Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 1

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Aardappels.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Uit twee aardappels P en Q van hetzelfde ras en van gelijk gewicht groeien aardappelplanten. Na enige tijd hebben de aardappels zich ontwikkeld zoals is getekend in de afbeelding. Op één factor na waren de factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van beide aardappelplanten, gelijk.
Factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van planten, zijn onder andere licht, samenstelling van de lucht, temperatuur en water.

Welke van deze factoren veroorzaakt het verschil tussen de ontwikkeling van de planten P en Q (zie de afbeelding in figuur A 3)?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Aardappels.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Uit twee aardappels P en Q van hetzelfde ras en van gelijk gewicht groeien aardappelplanten. Na enige tijd hebben de aardappels zich ontwikkeld zoals is getekend in de afbeelding. Op één factor na waren de factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van beide aardappelplanten, gelijk.
Factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van planten, zijn onder andere licht, samenstelling van de lucht, temperatuur en water.

Vier processen zijn:
celstrekking, differentiatie, plasmagroei en specialisatie.

Welk van deze processen heeft vooral de grote lengtegroei van de stengel van aardappelplant P uit de afbeelding veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Celstrekking.

Een cel in een worteltop groeit door celstrekking. De cel wordt ongeveer 10 maal zo lang. De dikte van de celwand blijft vrijwel gelijk.

Welke van de stoffen koolhydraten, water en zouten neemt deze cel tijdens de strekking op?

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantjes en belichting.
Zie figuur B 1437 van de bijlage.

Vele factoren zijn van invloed op de groei van kiemplantjes. Eén van deze factoren is licht.
Over de groei van kiemplantjes van haver en de invloed van licht daarop worden vier veronderstellingen gedaan:

1. Groei van kiemplantjes van haver vindt alleen in de top plaats.
2. Alleen het topje van een kiemplantje van haver is gevoelig voor de richting van de lichtinval.
3. Het hele kiemplantje van haver is gevoelig voor de richting van de lichtinval.
4. Kiemplantjes van haver groeien alleen in het licht.

Er worden drie experimenten uitgevoerd. De resultaten zijn als volgt:


Als een kiemplantje van opzij wordt belicht, buigt het naar het licht toe (zie tekening 1 in de afbeelding B 1437). Als de top van het kiemplantje met een kapje wordt afgedekt, groeit het ondanks de belichting recht omhoog (zie tekening 2 in de afbeelding B 1437). Als een koker om het kiemplantje wordt geschoven waardoor alleen de top wordt belicht, buigt het topje naar het licht toe (zie tekening 3 in de afbeelding B 1437).

Welke van de genoemde veronderstellingen is zeker juist op grond van de resultaten van deze experimenten?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Brandnetels.

Bij brandnetels komen mutanten met weinig bladgroen voor. Met deze mutanten en gewone brandnetels worden de volgende experimenten gedaan: experiment 1: vier gewone brandnetels worden samen opgekweekt, experiment 2: twee gewone brandnetels en twee mutanten worden samen opgekweekt, experiment 3: vier mutanten worden samen opgekweekt.

De drie experimenten worden onder gelijke omstandigheden uitgevoerd. Na zes weken wordt het versgewicht van de planten bepaald. De resultaten staan in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Uit de vergelijking van welke resultaten blijkt dat gewone brandnetels de groei van de mutanten nadelig beïnvloeden?

Dit blijkt uit vergelijking van de resultaten van




-

Plantenanatomie en -fysiologie

Groeistof en groeisnelheid van stengel en wortel.
Zie figuur B 602 van de bijlage.

In het diagram is het verband weergegeven tussen de groeistofconcentratie en de groeisnelheid van stengel en wortel van een kiemplant. Onder natuurlijke omstandigheden is P de concentratie groeistof in de wortel en Q die in de stengel.
Over deze plant worden de volgende beweringen gedaan:

1. wortel en stengel hebben onder natuurlijke omstandigheden een verschillende groeisnelheid,
2. onder natuurlijke omstandigheden ligt de concentratie aan groeistof in de wortel boven, en in de stengel onder het optimum voor de groeisnelheid,
3. bij concentratie R groeien wortel en stengel even snel.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

Weefselkweek bij planten.

Uit klompjes weinig gespecialiseerde plantencellen kunnen nieuwe individuen ontstaan. Men kan hiervan gebruik maken en planten ongeslachtelijk vermenigvuldigen door middel van weefselkweek. Stukjes van de plant worden daartoe steriel gekweekt op een kunstmatige voedingsbodem.

Kan voor de ongeslachtelijke vermenigvuldiging door weefselkweek het best gebruik worden gemaakt van bastvaten, houtvaten, kurk of vulweefsel?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Aardappels.

Een leerling leest de volgende tekst in een boek over plantenfysiologie:
"Dat het licht een zeer sterke invloed heeft op de vorm van een plant, blijkt duidelijk uit het simpele voorbeeld van het uitlopen van aardappels. Zolang de stengel zich onder de grond bevindt, strekt deze zich zeer snel tot het aardoppervlak bereikt is. Daarna strekken de cellen zich veel minder en de stengels worden, vooral als het nog koud is, zeer gedrongen".

Aardappels lopen ook uit als ze gedurende de winter droog worden bewaard. Twee beweringen over dit uitlopen zijn:

1. tijdens het uitlopen neemt het versgewicht van de aardappel af,
2. tijdens het uitlopen neemt het drooggewicht van de aardappel af.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Aardappels.

De leerling vraagt zich af welke factoren invloed hebben op de mate van strekking van de bovengrondse delen van de uitlopende aardappel. Hij denkt aan:

1. de omgevingstemperatuur;
2. de verlichtingssterkte.

Welke van deze factoren heeft of welke hebben inderdaad invloed op de strekking van de bovengrondse delen?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/5 Bonenplanten.
Zie figuur B 2582 van de bijlage.

\Bonen bevatten grote hoeveelheden verschillende voedingsstoffen en zijn zeer geschikt voor consumptie door de mens.
Daarom worden bonenplanten veel geteeld en wordt er ook onderzoek gedaan naar de omstandigheden waaronder de planten het beste groeien. De peulen bevatten meerdere bonen.

Een tuinder zaait bonen en dekt ze af met een laagje grond. Na enige tijd ontkiemen de bonen (zie de afbeelding).
Enkele abiotische factoren zijn:

- watergehalte van de bodem;
- CO2 -gehalte van de lucht;
- voedingszouten in de bodem;
- bodemtemperatuur.

Welke twee van deze abiotische factoren hebben de grootste invloed op de groei tijdens de eerste twee dagen van de ontkieming?\






-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/5 Bonenplanten.
Zie figuur B 2583 van de bijlage.

Om na te gaan welke factoren invloed hebben op de toename van het drooggewicht bij planten, voert Hans een experiment met bonenplanten uit. Hij gebruikt planten van hetzelfde ras die zijn opgekweekt onder dezelfde omstandigheden.
Uit de eerste bladparen van deze planten worden 150 rondjes van gelijke grootte geponst uit het bladweefsel tussen de nerven.

- Van 50 rondjes wordt meteen het drooggewicht van elk rondje bepaald (groep 1).
- Vijftig andere rondjes (groep 2) worden met de onderzijde naar boven op een laagje water in petrischalen gelegd (zie de afbeelding). Deze petrischalen worden gedurende 24 uur belicht in een klimaatkamer met normale lucht.
- De resterende 50 rondjes (groep 3) worden op dezelfde manier behandeld, maar in een klimaatkamer met lucht zonder CO2 .

Na de 24 uur belichting wordt van de groepen 2 en 3 het drooggewicht van elk rondje bepaald.
De resultaten van dit experiment zijn weergegeven in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Met dit experiment wordt aangetoond dat een of meer factoren invloed hebben op de toename van het drooggewicht van bonenplanten.

Welke factor is of welke factoren zijn dat?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/5 Bonenplanten.

Noem een reden waarom het werken met op deze wijze uitgeponste rondjes betrouwbaarder is dan het werken met hele bladeren.

Plantenanatomie en -fysiologie

4/5 Bonenplanten.

Jan vindt het experiment van Hans eigenlijk te uitgebreid: de bepaling van het drooggewicht van groep 1 is volgens Jan overbodig. Hans zegt dat Jan ongelijk heeft en dat er een controlebepaling nodig is.

Waarom is een controlebepaling nodig?

Plantenanatomie en -fysiologie

5/5 Bonenplanten.
Zie figuur A 498 van de bijlage.

