Oefentoets Biologie: Spijsvertering - Spijsvertering | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 22 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

22

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

Vetafbrekende enzymen.

Hoe heten, op grond van hun werking, de enzymen die de vertering van vetten bewerkstelligen?

Spijsvertering

Enzymafgifte.

Het eiwitverterende enzym pepsine wordt in een onwerkzaam voorstadium (pepsinogeen) door bepaalde maagwandcellen afgescheiden.
Pas onder invloed van het door andere cellen geproduceerde HCl wordt pepsinogeen omgezet in pepsine.

Welk voordeel heeft deze indirecte productie van pepsine boven de directe afscheiding van pepsine door maagwandcellen?

Spijsvertering

Enzymactiviteit.

Een bepaald eiwitverterend enzym dat door de alvleesklier wordt geproduceerd, komt in inactieve vorm in de twaalfvingerige darm. Een activator daar stimuleert de omzetting van het enzym in actieve vorm.

Welk voordeel heeft afgifte in inactieve vorm van dit enzym?

Spijsvertering

Inactieve enzymen.

Sommige spijsverteringsenzymen worden door de klieren, waarvan ze afkomstig zijn, afgegeven in een niet-actieve vorm. Als dit niet zou gebeuren, zouden de eiwitten waaruit de cellen van deze klieren voor een groot deel bestaan, door hun eigen enzymen kunnen worden verteerd.
Drie voorbeelden van spijsverteringsklieren zijn:

1. speekselklieren;
2. maagsapklieren;
3. de alvleesklier.

Door welke van deze klieren zullen bepaalde enzymen in verband hiermee in een niet-actieve vorm worden afgegeven?

Spijsvertering

Spijsverteringsenzymen.

Bij de mens vinden onder andere de volgende processen plaats:

1. het emulgeren van vetten in de dunne darm;
2. de omzetting van glucose in glycogeen in de levercellen;
3. de omzetting van de van aminozuren afgesplitste aminogroepen in ureum in de levercellen.

Welk van deze processen wordt of welke worden direct bevorderd door enzymen?

Spijsvertering

De werking van amylase.

Het enzym amylase zet zetmeel om in maltose.

Hieronder staan drie uitspraken over amylase in verband met de spijsvertering van de mens:

1. bij de omzetting van zetmeel door amylase neemt water deel aan de reactie,
2. het voedsel dat via de maagportier in de twaalfvingerige darm komt, heeft de optimale zuurgraad voor de werking van amylase,
3. vanuit de dunne darm worden amylasemoleculen geresorbeerd.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Spijsvertering

Zetmeelvertering door schimmel.

Men wil vaststellen of de vertering van zetmeel door een bepaalde schimmel intra- of extracellulair plaats vindt. Daartoe maakt men gebruik van een gesteriliseerde voedingsbodem met zetmeel, waarop men de schimmel laat groeien.

De juistheid van de hypothese dat bij deze schimmel de vertering extracellulair plaats vindt, zou worden bewezen indien na enige tijd wordt aangetoond dat

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

Tijdens de vertering worden bij zetmeel bindingen verbroken tussen

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

In een bepaalde zetmeeloplossing worden alle zetmeelmoleculen in 10 minuten door 1 mL speeksel afgebroken.
Om na te gaan hoe lang dit bij een andere zuurgraad duurt, worden onder andere de volgende handelingen met deze zetmeeloplossing verricht.

1. toevoegen van 1 mL speeksel,
2. noteren van het tijdstip van speekseltoevoeging,
3. toevoegen van 1 mL zuur,
4. noteren van het tijdstip van zuurtoevoeging.

Welke handelingen zijn noodzakelijk en in welke volgorde?

Spijsvertering

Vertering van zetmeel en cellulose.

Zetmeel en cellulose zijn beide opgebouwd uit glucosemoleculen. Zetmeel wordt door amylase van de mens verteerd, cellulose niet.

Wat is er de oorzaak van dat cellulose niet door amylase wordt verteerd?

Spijsvertering

Amylase.

Een reageerbuis bevat een oplossing van 10 mg zetmeel in water. De buis met de oplossing wordt op 37°C gebracht. Aan de buis wordt een amylase-oplossing toegevoegd die in deze situatie per minuut maximaal 1 mg zetmeel omzet in maltose. Na vijf minuten wordt de inhoud van de buis onderzocht op de aanwezigheid van eiwit, maltose en zetmeel.

Welke van deze stoffen kan of welke kunnen in de reageerbuis worden aangetroffen?

Spijsvertering

Dialyse.
Zie figuur B 5811 van de bijlage.

In twee proefopstellingen volgens nevenstaande figuur is bij de aanvang van het experiment in het water buiten de dialyseslang geen zetmeel en geen glucose of maltose aanwezig.

Na verloop van tijd kan men

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Een proef met pancreassap.
Zie figuur B 5813 van de bijlage.

De bekerglazen hiernaast bevatten alle drie gelijke hoeveelheden melk met 3,5% vet, gelijke hoeveelheden pancreassap en gelijke hoeveelheden gal, respectievelijk water.
Ze worden op 37°C gehouden.

Na enige tijd blijkt uit een test dat:

1. bekerglas 1 veel vrije vetzuren bevat;
2. bekerglas 2 weinig vrije vetzuren bevat;
3. bekerglas 3 geen vrije vetzuren bevat.

Welke van de volgende conclusies kan niet uit deze waarnemingen getrokken worden?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Zweedse flyers.
Zie figuur B 5815 van de bijlage.

In de Zweedse flyer van een supermarkt hiernaast staan belangrijke voordelen van de ananas vermeld.
Onder andere staat er: Enzymer som underlättar matsmältingen (Enzymen die de spijsvertering bevorderen).

Leg uit dat die enzymen hun werk niet kunnen doen nadat je ananas gegeten hebt.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Zweedse flyers.
Zie figuur B 5816 van de bijlage.

In de Zweedse flyer van een supermarkt hiernaast staan belangrijke voordelen van de kiwi vermeld. Onder andere staat er: Enzymer som underlättar matsmältingen (Enzymen die de spijsvertering bevorderen).

Leg uit dat die enzymen hun werk niet kunnen doen nadat je kiwi gegeten hebt.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Zetmeelafbraak.
Zie figuur B 5840 van de bijlage.

Zetmeel kleurt sterk met een jodiumoplossing. Bij een proef voegde men verdund speekselamylase bij een zetmeeloplossing. Aan het begin en vervolgens iedere 15 seconden werd een druppel uit het mengsel genomen en in een porseleinen schaaltje gebracht, waarna meteen een druppel jodiumoplossing werd toegevoegd. De proef werd net zolang voortgezet tot er geen verandering meer was in de kleur van de oplossing in het schaaltje (zie afbeelding B 5840 ).

Verklaar de resultaten in de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/2 Enkele organen.
Zie figuur B 5846 van de bijlage.

Welke van de volgende enzymen worden afgegeven door orgaan 4 in de figuur hiernaast?

1. nuclease;
2. lipase;
3. pepsine;
4. trypsinogeen;
5. lactase;
6. chymotrypsinogeen.

afbeeldingafbeelding