Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VWO 3, VWO 4, VWO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Gedrag
3/5 Zeehonden.
De tabel hieronder geeft cijfers over het verdrinken en verdwijnen van zeehonden met een zender. afbeelding
Neem aan dat de situatie in het Waddengebied voor wat betreft het verdwijnen van zeehonden overeenkwam met het totaal van de gegevens buiten het Waddengebied, zoals dat in de tabel is opgenomen.
Is dan het te verwachten aantal zeehonden dat in het Waddengebied in de vijfjarige periode 1990-1994 is verdwenen, kleiner dan, gelijk aan of groter dan 30?
Gedrag
4/5 Zeehonden. Zie figuur C 291 van de bijlage.
Tekening 1 in de afbeelding is afkomstig uit een artikel in Bionieuws. Tekening 2 geeft een volwassen Gewone zeehond (Phoca vitulina) weer. De zeehonden zijn in beide tekeningen op dezelfde schaal weergegeven. Een leerlinge bestudeert tekening 1 en vergelijkt deze met tekening 2 van de afbeelding. Zij weet dat het zendergewicht van 200 gram geen probleem voor de zeehond oplevert. Op grond van haar vergelijking verbaast ze zich over de weergave van de gezenderde zeehonden. Zij is van mening dat Bionieuws impliciet kiest voor de opvatting van het zeehondencentrum in Pieterburen.
Leg aan de hand van de afbeelding uit waarop de mening van deze leerlinge is gebaseerd.
afbeelding
Gedrag
5/5 Zeehonden. Zie figuur A 683 van de bijlage.
De Rijksoverheid heeft in het Plan Kern Beslissing Waddenzee 1993 aangegeven te streven naar een zo natuurlijk mogelijke Waddenzee. Per soort zou de populatieomvang niet meer dan tweemaal zo groot of tweemaal zo klein mogen zijn als die in 1930. In de afbeelding is een zogenoemde AMOEBE getekend die informatie geeft over de toestand van een aantal populaties in het Waddengebied. De grootte van deze populaties in 1930 dient als uitgangssituatie en is in de afbeelding met een stippellijn getekend. De omvang van de populaties in 1990 is met grijs aangegeven. In vergelijking met het referentiejaar kan een populatie in de Waddenzee afnemen of toenemen. Een halvering of nog grotere afname van een populatie wordt beschouwd als een ernstige verandering in het ecosysteem. Evenzo wordt een verdubbeling of nog grotere toename beschouwd als een ernstige verandering in het ecosysteem vergeleken met het referentiejaar. Vijf populaties uit de Waddenamoebe zijn: grote stern (een vogel), kanoetstrandloper (een vogel), nonnetje (een schelpdier), wadpier (een worm) en zeehond.
Bij welke van deze populaties treedt geen ernstige verandering op, zoals die hierboven is gedefinieerd, vergeleken met het referentiejaar?
-
afbeelding
Gedrag
1/2 Tegenschaduw. Zie figuur B 1279 van de bijlage.
Bij veel diersoorten zijn de lichaamsdelen die onder normale omstandigheden naar het licht worden toegekeerd, tamelijk donker gekleurd. De delen die van het licht af zijn gekeerd, zijn veel lichter. Onder normale omstandigheden valt er schaduw op de lichtste delen en lijkt het dier egaal van kleur waardoor het dier minder opvalt. Dit kleurverschijnsel wordt tegenschaduw genoemd. Een onderzoeker bestudeert rupsen van de grote hermelijnvlinder (zie de afbeelding) waarbij het principe van tegenschaduw voorkomt. Deze rupsen hangen onder natuurlijke omstandigheden aan een tak met de buikzijde naar boven en de rugzijde naar beneden. Ze zijn aan de buikzijde donkerder gekleurd dan aan de rugzijde.
De onderzoeker veronderstelt dat het principe van de tegenschaduw de pakkans van de rupsen door Vlaamse gaaien vermindert. Hij ontwerpt drie experimenten om deze hypothese te toetsen.
In experiment 1 plakt hij willekeurig verspreid in de struiken een groot aantal dode rupsen met de buikzijde naar boven en een groot aantal dode rupsen met de buikzijde naar beneden. In experiment 2 plakt hij willekeurig verspreid in de struiken een groot aantal dode rupsen met de buikzijde naar boven en een groot aantal levende rupsen met de buikzijde naar beneden. In experiment 3 plakt hij willekeurig verspreid in de struiken een groot aantal levende rupsen met de buikzijde naar boven en een groot aantal dode rupsen met de buikzijde naar beneden.
In alle drie experimenten laat hij vervolgens Vlaamse gaaien los.
Door middel van welk van deze experimenten kan de onderzoeker zijn hypothese toetsen?
afbeelding
Gedrag
2/2 Tegenschaduw.
Beschrijf het resultaat dat zijn hypothese bevestigt.
Gedrag
1/6 Woestijnhaviken. Zie figuur B 3824 van de bijlage.
afbeelding
De meeste roofvogelsoorten leven en jagen alleen. Woestijnhaviken (Parabuteo unicinctus) in het zuiden van de USA hebben een hiervan afwijkend gedrag: zij leven en jagen in voortplantingsgroepen. Een voortplantingsgroep bestaat uit twee tot zeven volwassen dieren rond één nest. Binnen zo'n nestgroep bestaat een sociale hiërarchie, waarbij de individuen afgebakende rollen hebben. Er zijn twee dominante haviken (het a-mannetje en {fn:Symbol}a-vrouwtje). De andere volwassen vogels, de b-mannetjes en b-vrouwtjes, zijn ondergeschikt. Hun taken zijn onder andere het vangen en aanslepen van de prooi en assisteren bij de voedselvoorziening van de uitvliegende jongen. Binnen de groep van de a's en de b's zijn de vrouwtjes dominant over de mannetjes.
Zie volgende scherm
Gedrag
2/6 Woestijnhaviken.
Biologen in Arizona hebben gegevens over het gedrag van de individuele dieren in verschillende nestgroepen verzameld. Daarnaast hebben ze van ieder dier een DNA-profiel gemaakt. Omdat de paring ver van het nest plaatsvindt, kan meestal niet vastgesteld worden wie met wie paart.
In onderstaande tabel is van drie nesten een aantal waarnemingen gegeven. Op basis van de gedragsgegevens is het mogelijk om voor ieder van de drie nesten aannemelijk te maken wie het a-mannetje is. afbeelding
Zie volgende scherm
Gedrag
3/6 Woestijnhaviken.
Welk mannetje is op basis van de gedragsgegevens waarschijnlijk het a-mannetje in nest P, in nest Q en in nest R?
afbeelding
Gedrag
4/6 Woestijnhaviken.
Vóór 1985 werden nog geen DNA-profielen gemaakt. Tot die tijd was men voor het bepalen van het ouderschap in de nestgroepen met meer dan één volwassen mannetje, aangewezen op gedragsgegevens. De hypothese was dat de a-mannetjes de vader zouden zijn van alle jongen. Een waargenomen paring van het vrouwtje met het a-mannetje is hiervoor een aanwijzing.
Noteer nog twee mogelijke gedragswaarnemingen die een aanwijzing zijn welke havik het a-mannetje is.
Gedrag
5/6 Woestijnhaviken. Zie figuur A 867 van de bijlage.
Voor het maken van DNA-fingerprints werd het DNA van de haviken met een bepaald restrictie-enzym bewerkt. De vele restrictiefragmenten die ontstonden zijn door middel van elektroforese gescheiden. Alleen die fragmenten die herhalingen van een bepaalde sequentie bevatten, worden daarna zichtbaar gemaakt als donkere banden. In de afbeelding zijn van de drie nesten de verzamelde DNA-profielen weergegeven. Het was niet mogelijk om mannetje R3 te vangen, vandaar dat het DNA-profiel van dit mannetje ontbreekt.
Met deze DNA-profielen is het mogelijk de hypothese over het vaderschap te toetsen.
In welke nestgroep of welke nestgroepen hebben alle jongen op basis van bovenstaande DNA-profielen dezelfde vader?
afbeelding
Gedrag
6/6 Woestijnhaviken.
Laat aan de hand van drie voorbeelden zien dat coöperatie bij woestijnhaviken van betekenis kan zijn voor de overleving van de soort.
Gedrag
1/4 Scholeksters. Zie figuur C 183 van de bijlage.
