Oefentoets Biologie: Spijsvertering | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

De werking van amylase.

Het enzym amylase zet zetmeel om in maltose.

Hieronder staan drie uitspraken over amylase in verband met de spijsvertering van de mens:

1. bij de omzetting van zetmeel door amylase neemt water deel aan de reactie,
2. het voedsel dat via de maagportier in de twaalfvingerige darm komt, heeft de optimale zuurgraad voor de werking van amylase,
3. vanuit de dunne darm worden amylasemoleculen geresorbeerd.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Spijsvertering

Eiwitvertering.

Bij de vertering van eiwitten worden peptidebindingen verbroken.

Welke stoffen kunnen na het verbreken van dergelijke bindingen ontstaan?

Spijsvertering

Eiwitvertering.

In vier reageerbuizen wordt een gelijke hoeveelheid van een eiwitoplossing gedaan. Aan deze buizen worden verteringssappen van de mens toegevoegd.
Het totale aantal toegevoegde enzymmoleculen van elk sap is in alle gevallen gelijk.
Aan de buizen worden respectievelijk toegevoegd:

buis 1: alvleessap en darmsap,
buis 2: maagsap en darmsap,
buis 3: speeksel en alvleessap,
buis 4: speeksel en darmsap.

In welke buis neemt de aminozuurconcentratie het snelst toe?

Spijsvertering

Eiwitvertering.
Zie figuur C 39 van de bijlage.

Een enzym uit maagsap van de mens verbreekt alleen de peptidenbindingen tussen de zuurgroep van aminozuurmoleculen met restgroep Z en de aminogroep van andere aminozuurmoleculen.
De tekening geeft schematisch een bepaald eiwitmolecuul weer.
De aminogroep en de zuurgroep die zich aan de uiteinden van dit eiwitmolecuul bevinden, zijn apart weergegeven. Dit eiwitmolecuul bezit één aminozuur met restgroep Z. Alleen de plaats waar deze restgroep zich bevindt, is aangegeven.

In welke delen kan het genoemde enzym dit eiwitmolecuul splitsen?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Peptidasen.
Zie figuur B 134 van de bijlage.

Peptidasen zijn enzymen die eiwitten verteren. Het hangt van het type peptidase af welke peptidebindingen precies verbroken worden. Peptidase P is in staat peptidebindingen te verbreken tussen een aminozuur met restgroep R4 en de NH-groep van een ander aminozuur. De tekening geeft een peptide-keten weer.

Op welke van de aangegeven plaatsen kan peptidase P de getekende peptide-keten splitsen?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Eiwitten.

Het voedsel van een volwassen proefpersoon bevat per etmaal 60 gram eiwitten. In zijn darmkanaal wordt echter per etmaal 110 gram eiwitten verteerd. Enkele processen in het darmkanaal en bij de vertering zijn:

1. de afgifte van verteringssappen met enzymen,
2. het voortdurend afsterven van dekweefselcellen in het darmkanaal.

Zijn deze processen oorzaak van het verschil tussen de hoeveelheid gegeten en de hoeveelheid verteerde eiwitten?
Zo ja, welk van deze processen is of welke zijn daarvan de oorzaak?

Spijsvertering

Fagocytose.

Wat wordt onder fagocytose verstaan?

Spijsvertering

Zetmeelvertering door schimmel.

Men wil vaststellen of de vertering van zetmeel door een bepaalde schimmel intra- of extracellulair plaats vindt. Daartoe maakt men gebruik van een gesteriliseerde voedingsbodem met zetmeel, waarop men de schimmel laat groeien.

De juistheid van de hypothese dat bij deze schimmel de vertering extracellulair plaats vindt, zou worden bewezen indien na enige tijd wordt aangetoond dat

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

Tijdens de vertering worden bij zetmeel bindingen verbroken tussen

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

In een bepaalde zetmeeloplossing worden alle zetmeelmoleculen in 10 minuten door 1 mL speeksel afgebroken.
Om na te gaan hoe lang dit bij een andere zuurgraad duurt, worden onder andere de volgende handelingen met deze zetmeeloplossing verricht.

1. toevoegen van 1 mL speeksel,
2. noteren van het tijdstip van speekseltoevoeging,
3. toevoegen van 1 mL zuur,
4. noteren van het tijdstip van zuurtoevoeging.

