Dissimilatie
2/3 Stofwisseling.
Welke twee processen kunnen plaatsvinden in een skeletspier van een mens?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
2/3 Stofwisseling.
Welke twee processen kunnen plaatsvinden in een skeletspier van een mens?
3/3 Stofwisseling.
Welk van de processen 1, 2 en 3 vindt vooral plaats bij het rijzen van brooddeeg waaraan gist is toegevoegd?
1/3 Bacteriën in melk.
Melk bevat lactose, ook wel melksuiker genoemd. Als melk verzuurt, komt dit doordat bacteriën een deel van de lactose omzetten in melkzuur. Een tussenproduct bij deze omzetting is glucose.
In een fles melk wordt een bepaalde hoeveelheid lactose omgezet in melkzuur.
Bevat de totale hoeveelheid melkzuur uit de fles meer of minder energie dan de totale hoeveelheid lactose waaruit het is gevormd? Geef een verklaring voor je antwoord, waarbij je de naam geeft van het proces waarbij verzuring plaatsvindt.
2/3 Bacteriën in melk.
In een fles melk verdubbelt bij kamertemperatuur het aantal bacteriën zich aanvankelijk elk uur. Na verloop van tijd neemt de snelheid waarmee de bacteriën zich delen af en blijft het aantal bacteriën uiteindelijk gelijk.
De grootte van deze populatie bacteriën vanaf het moment dat de fles bij kamertemperatuur is gezet tot en met de periode waarin het aantal bacteriën gelijk blijft kan worden uitgezet in een grafiek.
Schets zo'n grafiek in een assenstelsel, waarbij je de assen van bijschriften voorziet.
3/3 Bacteriën in melk.
Uiteindelijk stopt de vorming van melkzuur door de bacteriën. De melk wordt dan niet meer zuurder. Er is dan nog lactose in de melk aanwezig.
Noem een oorzaak waardoor de vorming van melkzuur door de bacteriën op den duur stopt.
1/2 Rijzen van deeg.
Zie figuur B 1117 van de bijlage.
Een bakker maakt deeg van meel, gist, suiker, keukenzout en water. Vervolgens laat hij een deel van het deeg rijzen bij 25°C en een even groot deel bij 35°C. Alle andere omstandigheden zijn gelijk.
Gedurende een uur meet hij elke 10 minuten hoe groot het volume van het deeg is. De resultaten zet hij uit in het afgebeelde diagram.
Welke van de stoffen alcohol, koolstofdioxide en water heeft of hebben er in belangrijke mate voor gezorgd dat het volume van het deeg is toegenomen?
afbeelding
2/2 Rijzen van deeg.
De bakker vraagt zich af of 35°C het optimum is voor het rijzen van dit deeg.
Zijn drie collega's zeggen daarover het volgende:
Collega 1 zegt: "Ja, 35°C is het optimum, want de grafiek gaat horizontaal lopen."
Collega 2 zegt: "Het optimum ligt bij 35°C of hoger; om het optimum precies te bepalen moet je deeg met gist laten rijzen bij 35°C en bij verschillende hogere temperaturen."
Collega 3 zegt: "Over het optimum is op grond van deze resultaten geen voorspelling te doen; om het optimum te bepalen, moet je deeg met gist laten rijzen bij verschillende temperaturen boven en onder de 35°C."
Welke collega doet een juiste uitspraak?
1/3 Gistcellen.
Zie figuur B 1370 van de bijlage.
Bij een onderzoek naar de stofwisseling van gistcellen doet men de volgende proef. In twee gelijke afsluitbare vaten met even grote hoeveelheden glucose-oplossing van dezelfde concentratie brengt men gelijke hoeveelheden even actieve gistcellen. Beide oplossingen hebben dezelfde temperatuur. Boven de oplossing in opstelling 1 bevindt zich lucht, boven de oplossing in opstelling 2 bevindt zich zuivere stikstof. Beide vaten zijn afgesloten en worden voortdurend geschud, zodat de oplossing in goed contact is met de lucht of stikstof erboven.
Gedurende 5 uur meet men in beide opstellingen de CO2
-concentratie boven de vloeistof.
Gedurende de eerste 3 uur maken de gistcellen in beide opstellingen evenveel energie vrij. De diagrammen in de afbeelding geven het resultaat van deze proef weer. De schaalverdeling van beide diagrammen is hetzelfde. Gistcellen vormen geen melkzuur.
In welke van de beschreven opstellingen hebben de gistcellen gedurende de eerste 3 uur de meeste glucose verbruikt of is dit niet uit de gegevens af te leiden?
afbeelding
2/3 Gistcellen.
Over de dissimilatie in opstelling 1 en in opstelling 2 worden twee beweringen gedaan.
