Oefentoets Biologie: Genetica - algemeen | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Organismen uit een kloon.

Twee organismen uit dezelfde kloon worden met elkaar gekruist. Van de nakomelingen vertoont 25% een eigenschap welke bij geen van de ouders zichtbaar was.

De meest waarschijnlijke verklaring voor dit resultaat is dat voor deze eigenschap

Genetica

Eicellen.

Men ent een tak van een 'gekweekte' homozygote pruimenboom op een 'wilde' onderstam. In de vruchtbeginsels van de bloemen die op deze tak ontstaan, ontwikkelen zich eicellen.

Wat kan men voorspellen van deze eicellen?

Deze eicellen zullen hoogst waarschijnlijk

Genetica

Een gen.

Als men het woord gen gebruikt, bedoelt men

Genetica

Genlocus.

Bij het gebruik van het woord genlocus bedoelt men

Genetica

Selectie.

Selectie toepassen op de nakomelingen van een kruising van twee individuen uit eenzelfde kloon

Genetica

Gedaantewisseling.

Bij de gedaantewisseling van de bananenvlieg vinden grote veranderingen in de lichaamsbouw plaats.

Verandert door de gedaantewisseling het fenotype?
En het genotype?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Voorbeelden van voortplanting.

Hieronder wordt een aantal voorbeelden van voortplanting gegeven.

1. er worden stekjes genomen van één populier en uit deze stekjes worden nieuwe boompjes opgekweekt,
2. er worden twee bonenplanten die homozygoot zijn, voor alle bekende eigenschappen gekruist,
3. de cellen van een 4-cellig zee-egelembryo worden zodanig kunstmatig gescheiden dat elke cel zich tot een zee-egel ontwikkelt,
4. bij een plant wordt ervoor gezorgd dat er alleen nakomelingen ontstaan als gevolg van zelfbestuiving.

Ga ervan uit dat mutaties niet voorkomen en alle genen die gekoppeld zijn, gekoppeld blijven.

Bij welke van deze voorbeelden zullen de op die wijze ontstane nakomelingen onderling hetzelfde genotype hebben voor alle bekende eigenschappen?

Genetica

Het ei van een zee-egel.

Een bevruchte eicel van een zee-egel is uitgegroeid tot een viercellig stadium. De vier cellen raken los van elkaar en worden door het zeewater verspreid. Uit elke cel groeit een normale zee-egel. Er treden geen mutaties op.

Hebben deze vier zee-egels hetzelfde fenotype?
En hetzelfde genotype?

Genetica

Fenotype.

Het fenotype van een organisme komt tot stand alleen door

Genetica

Genotype.

Bij welke van de onderstaande kruisingen zijn alle nakomelingen genotypisch gelijk?

Genetica

Homo- en heterozygoot.

In welke van de volgende beweringen over gewone cellen en geslachtscellen zijn de begrippen homozygoot en heterozygoot goed toegepast?

Genetica

Een kloon.

Van een kloon kan men in het algemeen zeggen dat

Genetica

Homozygote nakomeling.

Wat is een voorwaarde voor het ontstaan van een voor één eigenschap homozygote nakomeling?

Genetica

Tomaten.

Bij tomaten is het allel voor gladde vruchten (E) dominant over dat voor geribde vruchten (e).
Er wordt een stukje stengel afgesneden van een tomatenplant die homozygoot is voor gladde vruchten. Dit stukje stengel (de ent) wordt op het onderste deel (de onderstam) van een andere afgesneden tomatenplant bevestigd. De plant waarvan de onderstam afkomstig is, is homozygoot voor geribde vruchten. De ent gaat bloeien en er ontwikkelen zich stuifmeelkorrels.

Welk allel komt of welke allelen komen in deze stuifmeelkorrels voor, als mutaties uitgesloten worden?

Genetica

Chimpansees.

Bij chimpansees is 2n = 48. Bepaalde chromosomen van vrouwelijke chimpansees zijn kopieën van chromosomen van hun grootmoeders van moederszijde.

Als ervan wordt uitgegaan dat er geen mutaties en geen breuken in chromosomen optreden, is dan te bepalen hoe groot het aantal van deze kopieën gemiddeld bij vrouwelijke chimpansees zal zijn?
Zo ja, hoeveel?

Genetica

Grootvaders chromosomen.

Bij de mens is het aantal chromosomen per cel 46 (2n).

Maximaal hoeveel chromosomen in een lichaamscel van een meisje kunnen theoretisch kopieën zijn van de chromosomen van haar grootvader van vaderszijde?

Genetica

Gameetvorming.

Een bepaald individu heeft als genotype EEFfGg. De betrokken genen zijn niet gekoppeld.

Hoeveel voor deze eigenschappen genotypisch verschillende voortplantingscellen kan dit individu vormen?

Genetica

Erfelijkheid bij radijsjes.

Bij radijsjes worden zowel de vorm als de kleur van de knolletjes erfelijk bepaald. De vorm kan lang, rond of ovaal zijn; de kleur rood, paars of wit.

Als een plant met lange rode knolletjes wordt gekruist met een plant met ronde witte knolletjes, ontstaan nakomelingen met uitsluitend ovale paarse knolletjes.

Welke planten moet een kweker met elkaar kruisen om zaad te verkrijgen, waaruit uitsluitend planten met ronde paarse knolletjes ontstaan?

Genetica

Radijsjes.

Bij radijsjes worden zowel de vorm als de kleur erfelijk bepaald. De kleur kan rood, paars of wit zijn. De vorm kan lang, ovaal of rond zijn. Het fenotype paars/ovaal is een intermediair fenotype. Een kweker voert de volgende kruisingen uit:

kruising 1: planten met rode, ronde radijs x planten met witte, ovale radijs,
kruising 2: planten met rode, lange radijs x planten met witte, ronde radijs,
kruising 3: planten met paarse, ronde radijs x planten met paarse, lange radijs,
kruising 4: planten met paarse, ovale radijs x planten met paarse, ovale radijs.

Uit elke kruising ontstaan evenveel nakomelingen.

Bij welke van deze kruisingen ontstaan de meeste nakomelingen met paarse, ovale radijsjes?

Genetica

Bloemkleuren.

Bij een monohybride kruising tussen een plant met roze bloemen en een plant met witte bloemen (P-generatie) blijken in de F1 de fenotypen van de ouders beide voor te komen. Het allel voor rood wordt weergegeven door R en dat voor wit door r.

Men kruist een rozebloemige plant uit de F1 met een witbloemige plant uit de F1 .

Hoe zullen de genotypen van de ouders (P) geweest zijn en hoe zal de fenotypenverhouding van de F2 -individuen zijn ten aanzien van de bloemkleur?

afbeeldingafbeelding