In het Waddengebied leven scholeksters (zie de afbeelding). Scholeksters eten soms grote tweekleppige schelpdieren, soms wormen. Scholeksters die schelpdieren eten, hebben een beitelvormige snavel waarmee ze de schelp kunnen openen. Scholeksters die wormen eten, hebben puntsnavels. Afhankelijk van het dieet kan de snavel van een bepaalde scholekster in veertien dagen tijd veranderen van beitelvormig naar puntvormig. Ook de omgekeerde verandering kan plaatsvinden.
Is deze reversibele verandering van de snavelvorm bij deze scholekster een voorbeeld van modificatie, mutatie, recombinatie of selectie?
afbeelding
Gedrag
2/4 Scholeksters. Zie figuur C 183 en figuur B 2422 van de bijlage.
Scholeksters broeden in kolonies waarin de nesten vlak bij elkaar liggen. Een scholeksterpaar blijft vaak jaren lang samen. De jongen zijn nog lange tijd na het uitvliegen afhankelijk van hun ouders voor hun voedselvoorziening. In de afbeelding is de scholeksterkolonie op de kwelders van Schiermonnikoog geschematiseerd in kaart gebracht. Afhankelijk van de ligging van hun broedplaatsen worden de scholeksters verdeeld in hokkers en wippers. Hokkers hebben hun broedplaatsen grenzend aan de voedselgebieden op het wad. Wippers hebben hun broedplaatsen meer landinwaarts en moeten over de hokkers heen vliegen om de voedselgebieden op het wad te bereiken. Behalve ten aanzien van de ligging zijn de broedplaatsen verder praktisch gelijk.
In de afbeelding B 2422 zijn de broedresultaten van 141 nesten van hokkers en van 171 nesten van wippers verwerkt. Het broedresultaat is weergegeven als het deel van de jongen dat uiteindelijk kan uitvliegen. De getallen bij de verticale streepjes geven het aantal onderzochte nesten aan. De eieren zijn gelegd in mei en juni. De verschillen in broedresultaten treden elk jaar op dezelfde wijze op.
Geef een verklaring voor de verschillen in broedresultaten tussen hokkers en wippers. Gebruik bij je verklaring afbeelding C 183.
afbeeldingafbeelding
Gedrag
3/4 Scholeksters. Zie figuur A 449 van de bijlage.
Behalve hokkers en wippers zijn er soosvogels in de scholeksterkolonie. Soosvogels zijn vogels die niet broeden. Tussen hokkers, wippers en soosvogels bestaan relaties die in het model van de afbeelding zijn weergegeven. De cijfers bij de pijlen geven de kans aan die een scholekster heeft om het volgende seizoen zijn status te behouden of deze te veranderen. Van soosvogels wordt aangegeven welk percentage in het volgende seizoen de status soosvogel behoudt, welk percentage wipper wordt, welk percentage hokker wordt en welk percentage dood gaat. Voor wippers en hokkers is de statusverandering op dezelfde wijze weergegeven. In dit model wordt ervan uitgegaan dat er een stabiele verdeling over deze groepen vogels is wanneer er 31% soosvogels, 27,8% hokkers en 41,2% wippers zijn. Voor vogels die doodgaan, komen jongen van hokkers en wippers in de plaats.
Een onderzoeker vraagt zich af wanneer voor een soosvogel, die in het volgende seizoen van status verandert, de kans op het beste broedresultaat het grootst is. Ter beantwoording van deze vraag gebruikt hij de gegevens uit de afbeeldingen B 2422 en A 449. Hij gaat uit van het broedresultaat van hokkers en wippers die op dag 140 alle eieren in het nest hebben gelegd (zie afbeelding B 2422).
Leg uit of een soosvogel als wipper of als hokker de grootste kans op het beste broedresultaat heeft.
-
afbeeldingafbeelding
Gedrag
4/4 Scholeksters.
Een student heeft op basis van literatuuronderzoek de volgende hypothesen geformuleerd over de statusverandering van de scholeksters:
1. alleen de sterkste scholeksters veroveren een broedplaats aan de rand van het wad, 2. scholeksters leren door ervaring wat goede en wat slechte broedplaatsen zijn, 3. de kans voor wippers op het verkrijgen van een hokkerbroedplaats is kleiner dan de kans voor soosvogels op het verkrijgen van een hokkerbroedplaats.
Geef van elke hypothese aan of deze met de gegevens uit het beschreven onderzoek getoetst kan worden. Zo ja, geef aan of de hypothese al dan niet moet worden verworpen. Geef een verklaring voor je antwoorden.
Gedrag
1/4 Territoriumgedrag van grutto's. Zie figuur B 1257 van de bijlage.
In de weilanden in Noord-Holland zijn grutto's algemene broedvogels. De foto in de afbeelding geeft een situatie weer die voorkomt in het territoriumgedrag van mannelijke grutto's. Het territoriumgedrag wordt bovendien beschreven in onderstaande tekst.
Een grutto bepaalt zijn territorium door zich opgewonden roepend op een goed zichtbare plaats in het weiland op te stellen. Bij het naderen van een concurrent wordt door het spreiden van de staart de zwarte eindband opvallend zichtbaar. De vogel zet de rugveren en vleugels op. Vervolgens loopt de grutto met uitgespreide staart en in de grond pikkend op de tegenstander af. De grutto's die elkaar een territorium betwisten, proberen elkaar bij de snavel te pakken en elkaar dan al fladderend weg te duwen. Dit gedrag wordt afgewisseld met het uittrekken van graspollen, in de grond pikken en het tonen van de uitgespreide staart. Zij springen fladderend tegen elkaar op waarbij ze naar elkaar trappen. Ze proberen op elkaars rug te komen en daar geruime tijd op te blijven staan. Ze pikken hierbij naar elkaar.
Geef één gedragselement van het territoriumgedrag dat in de tekst wordt beschreven en dat in de afbeelding te zien is.
afbeelding
Gedrag
2/4 Territoriumgedrag van grutto's.
Omgericht gedrag ontstaat wanneer een van de grutto's zowel aanvalsneigingen als vluchtneigingen heeft. De aanval wordt dan gericht op een ander object.
Noem twee stelsels van organen die invloed hebben op de motivatie voor het territoriumgedrag.
Gedrag
3/4 Territoriumgedrag van grutto's.
Noem twee voorbeelden van omgericht gedrag die in de tekst worden beschreven.
Gedrag
4/4 Territoriumgedrag van grutto's.
Succesvol territoriumgedrag leidt tot een groot territorium voor een broedend gruttopaar.
Geef een verklaring waardoor het hebben van een groot territorium bijdraagt tot het voortplantingssucces van een grutto.
Gedrag
1/2 In de nesten zitten. Zie figuur B 1328 van de bijlage.
Koereigers leggen eieren met tussenpozen van 1 tot 2 dagen en beginnen meteen na het leggen van het eerste ei met broeden. Het gevolg is dat de jongen in grootte verschillen als alle eieren zijn uitgekomen. De eerst-uitgekomen jongen kunnen hierdoor het grootste deel van het door de ouders aangevoerde voedsel bemachtigen. Daardoor neemt het verschil in grootte van de jongen nog meer toe. Het komt voor dat de kleinste jongen door hun oudere nestgenoten uit het nest worden gewerkt of dood worden gepikt. De oudervogels grijpen daarbij niet in. In de figuur is een koereiger met een nest jongen weergegeven. Een onderzoeker veronderstelt dat het - in verband met de energie-investering - voor koereigerouders een voordeel is om gewoonlijk slechts een of twee jongen groot te brengen en alleen in tijden van voedselovervloed drie of vier jongen. De onderzoeker verwisselt de eieren uit een aantal koereigernesten zonder dat de koereigers het merken. Hij maakt drie typen nesten met elk evenveel eieren:
type 1: nesten waarin alle jongen tegelijk uitkomen, type 2: nesten waarin de jongen met de gebruikelijke tussenpoos van 1 tot 2 dagen uitkomen (controlegroep), type 3: nesten waarin de jongen met 3 dagen tussenpoos uitkomen.
Vervolgens registreert de onderzoeker hoeveel voedsel de ouders naar het nest brengen en hoeveel jongen er van ieder nest uitvliegen. Hij vergelijkt de jongen in de nesten van type 1 en die in de nesten van type 2. Tien dagen na het uitkomen van het eerste ei blijken er verschillen te zijn tussen de jongen in deze nesten.
Noem twee verschillen tussen de jongen in een nest van type 1 en in een nest van type 2 die op dat tijdstip te verwachten zijn.