1. In de gistcellen in opstelling 1 heeft dissimilatie met zuurstof plaatsgevonden.
2. In de gistcellen in opstelling 2 heeft dissimilatie zonder zuurstof plaatsgevonden.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist op grond van de resultaten van deze proef?
3/3 Gistcellen.
De onderzoeker vraagt zich af waardoor in opstelling 2 na het vierde uur geen CO2
meer wordt gevormd. Hij stelt de volgende hypothesen op:
1. De glucose in het vat in oplossing 2 is opgeraakt.
2. De gistcellen in het vat in oplossing 2 zijn gedood door teveel alcohol.
Welke van deze hypothesen kan of kunnen dit resultaat van de proef verklaren?
1/2 Jam.
Iemand heeft zelf aardbeienjam gemaakt. Na een paar maanden opent hij een pot jam. Bij het openen van de pot komt er wat gas vrij. De jam ruikt naar alcohol.
Welke omzetting heeft er in deze pot jam plaatsgevonden?
2/2 Jam.
Deze ongewenste omzetting in de jam was te voorkomen geweest. Enkele mogelijkheden worden geopperd:
1. de aardbeien hadden beter moeten worden verhit;
2. de aardbeien hadden vóór de bewerking moeten worden gewassen;
3. er had meer suiker toegevoegd moeten worden.
Welke van deze mogelijkheden had of hadden deze ongewenste omzetting in de jam eventueel kunnen voorkomen?
1/2 Melkproducten.
Micro-organismen worden gebruikt bij het produceren van voedingsmiddelen. Zo wordt yoghurt gemaakt uit melk door inwerking van onder andere melkzuurbacteriën. Een bijkomend effect van deze bewerking van melk is dat het product langer houdbaar wordt.
Leg uit waardoor yoghurt langer houdbaar is dan melk.
2/2 Melkproducten.
In de tabel hieronder staan gegevens over de energie-inhoud en samenstelling van volle melk en volle yoghurt per 100 gram.
Yoghurt bevat minder energie dan de melk waaruit hij is bereid.
afbeelding
Leg uit waardoor dit, gezien de bereidingswijze en de gegevens in de tabel, ook is te verwachten.
1/2 Yoghurt.
Yoghurt wordt bereid door twee soorten bacteriën aan melk toe te voegen. Eén van deze bacteriesoorten is een melkzuurbacterie. Nadat het geheel gedurende een bepaalde tijd bij een bepaalde temperatuur in een zoveel mogelijk van de lucht afgesloten omgeving heeft gestaan, is het yoghurt geworden.
Iemand veronderstelt dat het maken van yoghurt een manier is om een melkproduct langer houdbaar te maken.
Om deze hypothese te toetsen, wordt een experiment gedaan.
Een fles melk en een fles yoghurt worden beide geopend in de koelkast bewaard. Vanuit de lucht kunnen bacteriën en schimmels in beide flessen komen. Na een week wordt de smaak van de inhoud van beide flessen getest. De melk is zuur geworden. De yoghurt is nauwelijks van smaak veranderd en niet bedorven.
Waardoor kunnen de meeste micro-organismen die in de lucht voorkomen wel groeien in verse melk en niet in yoghurt?
2/2 Yoghurt.
Neemt de hoeveelheid energierijke stoffen in de melk in de loop van het experiment af, blijft deze gelijk of neemt deze toe? Geef een verklaring voor je antwoord.
Ademhaling in de bodem.
Zie figuur B 4880 van de bijlage.
Nevenstaande opstelling wordt gebruikt om de ademhaling in een bodem aan te tonen.
De wijziging die moet worden aangebracht in deze proefopstelling om een controleproef te verkrijgen is
afbeelding
Geschiedenis van de biologie.
In de achttiende eeuw werd verbranding vaak verklaard met de "flogistontheorie". Volgens deze theorie wordt bij verbranding vanuit de brandstof een bestanddeel, flogiston, afgegeven aan de lucht. Als de lucht verzadigd is met flogiston, stopt de verbranding.
In 1772 beschreef Joseph Priestley het volgende experiment:
"Laat een kaars branden in een glazen pot, totdat de kaars dooft. Laat nu in deze pot een groene plant enkele dagen in het licht staan. Hierna is in de pot opnieuw verbranding mogelijk."
Leg uit hoe Priestley de flogistontheorie gebruikte om te verklaren dat in dit experiment na enkele dagen weer verbranding mogelijk was.
Leg daarna uit hoe men tegenwoordig het doven van de kaars en het daarna weer gaan branden, zou verklaren.
Stofzaad.
Geef de naam van de stof die de schimmel uit de boomwortels opneemt en doorgeeft.
Leg uit waardoor een stofzaadplant deze stof niet zelf kan maken.