Oefentoets Biologie: Ziekten | HAVO 4/HAVO 5 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ziekten

4/6 Een parasiet knoeit met de psyche.

Welk deel van het zenuwstelsel is bij deze gedragsverandering door Toxoplasma gondii naar verwachting het meest beïnvloed?

Ziekten

5/6 Een parasiet knoeit met de psyche.

Toxoplasma gondii is op een bepaald moment zo veranderd dat hij in staat is het gedrag van besmette dieren te beïnvloeden. Anders gezegd: de eigenschap, het gedrag van besmette dieren beïnvloeden, is bij Toxoplasma gondii ontstaan door ... (1) ... en door ...(2)... zijn de best aangepasten overgebleven.

Schrijf de biologische begrippen op die op de plaatsen 1 en 2 moeten worden ingevuld.

Ziekten

6/6 Een parasiet knoeit met de psyche.

De parasiet heeft voordeel bij deze beïnvloeding. Hij kan zich zo sneller verspreiden.

Leg dit uit.

Ziekten

1/7 Afwijkend hemoglobine.
Zie figuur A 1034 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding

Sikkelcelanemie en a-thalassemie zijn ziekten bij de mens die worden veroorzaakt door afwijkend hemoglobine. Het gen dat bij sikkelcelanemie is veranderd, maakt deel uit van chromosoom 11, terwijl een afwijkend gen van chromosoom 16 a-thalassemie veroorzaakt. De twee onveranderde genen zijn samen verantwoordelijk voor goed werkende hemoglobinemoleculen. Ze coderen respectievelijk voor b- en a-hemoglobine. Sikkelcelanemie en a-thalassemie treden alleen op bij mensen die homozygoot zijn voor het betreffende, afwijkende gen. De ziekten worden gekenmerkt door klachten als lusteloosheid en vermoeidheid.

Malaria is een ziekte die wordt veroorzaakt door de eencellige Plasmodium. Bij de ontwikkeling en verspreiding van de parasiet dienen de mens en de mug afwisselend als gastheer (zie de afbeelding A 1034).

De malariamuggen steken om bloed op te zuigen. Als een mug iemand steekt die al besmet is, krijgt zij, met het opgezogen bloed, voortplantingscellen van de parasiet binnen. In de darm van de mug (3 in de afbeelding) vindt bevruchting plaats. Hierna vermeerdert de parasiet zich en komt ten slotte in de speekselklieren van de mug. Als de mug vervolgens iemand steekt die nog niet besmet is, worden kiemen (sporozoïeten in de afbeelding) van Plasmodium bij het volgende slachtoffer geïnjecteerd. De kiemen komen daarna in de lever (1 in de afbeelding) terecht, waar ze zich ontwikkelen. In de lever deelt de parasiet zich ongeslachtelijk. In een bepaalde ontwikkelingsfase komen de eencelligen in het bloed in rode bloedcellen terecht (2 in de afbeelding). Daarin delen ze zich, tot de rode bloedcel uiteenvalt, waarna de nieuwe generatie parasieten opnieuw rode bloedcellen binnendringt. Dit herhaalt zich meerdere keren. Symptomen van malaria zijn koortsaanvallen, bloedarmoede en een opgezette milt.

Zie volgende scherm


-

Ziekten

2/7 Afwijkend hemoglobine.
Zie figuur A 1034 van de bijlage.

In de tekst worden drie ziekten beschreven. Tegen sommige ziekten kunnen allerlei voorzorgsmaatregelen getroffen worden om het aantal slachtoffers zo laag mogelijk te houden.

Tegen welke van de drie beschreven ziekten zouden na de geboorte bepaalde voorzorgsmaatregelen kunnen helpen?

afbeeldingafbeelding

Ziekten

3/7 Afwijkend hemoglobine.

Eén van de symptomen van zowel sikkelcelanemie als a-thalassemie is vermoeidheid.

Leg uit waardoor deze vermoeidheid wordt veroorzaakt.

Ziekten

4/7 Afwijkend hemoglobine.

Over de genetische variatie van de parasiet worden twee uitspraken gedaan:

1. De genetische variatie onder de zygoten neemt toe bij het ontstaan van zygoten in de darm van de mug.
2. De genetische variatie neemt toe bij het ontstaan van de sporozoïeten in de speekselklieren van de mug.

Welk van deze twee beweringen is juist?

Ziekten

5/7 Afwijkend hemoglobine.
Zie figuur A 1034 van de bijlage.

De malariaparasiet komt het lichaam van de mens binnen via een muggensteek en ontwikkelt zich verder in de lever (zie de afbeelding).

Ga ervan uit dat de parasiet de kortste weg aflegt om van het begin van het armhaarvatennet in de lever te komen. Door welke bloedvaten komt de parasiet dan achtereenvolgens?

afbeeldingafbeelding

Ziekten

6/7 Afwijkend hemoglobine.

Personen die één afwijkend allel hebben voor a-thalassemie óf voor sikkelcelanemie (de zogenaamde dragers) zijn niet ziek, maar zijn hierdoor wel beter beschermd tegen malaria dan mensen die geen of twee afwijkende allelen hebben, hetzij voor a-thalassemie, hetzij voor sikkelcelanemie. Omdat vooral in tropische en subtropische landen malaria nog een van de belangrijkste doodsoorzaken is, komen personen met deze genafwijkingen in deze gebieden veel voor.

Waardoor komen dragers van sikkelcelanemie en a-thalassemie in gebieden met malaria veel meer voor dan in West Europa? Licht je antwoord toe.

Ziekten

7/7 Afwijkend hemoglobine.
Zie figuur B 4668 van de bijlage.

Hiernaast is een stamboom weergegeven van een familie waarin a-thalassemie voorkomt.

Van het jonge kind in de derde generatie (III) is nog niet bekend of het aan de ziekte gaat lijden.

Hoe groot is de kans dat dit kind a-thalassemie ontwikkelt?

afbeeldingafbeelding

Ziekten

1/4 De vorming van bloedvaten.
Zie figuur C 410 van de bijlage.

Angiogenese is de naam van het proces waarbij nieuwe bloedvaten gevormd worden. In een volwassen, volgroeid lichaam worden normaal gesproken geen bloedvaten meer aangemaakt; alleen nog bij wondgenezing. Daarnaast worden bij zwangere vrouwen in de baarmoederwand bloedvaten gevormd. Maar angiogenese komt ook voor bij tumoren die voor hun ongeremde groei afhankelijk zijn van bloed (zie de afbeelding C 410).
De groei van tumoren is alleen maar mogelijk als er bloedvaten naartoe gaan.
(zie de afbeelding: fase 3 en 4).

Leg uit waardoor de groei pas goed op gang kan komen als de bloedvaten de tumor bereikt hebben.

afbeeldingafbeelding

Ziekten

2/4 De vorming van bloedvaten.
Zie figuur C 410 en figuur B 4670 van de bijlage.

De groei van de nieuwe bloedvaten begint bij endotheelcellen. Tumoren zijn met signaalstoffen in staat om genen in deze endotheelcellen, die normaal in rust zijn, te activeren. Hierdoor gaan de endotheelcellen zich delen en vormen kleine vertakkingen van haarvaten, de zogenaamde vaatspruiten (zie de afbeelding C 410, fase 3).
De groei van een tumor wordt geremd als deze vaatspruiten niet meer gevormd worden. Er zijn geneesmiddelen op de markt die de signaalstoffen van de tumoren blokkeren, zodat er geen nieuwe bloedvaten ontstaan (zie de afbeelding B 4670).

In de afbeelding B 4670 zijn schematisch drie eiwitmoleculen P, Q en R getekend.

Welke van deze moleculen stelt het geneesmiddel voor?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ziekten

3/4 De vorming van bloedvaten.

Maastrichtse onderzoekers hebben een andere techniek bedacht om de vorming van nieuwe bloedvaten te voorkomen.
De tumorcellen activeren endotheelcellen. De onderzoekers hebben Anginex ontwikkeld, een eiwit dat zich bindt aan deze geactiveerde endotheelcellen, waarbij de cellen gedood worden. Hierdoor kunnen ze niet meer uitgroeien tot nieuwe bloedvaten.
Eén van de voordelen van dit middel is dat het geen bijwerking heeft. Nadeel is dat het middel alleen werkt als het via een infuus direct in de bloedbaan gebracht wordt.

Leg uit waardoor Anginex alleen maar via een infuus en niet via een pil of poeder in het lichaam werkzaam kan zijn.

Ziekten

4/4 De vorming van bloedvaten.

Toch is Anginex niet het wondermiddel dat alle type kankercellen kan aanpakken. Er zijn tumoren bekend die zelf endotheelcellen kunnen vormen. Er zijn ook tumoren bekend waarbij bloedvaten kunnen ontstaan zonder endotheelcellen. Remstoffen van angiogenese hebben geen invloed op beide bovengenoemde agressieve vormen van kanker, aldus het onderzoek.
Over deze laatste tumoren worden twee beweringen gedaan:

1. De eigenschap dat de tumorcellen zelf endotheelcellen vormen is het gevolg van mutatie.
2. In bloedvaten zonder endotheelcellen bevinden zich per mL meer rode bloedcellen dan in bloedvaten met endotheelcellen, zodat de tumor harder groeit.

Welk van deze beweringen is of welke van deze beweringen zijn juist?

Ziekten

1/7 Oorlog in de neus.

Op de site van Noorderlicht stond het volgende artikel:

Miljarden bacteriën houden ons dag en nacht gezelschap. Ze bewonen onze darmen, huid, mond en neus. Vaak levert deze samenleving voordelen voor beide organismen op. Zo voorzien de bacteriën in onze darmen ons van een voorraadje vitamine K, als dank voor de voedselresten die wij niet hebben opgenomen. Vitamine K speelt een rol bij de bloedstolling.

Niet altijd hebben wij voordeel van onze 'gasten'. Streptococcus pneumoniae en Haemophilus influenzae zijn bacteriën, die beide in de neus voorkomen. Zij houden zich koest, tot hun gastheer op een dag wat minder lekker in zijn vel zit.
Dan kunnen ze ineens nare ontstekingen in oren, neus en keel veroorzaken, en soms zelfs hersenvlies- of longontsteking.

De neusbacteriën maken ook elkaar het leven zo zuur mogelijk. Allerlei mechanismen worden gebruikt om de concurrerende soort uit te schakelen. Als in het laboratorium de beide soorten samen (buiten de neus) worden opgekweekt, delft Haemophilus influenzae het onderspit. Streptococcus pneumoniae produceert onder andere waterstofperoxide, dat voor een snelle dood van Haemophilus influenzae zorgt. Ook produceert hij een enzym dat de celwand van zijn tegenstander afbreekt.

Vreemd genoeg overleeft juist Haemophilus influenzae in de natuurlijke omgeving, de neus, beter. Als beide soorten samen in de neus worden gebracht, neemt Streptococcus pneumoniae snel in aantal af en blijft het aantal Haemophilus influenzae bacteriën stabiel.
Onderzoekers ontdekten dat deze laatste soort stoffen afscheidt die bepaalde cellen uit ons bloed activeren. Hoewel deze cellen geen onderscheid maken tussen verschillende indringers, wordt Streptococcus pneumoniae door deze cellen opgenomen en verteerd, en ontsnapt Haemophilus influenzae aan hun activiteit, waardoor hij binnen enkele dagen het neusslijmvlies voor zich alleen heeft.

In de neus en luchtwegen van de mens spelen abiotische factoren een rol voor de beschreven bacteriën.

- Noem twee abiotische factoren in neus- en luchtwegen.
- Leg uit welke rol deze abiotische factoren spelen bij de groei van de bacteriën.




-

Ziekten

2/7 Oorlog in de neus.
Zie figuur B 4534 van de bijlage.

Een patiënt meldt zich op de polikliniek en zijn slijmvliescellen worden onderzocht op de aanwezigheid van Haemophilus influenzae-bacteriën. In het preparaat worden naast de bacteriën ook cellen van de patiënt aangetroffen.
In de afbeelding zijn twee cellen afgebeeld.

- Welk van de afbeeldingen (P of Q) stelt de cel van de patiënt voor en welke de bacterie?
- Geef van zowel de cel van de patiënt als van de bacterie twee kenmerken op basis waarvan je concludeert welke cel van de patiënt is en welke de bacteriecel is.

afbeeldingafbeelding

Ziekten

3/7 Oorlog in de neus.
Zie figuur A 1011 van de bijlage.

In levende cellen spelen verschillende macromoleculen een rol, onder andere bij informatieopslag. In de afbeelding zie je kleine stukjes van drie verschillende soorten macromoleculen.

Welke van deze moleculen kunnen worden aangetroffen in het cytoplasma van bacteriën?

afbeeldingafbeelding

Ziekten

4/7 Oorlog in de neus.

In de tekst wordt aangegeven dat darmbacteriën een nuttige functie kunnen vervullen voor de gastheer. Zij spelen onder andere een rol bij de vorming van vitamine K. Bacteriële infecties worden bestreden met antibiotica. Bij overmatig gebruik van antibiotica worden echter naast de schadelijke bacteriën ook veel nuttige darmbacteriën gedood.

Welk van de volgende verschijnselen kan het gevolg zijn van zo'n verstoring van de darmflora?

Ziekten

5/7 Oorlog in de neus.

Een voorbeeld van een antibioticum is chlooramfenicol. Dit antibioticum verstoort de werking van ribosomen van bacteriën. Ribosomen van bacteriën verschillen van die van andere organismen, zodat chlooramfenicol de functie van ribosomen uit bijvoorbeeld neusslijmvliescellen niet verstoort.

- Welk proces wordt direct door chlooramfenicol geremd?
- Tot welke groep organismen behoren bacteriën?

afbeeldingafbeelding

Ziekten

6/7 Oorlog in de neus.

Bacteriën en andere ziekteverwekkers bevinden zich vaak op de grens van het externe milieu en ons interne milieu. Op de volgende drie plaatsen tref je zo'n grens aan: bij de ogen, bij de maagwand en bij de huid. Het lichaam heeft daar een aangeboren fysische en chemische barrière tegen deze organismen.

- Geef voor elk van deze drie plaatsen aan op welke manier het lichaam zich daar met behulp van een fysische barrière tegen deze bacteriën beschermt.
- Geef ook aan op welke manier het lichaam zich daar met behulp van een chemische barrière tegen deze bacteriën beschermt.