Assimilatie
De stofwisseling van autotrofe en heterotrofe organismen.
Men vergelijkt de stofwisseling van autotrofe en heterotrofe organismen.
Welke van de onderstaande beweringen is dan juist?
Alleen autotrofe organismen
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
De stofwisseling van autotrofe en heterotrofe organismen.
Men vergelijkt de stofwisseling van autotrofe en heterotrofe organismen.
Welke van de onderstaande beweringen is dan juist?
Alleen autotrofe organismen
Assimilatieprocessen.
Tot de stofwisseling behoren onder andere de volgende processen:
1. eiwitten worden omgezet in aminozuren;
2. aminozuren worden omgezet in eiwitten;
3. glucose wordt omgezet in glycogeen;
4. zetmeel wordt omgezet in glucose;
5. glycerol met vetzuren worden omgezet in vetten.
Welke van deze processen worden tot assimilatie gerekend?
Koolstofassimilatie.
Vier leerlingen doen elk een bewering over de opname van stoffen door planten met bladgroen ten behoeve van de koolstofassimilatie:
. Leerling 1 zegt dat deze planten hiervoor alleen anorganische stoffen opnemen.
. Leerling 2 zegt dat deze planten hiervoor alleen organische stoffen opnemen.
. Leerling 3 zegt dat deze planten hiervoor zowel anorganische als organische stoffen opnemen.
. Leerling 4 zegt dat deze planten hiervoor alleen water opnemen.
Welke leerling doet een juiste bewering?
Een sloot bedekt met kroosplantjes.
Zie figuur C 61 van de bijlage.
De afbeelding geeft een sloot weer waarvan het wateroppervlak op een bepaald moment volledig is bedekt met kroosplantjes.
In de sloot leven verder diverse soorten ondergedoken waterplanten, zoals waterpest. Wanneer het wateroppervlak volledig dichtgroeit met kroosplantjes, veranderen de omstandigheden in het water van de sloot ingrijpend.
Over deze verandering worden de volgende beweringen gedaan:
1. Het zuurstofgehalte in het water van de sloot neemt door de fotosynthese van de kroosplantjes steeds verder toe. Het aantal ondergedoken waterplanten neemt daardoor ook toe.
2. De hoeveelheid licht die in het water van de sloot doordringt, neemt door de laag kroosplantjes af. Hierdoor neemt de fotosynthese door de ondergedoken waterplanten af.
3. Het nitraatgehalte in het water van de sloot neemt toe doordat de kroosplantjes nitraat afgeven. De ondergedoken waterplanten gaan daardoor extra hard groeien.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
-
afbeelding
Assimilatiereacties.
In organismen kunnen de volgende stofwisselingsreacties optreden:
1. het ontstaan van koolstofdioxide uit glucose
2. het ontstaan van eiwitten uit aminozuren,
3. het ontstaan van glucose uit koolstofdioxide
4. het ontstaan van glucose uit glycogeen.
Welke van deze reacties worden gerekend tot de assimilatie?
Omzettingen in autotrofe organismen.
In organismen kunnen de volgende omzettingen voorkomen:
1. nitraten en koolhydraten worden omgezet in aminozuren;
2. aminozuren worden omgezet in eiwitten.
Kan omzetting 1 plaatsvinden in autotrofe organismen?
En omzetting 2?
afbeelding
Oogdiertjes.
Oogdiertjes zijn eencellige organismen die bladgroen kunnen bezitten.
Afhankelijk van de omstandigheden gedragen zij zich als autotrofe of als heterotrofe organismen.
Er wordt onderzocht onder welke omstandigheden oogdiertjes met bladgroen zich als autotrofe organismen gedragen.
Deze omstandigheden betreffen:
- licht of donker,
- wel of geen koolstofdioxide in het water,
- wel of geen opgeloste organische stoffen in het water.
Onder welke omstandigheden gedragen oogdiertjes met bladgroen zich zeker als autotrofe organismen?
afbeelding
Autotrofe organismen.
Een onderzoeker wil experimenten uitvoeren met autotrofe organismen. Hij kan organismen kiezen uit de groepen bacteriën, schimmels en wieren.
Welke organismen kan hij gebruiken?
Een fles met water, een groene waterplant, een vis.
In een fles brengt men water, een groene waterplant, een vis en een indicator. Ten gevolge van de indicator wordt het water blauw gekleurd. Van de indicator is bekend dat de kleur in een kooldioxide-arme omgeving blauw is.
Na 5 uur wordt geconstateerd dat het water nog steeds blauw gekleurd is.
Hieruit kan men concluderen dat gedurende deze 5 uur
O2
-uitwisseling van een bonenplant met het milieu.
Zie figuur B 78 van de bijlage.
