Oefentoets Biologie: Ordening | VWO 5/VWO 6 | variant 2

Ontdek de digitale toets over diersoorten en hun indeling, gericht op studenten biologie die hun kennis van organismen en hun classificatie willen testen. Deze toets behandelt onderwerpen zoals afdelingen, zenuwstelsels en de ontwikkeling van verschillende diersoorten. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Diersoorten en hun afdelingen

Afdelingen.

Welk rijtje bevat uitsluitend diersoorten die tot verschillende afdelingen moeten worden gerekend?

Indelingsgroepen van dieren in volgorde

Organisatie.

De juiste volgorde van indelingsgroepen van hoog naar laag, dus waarbij het hoogste niveau de meeste en het laagste niveau de minste diersoorten omvat is

Gebruik van pantser in dieren

Pantser.

Chitine wordt gebruikt als

Indeling en eigenschappen van organismen

Ordening.

De indeling van de natuur gebeurt met behulp van de volgende eigenschappen:

Ontwikkeling van het zenuwstelsel bij dieren

Zenuwstelsel.
Zie figuur B 937 van de bijlage.

In de tekening is tweemaal een touwladderzenuwstelsel weergegeven.

Welk zenuwstelsel is het meest ontwikkeld?
Bij welke diersoort is dit te vinden?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Diersoorten en hun afdelingen

Ordening.

Welk rijtje bevat uitsluitend diersoorten die tot verschillende afdelingen moeten worden gerekend?

Bloed- en ademhalingssystemen bij dieren

Ordening.

I. Bij de wormen heeft zich een enkelvoudig bloedvaatstelsel ontwikkeld dat zich bij de gewervelden verder ontwikkelt tot een dubbele bloedsomloop.
II. De ontwikkeling van het ademhalingsstelsel bij de vogels en zoogdieren houdt verband met het ontstaan van warmbloedigheid bij deze dieren.

Vergelijking van skeletten: kreeft en mens

Kreeft en mens.

De skeletten van een kreeft en van een mens worden op de volgende punten met elkaar vergeleken:

1. de functie als aanhechtingsplaats voor spieren.
2. de opbouw uit kalk en organische stoffen.
3. de functie als opslagplaats van reservestoffen.
4. de aanwezigheid van cellen in het skelet.

Welke van bovenstaande eigenschappen en/of functies heeft het skelet van de mens en welke heeft het skelet van de kreeft?

afbeeldingafbeelding

Verschillen tussen organismen binnen klassen

Ordening.

De grootste verschillen kunnen voorkomen tussen de organismen van

Naamgeving van Tilia cordata

Naamgeving.

I. De soortaanduiding van Tilia cordata Mill. (kleinbladlinde) is cordata.
II. De naam Tilia cordata Mill. is gegeven door Linnaeus.

Naamgeving van de Kleinbladlinde

Naamgeving.

I. De geslachtsnaam van Tilia cordata Mill. (kleinbladlinde) is cordata.
II. De naam Tilia cordata Mill. is gegeven door Linnaeus.

Chromosomen en celtypen bij organismen

Ordening.

Kees bekijkt door een microscoop cellen afkomstig van een veelcellig organisme. Hij kent het organisme niet.
In sommige delende cellen neemt hij drie paren chromosomen waar. Op grond van deze waarneming vermoedt hij dat de cellen afkomstig zijn van een dier en niet van een plant.

Is deze waarneming van Kees voldoende om met zekerheid te kunnen zeggen dat het organisme een dier is?

Verandering van kikkervisje naar kikker

Een kikkervisje.

Een kikkervisje (planteneter) verandert in een kikker (vleeseter).

In welk stadium heeft dit dier in verhouding tot zijn lichaamslengte de kortste dunne darm?
In welk stadium heeft de maag in verhouding het grootste aandeel in de vertering?

afbeeldingafbeelding

Gebruik van bacteriën en schimmels

Ordening.

I. Bacteriën worden gebruikt bij de bereiding van brood.
II. Schimmels worden gebruikt bij de bereiding van alcohol, bepaalde kaas en antibiotica.

Bacteriën en blauwwieren: kenmerken en verschillen

Ordening.

Bacteriën en blauwwieren worden tot één plantengroep (de Schizofyceae) gerekend.

Zij verschillen van de overige organismen doordat zij beide

Kenmerken van Bacteriën

Ordening.

Gegeven de volgende kenmerken:

1. bevatten op een enkele uitzondering na geen chlorofyl;
2. zijn niet in het bezit van een cellulose/pectine celwand;
3. zijn autotroof;
4. vormen geen sporen/cysten;
5. zijn altijd pathogeen;
6. hebben prokaryote cellen.

Voor de meeste bacteriën gelden de kenmerken:

Pathogene bacteriën en hun rol

Ordening.

Pathogene bacteriën zijn

Bacteriën: celstructuur en voedingswijze

Ordening.

I. Bacteriën hebben geen celwand en geen chromosomen.
II. De meeste bacteriën zijn heterotroof.

Darmflora en symbiose bij de mens

Ordening.

De zogenaamde 'darmflora' bij de mens is een voorbeeld van

Latente bacteriën en hun eigenschappen

Ordening.

Bacteriën kunnen latent zijn; dat wil zeggen: