Oefentoets Biologie: Ecologie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 20

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

5/5 Insectenthermometer.

Door het sjirpen lokken mannetjes vrouwtjes. Krekelvrouwtjes herkennen de mannetjes van de eigen soort aan het patroon van het gezang. Uit onderzoek is gebleken dat niet alleen de productie van het sjirpgeluid, maar ook de waarneming van het sjirpgeluid in de hersenen, temperatuurafhankelijk is.
Daardoor herkennen de krekelvrouwtjes bij hogere temperaturen het snellere gesjirp toch als soorteigen.
Krekelvrouwtjes kunnen aan de toonhoogte horen hoe groot het mannetje is: grotere mannetjes maken lagere geluiden. Vrouwtjes kunnen zo voor grotere, wellicht gezondere mannetjes kiezen.
Over de gevolgen van dit waarnemen door de vrouwtjes worden de volgende uitspraken gedaan:

1. Het is voor het voortbestaan van de soort belangrijker dat een krekelvrouwtje het patroon van het gesjirp waarneemt, dan dat ze toonhoogte waarneemt.
2. Bij hogere temperaturen kiezen vrouwtjes vaker voor grotere mannetjes dan bij lage temperaturen.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Ecologie

tw1/3 Microscopisch ecosysteem in de Maarsseveense Plassen.
Zie de figuren A 988 en C 386 van de bijlage.

Er is een ingewikkelde wapenwedloop aan de gang in de Maarsseveense Plassen. Op microscopische schaal wel te verstaan. Kiezelalgen (zie afbeelding A van A 988) proberen te ontsnappen aan de vraatzucht van watervlooien door zo lang door te groeien dat zij niet meer te behappen zijn.
De algen worden geïnfecteerd door parasitaire schimmels (zie afbeelding B). Deze schimmels houden, door de grootschalige infectie, een onbegrensde toename van de algenpopulatie onder de duim.
De door de parasitaire schimmels gedode algen zinken naar de bodem van het meer. Pas als bacteriën de algen afbreken, komen de voedingsstoffen weer beschikbaar, zo was de overtuiging. Door onderzoek in 2004 ontdekte men dat watervlooien via een sluiproute toch van de voedingsstoffen van de algen kunnen profiteren. Zij eten op grote schaal de schimmelsporen van de schimmel die de alg infecteert. Zo komt er toch biomassa van de alg in de watervlo.
In de afbeelding C 386 zijn schematisch mogelijke kringlopen in het ecosysteem van de Maarsseveense Plassen weergegeven.

Welk schema geeft correct weer hoe de beschreven kringloop van stikstof in dit ecosysteem plaatsvindt?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Microscopisch ecosysteem in de Maarsseveense Plassen.
Zie figuur A 988 van de bijlage.

In afbeelding A wordt een kolonie van de kiezelalg Asterionella formosa weergegeven. De algencellen hebben in de tekening een lengte van ongeveer 3 cm en in werkelijkheid een lengte van ongeveer 70 µm (= 70 micrometer).

Leg met behulp van een berekening uit, dat afbeelding A een lichtmicroscopische opname kan zijn.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Microscopisch ecosysteem in de Maarsseveense Plassen.

In 1983 werd ook al onderzoek gedaan aan de Asterionella-alg. Men ontdekte dat de alg profiteert van een strenge winter. De schimmel maakt namelijk bij lage temperatuur rustsporen, die niet in staat zijn de alg te infecteren. Ook de watervlo is in de wintermaanden nauwelijks actief. In januari en februari zie je een groei van de algenpopulatie, gevolgd door een groei van de schimmelpopulatie waardoor de algenpopulatie weer afneemt.
In augustus zag men echter opnieuw een toename van de algen, die niet meer door de schimmel te bedwingen was. Men vond dat vreemd omdat de hogere temperatuur ideaal is voor de ontwikkeling van de schimmel.

Leg uit dat met gegevens uit het beschreven onderzoek van 2004 deze tweede toename is te verklaren.

Ecologie

w1/5 Klimaat beïnvloedt het verspreidingsgebied van een organisme.

Elke planten- en diersoort heeft een bepaald gebied waar de omstandigheden zo gunstig zijn dat de soort er kan leven. Dit wordt het verspreidingsgebied of areaal genoemd. Dit areaal kan soms beperkt zijn tot enkele tientallen km2 . Zo komt de zeldzame Grote vuurvlinder alleen in een klein deel van Overijssel voor.
De Zachte berk komt in grote gebieden van Europa voor. Terwijl het areaal van Klein kroos zelfs enorme delen van de wereld omvat. De grenzen van het verspreidingsgebied hangen onder andere af van klimaatfactoren en hoe de soort daaraan is aangepast. Verdraagt een organisme de koude goed, zoals het Korhoen, dan ligt zijn verspreidingsgebied vaak noordelijk of hoog in de bergen.
Nederland kan centraal in het areaal van een soort liggen, maar het komt ook voor dat Nederland net de noord- of zuidgrens van een natuurlijk verspreidingsgebied vormt. Wanneer de noordgrens van het verspreidingsgebied door of ten zuiden van Nederland loopt, spreken we van zuidelijke soorten, zoals de Kleine zilverreiger of de Zuidelijke oeverlibel. Als de zuidgrens van het verspreidingsgebied door Nederland loopt, spreken we van noordelijke soorten, zoals het IJslands mos of de Noordse winterjuffer.
In Nederland komt de Blauwe reiger algemeen voor. Door klimaatverandering komt ook de Kleine zilverreiger steeds vaker in Nederland voor.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 Klimaat beïnvloedt het verspreidingsgebied van een organisme.
Zie figuur B 4387 van de bijlage.

In de afbeelding staan twee curven getekend die de tolerantiegrenzen van de Blauwe reiger en de Kleine zilverreiger voorstellen ten aanzien van de temperatuur.

Welke curve, P of Q, hoort bij de Blauwe reiger?
- Zal de ligging van de tolerantiecurven op korte termijn voor beide vogels veranderen als het in Nederland steeds warmer wordt?
- Als de tolerantiecurven veranderen, geef dan aan of de curven naar links of naar rechts zullen verschuiven. Als ze niet veranderen, geef dan aan waardoor deze ligging niet verandert.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 Klimaat beïnvloedt het verspreidingsgebied van een organisme.
Zie figuur C 392 van de bijlage.

In ons land zien we vier mogelijke reacties van soorten op het warmer worden van het klimaat (zie in de afbeelding de nummers 1 tot en met 4).
Een soort kan allereerst gewoon in zijn areaal blijven (cirkel 1). Er zijn soorten die naar het Noorden of het Zuiden wegtrekken (de cirkels 2 en/of 3). Weer andere soorten kunnen zich door de hogere temperatuur niet in hun huidige gebied handhaven maar kunnen zich niet goed verplaatsen. Het gevolg is dat ze lokaal uitsterven (cirkel 4).

Welke soorten, de noordelijke of de zuidelijke, zullen ten gevolge van het warmer worden van het klimaat uit Nederland als eerste verdwijnen, en in welke richting gebeurt dat?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/5 Klimaat beïnvloedt het verspreidingsgebied van een organisme.
Zie figuur B 4388 van de bijlage.

Veel soorten organismen die nieuw in Nederland binnenkomen, komen er door toedoen van de mens. Deze soorten noemen we exoten, bijvoorbeeld de Japanse oester in Zeeland (zie de afbeelding).
De exoten die zich hier kunnen vestigen, breiden zich vaak razendsnel uit.
Hiervoor worden twee verklaringen gegeven:

1. Exoten die zich snel uitbreiden, hebben een smal tolerantiegebied.
2. Exoten in het ecosysteem die zich razendsnel uitbreiden, hebben weinig natuurlijke vijanden.

Welke van deze verklaringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/5 Klimaat beïnvloedt het verspreidingsgebied van een organisme.
Zie figuur B 4389 van de bijlage.

In Nederland komen tientallen soorten lieveheersbeestjes voor. Een daarvan is het Tweestippig lieveheersbeestje, dat voorkomt in twee variaties: rood met zwarte stippen (zie de afbeelding, links) of zwart met rode stippen (zie de afbeelding, rechts).
De kleurvarianten zijn erfelijk bepaald en komen naast elkaar voor. De getalsmatige verhouding is echter niet overal hetzelfde.
In 1980 en in 1995 zijn tellingen verricht. Hieruit bleek, dat aan de kust vooral rode exemplaren voorkomen, terwijl in het zuidoosten relatief meer zwarte lieveheersbeestjes aanwezig zijn. Entomologen vermoeden dat het voorkomen van de twee kleurvarianten te maken heeft met de omgevingstemperatuur.
De temperatuur van het lieveheersbeestje bepaalt hoe actief ze zijn. Hoe actiever ze zijn, hoe vaker zij paren en hoe talrijker ze worden. Bij een lage omgevingstemperatuur, bijvoorbeeld in het voorjaar of 's morgens vroeg, hebben de lieveheersbeestjes zonnestraling nodig om actief te kunnen worden.
Zonnestraling warmt zwarte dieren sneller op dan rode. In het laboratorium is gemeten dat de zwarte lieveheersbeestjes onder dezelfde omstandigheden een hele graad Celsius warmer werden dan de rode variant.

In het zuidoosten van Nederland worden meer zwarte dan rode lieveheersbeestjes gevonden. Leg uit hoe dit komt.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en evolutie

1/3 Poema op de Veluwe.

Enkele jaren geleden kwam in het nieuws dat er een poema op de Veluwe zou zijn gesignaleerd. Het zou gaan om een ontsnapt of een in het wild uitgezet dier. Na een zoekactie van enkele weken bleek het een groot formaat verwilderde huiskat te zijn.
De poema is een katachtige, die vrijwel in heel Amerika voorkomt. Het dier voelt zich zowel thuis in de bergen, op de prairie, in moerassige streken als in het bos.
Het leefgebied van de poema bestrijkt verschillende klimaatzones. De poema heeft een uitgebreid voedselpakket, variërend van insecten tot grote hoefdieren.
Volgens de eerste berichten over de poema op de Veluwe zou dit roofdier al een aantal jaren in ons land verblijven. Nederland is echter niet het natuurlijke leefgebied van de poema. Sinds 1890 zijn de wolf en de lynx hier officieel uitgestorven verklaard.
Sindsdien zijn er op de Veluwe geen grote predatoren meer die de omvang van de populatie grote herbivoren (herten, reeën en moeflons) op peil houden. Een poema zou misschien hun plaats kunnen innemen.

In onderstaande tabel worden enkele factoren vergeleken van het natuurlijke leefgebied van de poema met die van de Veluwe.
afbeeldingafbeelding
Over de overlevingskansen van de poema op de Veluwe worden de volgende beweringen gedaan:

Bewering 1: De gegevens van de abiotische factor op de Veluwe vallen binnen de tolerantiegrenzen van de poema.
Bewering 2: De gegevens van de biotische factor op de Veluwe geven aan dat de poema er niet kan leven.

Welk van deze beweringen is of welke zijn juist?

Ecologie en evolutie

2/3 Poema op de Veluwe.
Zie figuur C 391 van de bijlage.

De afbeelding geeft de evolutionaire stamboom van zowel een aantal uitgestorven als van nu nog levende katachtigen weer. Niet alle voorouders zijn aangegeven in deze stamboom.
Sommige mensen beweren dat de sabeltandtijger (Smilodon populator) een voorouder is van de huidige katachtigen.

Leg uit of deze bewering op grond van de gegevens in de afbeelding juist of onjuist is.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en evolutie

3/3 Poema op de Veluwe.
Zie figuur C 391 van de bijlage.

Welke nu nog levende katachtige is volgens deze stamboom het meest verwant aan de Poema?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Ecologie in de Oekraïne.
Zie figuur B 4376 van de bijlage.

In een leerboek uit de Oekraïne stond de volgende afbeelding.
De afbeelding stelt een schema van de voedselketen voor met als onderdelen:

- autotrofe planten
- carnivoren
- herbivoren
- hyperparasieten
- micro-organismen
- parasieten

Hieronder staan deze zes onderdelen genoemd.
autotrofe planten [invulveld]
carnivoren [invulveld]
herbivoren [invulveld]
hyperparasieten [invulveld]
micro-organismen [invulveld]
parasieten [invulveld]

Zet de cijfers 1 tot en met 6 uit het schema achter het juiste onderdeel.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Ecologie in de Oekraïne.

Welk onderdeel zou toegevoegd moeten worden om van deze voedselketen een kringloop te maken?

Ecologie

3/3 Ecologie in de Oekraïne.

De biomassa van de groep hyperparasieten is lager dan die van de groep parasieten.

Geef hiervoor een juiste verklaring.

Ecologie en gedrag

1/7 Aalscholvers.

Bij vertegenwoordigers van de familie van de aalscholvers (Phalacrocoracidae) komen diverse verschijningsvormen voor. De aalscholvers van het noordelijk halfrond zijn over het algemeen zwart. De aalscholvers van het zuidelijk halfrond hebben tijdens het broedseizoen lichte vlekken. In het totaal zijn er 29 soorten aalscholvers. De aalscholvers die in Nederland voorkomen, worden in drie groepen ingedeeld. Deze drie groepen worden met hun wetenschappelijke naam als volgt aangeduid:

- Phalacrocorax carbo var. carbo,
- Phalacrocorax carbo var. sinensis,
- Phalacrocorax aristotelis
.
De afkorting var. betekent variëteit.

Behoren deze drie groepen tot verschillende soorten?
Noem de soort of de soorten.

Ecologie en gedrag

2/7 Aalscholvers.
Zie figuur B 2277 van de bijlage.

Aalscholvers zijn viseters die bij het jagen op vis afhankelijk zijn van een flinke kijkdiepte in helder water. In het IJsselmeer, waar veel aalscholvers hun voedsel zoeken, is alleen de bovenste laag water van 1 - 1,5 meter helder. De aalscholvers uit de kolonies rond het IJsselmeer hebben hun vismethode daarbij aangepast.

Zie figuur B 2277 van de bijlage.

Zij vissen niet meer individueel, maar in groepsverband. De vismethode is weergegeven in de afbeelding.

Welke leerprocessen hebben een rol gespeeld bij het totstandkomen van de vismethode van de aalscholvers die in de afbeelding is weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

3/7 Aalscholvers.

Vroeger was het water van het IJsselmeer helder tot een diepte van 4 meter.

Noem twee mogelijke veranderingen in biotische factoren waardoor het water van het IJsselmeer nu niet meer zo helder is.

Ecologie en gedrag

4/7 Aalscholvers.

Door milieumaatregelen wordt de waterkwaliteit van de rivieren die op het IJsselmeer lozen, en van het IJsselmeer verbeterd. Hierdoor wordt het water van het IJsselmeer helderder. De aalscholvers zullen waarschijnlijk hun vistechniek opnieuw aanpassen als het IJsselmeerwater helderder wordt. De meningen over het effect van de milieumaatregelen op het aantal aalscholvers zijn echter verdeeld.

Geef een argument voor de opvatting dat het aantal aalscholvers zal toenemen en een argument voor de opvatting dat het aantal zal afnemen. Ontleen je argumenten aan de invloed van de milieumaatregelen op de voedselketen.

Ecologie en gedrag

5/7 Aalscholvers.
Zie figuur B 2278 van de bijlage.

De vissers van het IJsselmeer vangen minder paling (= aal) dan vroeger. Zij menen dat dit komt doordat de aalscholvers te veel aal wegvangen. Aalscholvers hebben hun naam immers te danken aan de veronderstelling dat zij vooral aal eten. In het voedselweb in de afbeelding zijn vogels, waaronder aalscholvers, weergegeven.
Er wordt gesteld dat de hoeveelheden vis, die in de afbeelding zijn weergegeven voor vogels, in dezelfde verhouding door aalscholvers worden gegeten.

Maak met behulp van een berekening van het percentage aal in het voedsel van de aalscholver duidelijk of de mening van de vissers terecht of onterecht is.

afbeeldingafbeelding