Oefentoets Biologie: Uitscheiding - nier_werking | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Uitscheiding

Uitscheiding.

Bloed bevat onder meer glucose, zouten, ureum en eiwitten.
Bij een bepaalde persoon met normaal werkende nieren bevinden zich in de urine geen eiwitten en geen glucose.

Wat is hiervan de oorzaak?

choiceInteraction

Vorming van voorurine.

In de nieren van de mens wordt in de nierschors de voorurine gevormd.

Welke van de onderstaande mogelijkheden geeft correct aan of er stoffen en zo ja welke stoffen vanuit het bloed naar de nierkapseltjes gaan en welke vanuit de nierkapseltjes naar het bloed gaan?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Vorming van voorurine.

Waar in een nier wordt voorurine gevormd?
Wordt daar voor de vorming van voorurine zuurstof verbruikt?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Vorming van voorurine.

Waar in een nier wordt urine gevormd uit voorurine?
Wordt hierbij zuurstof verbruikt?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Voorurine.

Hieronder worden enige stoffen genoemd die in het lichaam van de mens voorkomen:

1. ureum,
2. glucose,
3. keukenzout.

Welke van deze stoffen komt (komen) gewoonlijk voor in de voorurine?

Uitscheiding

Glucose in de nieren.

Het glucosegehalte van het bloed dat de nieren verlaat, is kleiner dan het glucosegehalte van het bloed dat de nieren binnenkomt.

Dit wordt vooral veroorzaakt, doordat glucose in de nier wordt

Uitscheiding

Eiwitgehalte.
Zie figuur B 361 van de bijlage.

De tekening stelt een niereenheid voor.

Op welke van de aangegeven plaatsen is het eiwitgehalte het hoogst?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Stoffen in de nieren.

De gemiddelde concentraties van de stoffen P en Q in het bloedplasma, in de vloeistof in het eerste stukje van een nierkanaaltje en in de vloeistof in het nierbekken zijn bij een gezonde proefpersoon:
afbeeldingafbeelding

Welke van de stoffen glucose en ureum zou P kunnen zijn?
Welke van de stoffen eiwitten, glucose en ureum zou Q kunnen zijn?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Samenstelling van bloed.
Zie figuur B 507 van de bijlage.

De tekening stelt een niereenheid van de mens voor. Terwijl het bloed door haarvatennet H stroomt, verandert het bloed van samenstelling. Over deze verandering van samenstelling van het bloed worden de volgende uitspraken gedaan:

1. de concentratie van opgeloste eiwitten wordt groter,
2. de concentratie van opgeloste eiwitten wordt kleiner,
3. het aantal rode bloedcellen per volume-eenheid neemt toe,
4. het aantal rode bloedcellen per volume-eenheid neemt af.

Welke uitspraken zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Voorurine.

Bij de mens verschilt de samenstelling van de voorurine in nierkapsels van de samenstelling van het bloed.
Bloed bestaat uit bloedcellen en bloedplasma, waarin onder andere glucosemoleculen en grote eiwitmoleculen voorkomen.

Komen in de voorurine in nierkapsels bloedcellen voor?
En glucosemoleculen?
En grote eiwitmoleculen?

Uitscheiding

Voorurine en nierkanaaltjes.

In de nieren van een gezond mens onttrekken de nierkanaaltjes aan de voorurine

Uitscheiding

1/2 Werking van de nieren.

Een analiste heeft een aantal metingen verricht aan verschillende vloeistoffen van een proefpersoon. De vloeistoffen die ze gebruikte, waren bloedplasma, voorurine en urine. In de tabel hieronder zijn de resultaten weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Uit de tabel blijkt dat zich in de voorurine geen eiwitten bevinden, maar wel glucose.

Welke van de volgende verklaringen hiervoor is juist?

Uitscheiding

2/2 Werking van de nieren.
Zie figuur B 2300 van de bijlage.

Uit de tabel hieronder blijkt dat de concentratie ureum in het bloedplasma en in de voorurine gelijk is, maar in de urine veel hoger. Dit komt doordat ureum niet of nauwelijks vanuit de voorurine in het bloed wordt geresorbeerd.
Ureum wordt ook niet actief uitgescheiden.
Door de concentraties calciumionen te vergelijken met die van ureum, kan een uitspraak worden gedaan over de terugresorptie van calciumionen.

afbeeldingafbeelding

Vindt in de nierkanaaltjes terugresorptie van calciumionen plaats? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Nefron.
Zie figuur B 5741 van de bijlage.

In nevenstaande tekening is een nefron afgebeeld.
Bij de functie van de nier kunnen we twee processen onderscheiden. Zij spelen zich in de nefronen af op de plaatsen 1 en 2.

Welk alternatief is juist?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Hersencentra.
Zie figuur B 4688 van de bijlage.

Een Groningse arts deed onderzoek naar incontinentie. Hij ontdekte dat er in de hersenen drie centra bij het plassen zijn betrokken. Als bij een gezond persoon de blaas vol is, gaan er via het ruggenmerg impulsen naar de hersenen. In het Emotioneel Motorisch Centrum (EMC) wordt bepaald of het veilig is om te plassen. Is dat het geval, dan gaan er impulsen naar het Plascentrum (PC). Via het ruggenmerg wordt nu het plassen in gang gezet: de sluitspier van de blaas wordt ontspannen en de blaaswandspier aangespannen. Is de situatie onveilig, dan gaan er impulsen naar het Continentiecentrum (CC): de plas moet worden opgehouden. Als dat laatste centrum niet goed werkt, kan de plas niet worden opgehouden: er is sprake van incontinentie.
In de afbeelding is een model geschetst van de drie centra, EMC, PC en CC, de sluitspier, de blaaswandspier en de zintuigen in de blaas.
De genummerde pijlen geven effecten aan: een + betekent een stimulerend effect, een - een remmend effect.

Iemand plast op een ‘veilige' plek.

Geef in de goede volgorde aan:

- de nummers van de banen die dan impulsen doorgegeven van de zintuigen naar de sluitspier, en
- de nummers van de banen die impulsen doorgegeven van de zintuigen naar de blaaswandspier.

afbeeldingafbeelding