Oefentoets Biologie: Ecologie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 8

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

2/7 De Groote Peel.

Om een aantal terreinen in het natuurgebied de Groote Peel in goede staat te houden, moet Staatsbosbeheer maatregelen treffen. Zo grazen er paarden en schapen om het open karakter van het landschap te handhaven. Het grazen beïnvloedt de kringlopen in dit gebied niet wezenlijk. Daarnaast worden delen afgeplagd en delen gemaaid. In beide gevallen wordt het materiaal afgevoerd.

Leg uit dat door het afvoeren van het materiaal, verkregen door afplaggen en maaien, de kringlopen in de Groote Peel wel worden verstoord.

Ecologie

3/7 De Groote Peel.

Een leerling is verbaasd dat het kienhout in die duizenden jaren niet is vergaan. Hij vermoedt dat dit komt doordat het Peelwater een lage pH heeft. Hij zet op school een onderzoek op om het effect van water met een lage pH op de omzetting van organische stoffen na te gaan.

Welk materiaal kan de leerling het best kiezen voor zijn onderzoek als hij binnen een maand resultaat wil zien?

Ecologie

4/7 De Groote Peel.

Beschrijf een werkplan waarmee de leerling zijn onderzoek naar het effect van water met een lage pH op de omzetting van organische stoffen kan uitvoeren.

Ecologie

5/7 De Groote Peel.

Het Amerikaanse hondsvisje wordt vrijwel uitsluitend in de Groote Peel aangetroffen; het even grote driedoornige stekelbaarsje komt daar niet voor, maar wel in veel andere wateren in Nederland.

Schets in een assenstelsel de grafiek die het tolerantiegebied van het Amerikaanse hondsvisje en de grafiek die het tolerantiegebied van de driedoornige stekelbaars aangeeft voor de milieufactor pH. Geef op de as waarlangs je de pH uitzet de waarden aan; bij de andere as mag je volstaan met alleen aan te geven wat er is uitgezet, zonder waarden.

Ecologie

6/7 De Groote Peel.

In het voorjaar leeft in een sloot een populatie driedoornige stekelbaarsjes. Mannetjes van deze stekelbaarzen krijgen in de voortplantingstijd een rode buik. Een mannetje verdrijft andere mannetjes met een rode buik uit een bepaald gebied in de sloot en bouwt daar zijn nest. Vrouwtjes zwemmen door de gehele sloot. Na de voortplantingstijd zwemmen driedoornige stekelbaarsjes naar zee. Ze blijven daar tot het volgend voorjaar.

Geef de biologische term voor het deel van de sloot waaruit een mannetje de andere mannetjes verdrijft.

Dit deel heet zijn [invulveld]

Ecologie

7/7 De Groote Peel.

In een kanaal dat met de sloot in verbinding staat, worden soms ook stekelbaarsjes aangetroffen, maar de mannetjes daar hebben nooit een rode buik.

Leerling 1 zegt dat in het kanaal de stekelbaarsjes geen aparte populatie vormen.
Leerling 2 zegt dat in het kanaal de stekelbaarsjes wel een aparte populatie vormen.

Welk van deze leerlingen heeft gelijk? Leg je antwoord uit.

Ecologie

1/3 Hoogveen.
Zie figuur B 2114 van de bijlage.

Levend hoogveen bestaat uit dichte lagen veenmos. De bovenste laag bestaat uit veenmosplanten die op een vaak meters dikke laag van afgestorven veenmosplanten groeien (zie de afbeelding). Het vocht in deze sponzige onderlaag van afgestorven veenmosplanten, heeft een zeer lage pH doordat het levende veenmos zuur afscheidt.
Deze onderlaag is bovendien zeer arm aan zuurstof en mineralen. Veenmos leeft van mineralen die met regenwater worden aangevoerd.
Veel planten halen mineralen uit de bodem, bijvoorbeeld uit zandgrond, waarin zich resten van organismen bevinden.

Leg uit waardoor de laag van dood veenmos waarop het levende veenmos groeit in verhouding tot zandgrond zeer arm is aan mineralen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Hoogveen.

