuur A 964 van de bijlage.
Twee soorten eencellige diertjes, P en Q, bevinden zich in een pot met water en voedingsstoffen. Dagelijks wordt het aantal diertjes per soort bepaald. In de tabel worden de resultaten weergegeven.
afbeelding
Zie figuur A 964 van de bijlage.
Maak met de gegevens uit de tabel een diagram op de uitwerkbijlage. Teken een lijn voor soort P en een lijn voor soort Q in één diagram.
afbeelding
Ecologie
t2/2 Eencelligen.
Eén van beide soorten wordt opgegeten door de andere soort.
Welke soort wordt opgegeten, soort P of soort Q? Leg je antwoord uit met behulp van het diagram.
Ecologie
Mezen. Zie figuur A 1155 van de bijlage.
In een bos leven drie soorten mezen; koolmees, glanskopmees en pimpelmees. Soms eten ze hetzelfde voedsel op dezelfde plaats, maar meestal zoeken ze hun voedsel op verschillende plaatsen in de bomen. De koolmees zoekt zijn voedsel laag bij de grond of op de grond; de glanskopmees zoekt zijn voedsel iets hoger in de bomen en de lichte pimpelmees zoekt zijn voedsel aan het eind van de takken of helemaal boven in de boom.
Welke bewering over deze drie vogelsoorten is juist?