Welke handelingen zijn noodzakelijk en in welke volgorde?

Spijsvertering

Vertering van zetmeel en cellulose.

Zetmeel en cellulose zijn beide opgebouwd uit glucosemoleculen. Zetmeel wordt door amylase van de mens verteerd, cellulose niet.

Wat is er de oorzaak van dat cellulose niet door amylase wordt verteerd?

Spijsvertering

Amylase.

Een reageerbuis bevat een oplossing van 10 mg zetmeel in water. De buis met de oplossing wordt op 37°C gebracht. Aan de buis wordt een amylase-oplossing toegevoegd die in deze situatie per minuut maximaal 1 mg zetmeel omzet in maltose. Na vijf minuten wordt de inhoud van de buis onderzocht op de aanwezigheid van eiwit, maltose en zetmeel.

Welke van deze stoffen kan of welke kunnen in de reageerbuis worden aangetroffen?

Spijsvertering

Vertering in de maag.

Kan bij de mens de hoeveelheid maagsap die wordt afgescheiden worden veranderd onder invloed van het zenuwstelsel?
En onder invloed van een hormoon?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Amylase onwerkzaam.

In de twaalfvingerige darm wordt een zetmeelverterend enzym amylase aan het voedsel toegevoegd.

Speekselamylase, afgegeven in de mond, zal in de twaalfvingerige darm geen zetmeel verteren, doordat

Spijsvertering

Glucose-resorptie.
Zie figuur B 145 van de bijlage.

De tekening geeft schematisch een deel van het spijsverteringskanaal met enkele bijbehorende bloedvaten van de mens weer. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan. Bij p is de concentratie van glucose in de holte van de darm hoger dan in het bloed; bij q is dit omgekeerd.

Is bij q opname van glucose in het bloed mogelijk?
Is de concentratie van glucose in het bloed bij 2 hoger dan die in het bloed bij 1?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Glucoseregeling.

Iemand heeft een koolhydraatrijke maaltijd gebruikt en is direct daarna gaan slapen. De glucoseconcentratie in het bloed blijft gedurende deze rust vrijwel constant.
Bij de stofwisseling spelen onder andere een rol:

1. het bijniermerg,
2. de eilandjes van Langerhans,
3. de lever.

Welk van deze organen is of welke zijn actief bij het vrijwel constant houden van de glucoseconcentratie in het bloed van deze slapende persoon?

Spijsvertering

Suikerregeling.

Hieronder staan vier uitspraken over de concentratie van de hormonen glucagon of insuline in het bloed, in relatie met de glucoseconcentratie van het bloedplasma van de mens.

Welke uitspraak is juist?

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 1327 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een gedeelte van het verteringskanaal van de mens weergegeven. In de rechter afbeelding is weer een deel daarvan met enkele bijbehorende bloedvaten getekend. Twee plaatsen in het bloedvatenstelsel zijn aangegeven met r en s.

Enkele processen zijn:

1. resorptie van glucose uit het verteringskanaal door de darmwandcellen.
2. dissimilatie van glucose in de darmwandcellen.
3. omzetting van glucose in glycogeen in de levercellen.

Op een bepaald moment is de glucoseconcentratie in het bloed op plaats s lager dan die op plaats r.

Als gevolg van welk of van welke van deze processen is de glucoseconcentratie op plaats s lager dan die op plaats r?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Regeling van de vertering.

De afgifte van alvleessap wordt onder andere geregeld door het hormoon secretine. Secretine wordt geproduceerd in cellen in de wand van de twaalfvingerige darm; de pH in de twaalfvingerige darm beïnvloedt deze productie.

Is de hoeveelheid geproduceerd secretine het grootst bij een lage of bij een hoge pH?
Is de hoeveelheid geproduceerd alvleessap het grootst bij veel of bij weinig secretine?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Zuurgraad twaalfvingerige darm.

De zuurgraad in de twaalfvingerige darm is aan schommelingen onderhevig.
Als mogelijke invloeden op die zuurgraad worden genoemd:

1. vetvertering;
2. NaHCO3 uit alvleesklier en galblaas;
3. spijsbrij uit de maag;
4. zetmeelvertering.

Welke van de bovenstaande invloeden maken de inhoud van de twaalfvingerige darm zuurder?