Men meet de O2
-uitwisseling van een bonenplant met het milieu bij toenemende lichtintensiteit. De gevonden waarden zijn uitgezet in het afgebeelde diagram.
Hierna verricht men dezelfde serie metingen, maar nu bij een hoger CO2
-gehalte van de lucht.
Tenslotte wordt een derde serie metingen verricht, waarbij de plant alleen meer water krijgt toegediend.
Alle andere omstandigheden worden bij de proeven constant gehouden.
Waar zal punt P (het snijpunt van de curve met de X-as) bij de verschillende metingen komen te liggen?
afbeelding
afbeelding
Takjes waterpest in het licht.
Een aantal takjes waterpest wordt in water in het licht geplaatst.
Er stijgen zuurstofbelletjes op.
Na enkele uren stopt de productie van deze belletjes, terwijl de proefopstelling niet verandert.
Hoe kan de productie van zuurstofbelletjes van de plant weer op gang gebracht worden?
Verlichtingssterkte en zuurstofafgifte bij maïs.
Zie figuur B 350 van de bijlage.
Bij maïs wordt het verband tussen verlichtingssterkte en zuurstofafgifte bepaald (zie diagram).
Is bij P de verlichtingssterkte een beperkende factor?
En bij Q?
afbeelding
afbeelding
Een groene plant onder een glazen stolp.
Zie figuur B 1183 van de bijlage.
Een groene plant staat onder een glazen stolp bij een constante temperatuur. Op enige afstand hiervan staat een lamp, waarvan men de lichtsterkte varieert. Men meet de hoeveelheid vrijkomende zuurstof en verkrijgt dan een resultaat zoals in het afgebeelde diagram is aangegeven. In het diagram zijn twee trajecten te onderscheiden.
De beperkende factoren in beide trajecten zijn
afbeelding
O2
productie bij verschillende percentages CO2
.
Bij een bepaalde plant wordt de hoeveelheid geproduceerde O2
per tijdseenheid gemeten bij verschillende percentages CO2
van de lucht. De resultaten zijn als volgt:
afbeelding
Kan uit deze resultaten worden afgeleid dat bij 0,04% CO2
het percentage CO2
een beperkende factor voor de O2
-productie is?
Kan uit deze resultaten worden afgeleid dat bij 0,15% CO2
de O2
-productie hoger is dan bij 9 ml O2
/tijdseenheid?
afbeelding
Fotosynthese-activiteit bij verschillende koolstofdioxide-gehaltes
Zie figuur B 637 van de bijlage.
Bij een plant met bladgroen wordt de fotosynthese-activiteit bij verschillende koolstofdioxide-gehaltes van de lucht bepaald. De proef wordt gedaan bij twee verschillende verlichtingssterkten: 1 en 2. De resultaten staan in het diagram.
Is bij P het CO2
-gehalte een beperkende factor bij verlichtingssterkte 1?
En bij verlichtingssterkte 2?
afbeelding
afbeelding
Verbrandingsgassen in kassen.
Veel tuinders verwarmen hun kassen met behulp van aardgas. Sommigen leiden bovendien de verbrandingsgassen van de verwarmingsketels door de kassen. Dat doen ze niet alleen om op de stookkosten te bezuinigen, maar ook met de bedoeling de groei van de gewassen te versnellen.
De temperatuur in de kassen wordt binnen nauwe grenzen gehouden en de verlichting in de kassen wordt geregeld.
Over het effect van de verbrandingsgassen worden drie beweringen gedaan:
1. Door deze gassen kunnen ziekteverwekkende schimmels zich niet ontwikkelen.
2. Door deze gassen wordt het CO2
-gehalte in de kas minder snel beperkend voor de fotosynthese van de gewassen.
3. Door deze gassen wordt de luchtvochtigheid in de kassen verhoogd, waardoor de gewassen minder snel uitdrogen.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
Chemo-autotrofe organismen & foto-autotrofe organismen.
Chemo-autotrofe organismen onderscheiden zich van foto-autotrofe organismen doordat ze
Bepaalde bacteriën & waterstofsulfide (H2
S).
Bepaalde bacteriën kunnen waterstofsulfide (H2
S) omzetten waarbij O2
wordt verbruikt.
Bij dit proces komt energie vrij.
Met behulp van deze energie maken die bacteriën glucose uit koolstofdioxide en water.
Hoe wordt deze combinatie van processen genoemd?
Micro-organismen & waterstofsulfide (H2
S).
Door bepaalde micro-organismen kan waterstofsulfide (H2
S) omgezet worden in water en zwavel.
De functie van deze omzetting is
Chemosynthese & ijzerbacteriën.
Chemosynthese is een vorm van assimilatie die bijvoorbeeld vóórkomt bij ijzerbacteriën.
De voor de assimilatie benodigde energie komt bij deze bacteriën vrij door