In een veredelingsbedrijf wil men vaak zuivere lijnen verkrijgen voor zaaigoed. Een zuivere lijn is ontstaan wanneer bij planten die zich steeds opnieuw voortplanten door middel van zelfbestuiving, het genotype niet meer verandert.
De lengte van de peulen van bonenplanten die niet tot een zuivere lijn behoren en onder gestandaardiseerde omstandigheden zijn gekweekt, is weergegeven in de afbeelding.
Na zelfbestuiving onder dezelfde gestandaardiseerde omstandigheden is uiteindelijk een zuivere lijn uit bonen van deze planten verkregen.
Op de bijlage is afbeelding A 498 ook opgenomen. Teken daarin een grafiek die de mogelijke verdeling van de lengte van de peulen van bonenplanten van deze zuivere lijn weergeeft.
Gebruik hetzelfde aantal als is weergegeven in afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Groei van erwtenplanten.
Zie figuur A 298 van de bijlage.

In een experiment wordt een groot aantal erwtenplanten gekweekt op volledige voedingsoplossingen. De erwtenplanten zijn genetisch identiek en groeien onder dezelfde omstandigheden.

De onderzoeker bepaalt regelmatig vanaf de ontkieming het drooggewicht van de verschillende delen van de planten. Daartoe gebruikt hij telkens tien planten die volledig worden geanalyseerd. De resultaten zijn te zien in het diagram.

Het drooggewicht van een plantendeel is het gewicht van dat plantendeel nadat al het water eruit is verwijderd. Het versgewicht van een plantendeel is het gewicht van dat plant inclusief het water.
In het experiment wordt gebruik gemaakt van een voedingsoplossing. Deze voedingsoplossing bestaat uit water en een aantal opgeloste stoffen.

Welke van de stoffen aminozuren, glucose en zouten moet deze voedingsoplossing in ieder geval bevatten om een normale groei van de erwtenplanten in het licht mogelijk te maken?



-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Groei van erwtenplanten.
Zie figuur A 298 van de bijlage.

Naar aanleiding van het diagram worden de volgende beweringen gedaan:

1. Vanaf het begin van week 5 houdt de groei van stengels, bladeren en wortels op.
2. In week 7 is het drooggewicht van de planten groter dan in week 12.
3. In week 9 worden organische stoffen uit de bladeren en eventueel de stengels naar de peulen vervoerd.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Groei van erwtenplanten.

Drie leerlingen noemen een reden waarom de onderzoeker het drooggewicht als maat voor de groei gebruikt en niet het versgewicht.

Leerling 1: Van planten die op voedingsoplossingen worden gekweekt, stijgt het watergehalte sterk, zodat het versgewicht een hogere waarde aangeeft dan bij planten die in grond wortelen.
Leerling 2: Het drooggewicht geeft een betere aanwijzing voor de hoeveelheid organische stof in de plant dan het versgewicht.
Leerling 3: Het drooggewicht is alleen afhankelijk van de fotosynthese en geeft een betere aanwijzing voor de mate van groei.

Welke van deze leerlingen noemt een juiste reden?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Haverkiemplantjes.
Zie de figuren B 1530 en B 1531 van de bijlage

Bij onderzoekingen aan haverkiemplantjes wordt het topje van plantje 1 verwijderd (zie tekening 1 van de afbeelding). Dit stengeltopje wordt vervolgens op een agarblokje geplaatst (zie tekening 2 van de afbeelding). Een bepaalde stof of bepaalde stoffen die de celstrekking bevorderen, komen vanuit het stengeltopje in dit agarblokje terecht.

Na enige uren wordt het agarblokje op de rand van het snijvlak van het stengeltje geplaatst.
De stof of stoffen die de celstrekking bevorderen, diffunderen uit het agarblokje het stengeltopje in.

Zi.

Welke van de volgende tekeningen van figuur B 1531 geeft het beste het gevolg hiervan voor het stengeltje weer?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Haverkiemplantjes.
Zie figuur B 1532 van de bijlage.

In een tweede experiment wordt een ander plantje uitsluitend van de rechterkant belicht. Na enige tijd ziet dit plantje er uit zoals getekend in de afbeelding B 1532.
Drie leerlingen trekken uit dit resultaat een conclusie:

Leerling 1: licht bevordert de celdeling.
Leerling 2: licht bevordert de celstrekking.
Leerling 3: licht remt de celstrekking.

Welke leerling heeft een juiste conclusie getrokken?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Onderzoek in een kas.

Een tuinder heeft een aantal grote productiekassen met tomatenplanten. Ondanks flinke investeringen in betere verlichting en verwarming is zijn oogst toch niet toegenomen. Alle planten in de kassen zijn gezond; de water- en kunstmestvoorziening is optimaal.

Noem nog een andere factor die beperkend kan werken voor de tomatenoogst en waaraan de tuinder niets heeft gedaan.