Noem een stikstofhoudende stof die met regenwater op het hoogveen terecht kan komen.

Ecologie

3/3 Hoogveen.

Veel hoogvenen in Nederland zijn verdroogd door kunstmatige ontwatering. Het levende veenmos sterft door de droogte af. Er ontstaan scheuren waardoor lucht in de laag eronder kan doordringen. Op dit dode hoogveen vestigen zich allerlei kruidachtige planten zoals de Pitrus, op den duur gevolgd door struiken en tenslotte door bomen zoals de Zachte berk. Deze successie is een gevolg van de veranderde milieufactoren.
Het watergehalte is één van de abiotische factoren die in het hoogveen veranderen: het watergehalte neemt af. In de tabel hieronder is dit aangegeven.
afbeeldingafbeelding

Als gevolg van de afname van het watergehalte en het afsterven van het veenmos, veranderen ook andere abiotische factoren die van invloed zijn op de plantengroei.

Vul de tabel hierboven aan met nog twee van deze andere abiotische milieufactoren en de bijbehorende verandering.

Ecologie

1/4 Leven op de gekste plaatsen.

Tekst:
Er is volop leven in de diepzee, maar plantaardige organismen komen daar niet voor. Dat er wel andere levensvormen voorkomen, is meestal een gevolg van een continue voedselstroom van afgestorven organismen uit hogere lagen. Soms is er echter sprake van een volledig voedselweb. In de zogenaamde 'black smokers' bij Papoea-Nieuw-Guinea komen autotrofe bacteriën voor.
Smokers zijn grote kegelvormige bergen van zwavelverbindingen op de bodem van de zee, waaruit oververhit water van 300°C omhoog spuit onder een druk van 265 atmosfeer. De genoemde autotrofe bacteriën zijn in staat om bepaalde mineralen (bijvoorbeeld sulfiden / zwavelverbindingen), die in water in flinke hoeveelheden oplossen, te oxideren. Hierbij komt energie vrij die benut wordt voor de opbouw van organische moleculen.

bron: De Volkskrant, 31 januari 1998

Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?

Ecologie

2/4 Leven op de gekste plaatsen.

Veel geleerden denken dat het leven in zee is ontstaan. Zij zijn tot dit idee gekomen doordat uit onderzoek is gebleken dat bij het ontstaan van het leven de aarde niet omgeven was door een ozonlaag. Van ozon is bekend dat het ultraviolette straling tegenhoudt. Volgens de geleerden was het voordelig voor de toenmalige organismen om in zee te blijven en niet op het land te komen.

Welk voordeel bood het leven in de zee voor de toenmalige organismen ten opzichte van het leven op het land?

Ecologie

3/4 Leven op de gekste plaatsen.
Zie figuur B 2777 van de bijlage.

Behalve de bacteriën vind je bij de smokers allerlei krabbetjes en wormen. Een voorbeeld daarvan is een merkwaardige worm, Riftia pachyptila (zie de afbeelding). Dit dier is een meter lang en het heeft geen mond, ingewanden of anus. Wel bezit het een merkwaardig orgaan dat van veel bloedvaten voorzien is. Dit orgaan wordt trofosoom genoemd. In het trofosoom verblijven zeer veel sulfide-afbrekende bacteriën: 35% van het gewicht van het trofosoom wordt gevormd door deze bacteriën. Deze bacteriën voorzien Riftia van voedingsstoffen en worden door Riftia weer van zuurstof en sulfide voorzien.

Welk type relatie is het meest waarschijnlijk tussen Riftia en de bacteriën?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Leven op de gekste plaatsen.
Zie figuur B 2778 van de bijlage.

In de afbeelding is een schema weergegeven van de energievoorziening van de spieren van Riftia met daarin vier genummerde pijlen.

Welke van de volgende namen horen bij de pijlen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Schatten uit diepe meren.

Tekst:
Een van de oudste en diepste meren ter wereld is het Bajkalmeer. Dit meer is ongeveer 30 miljoen jaar oud en 1630 meter diep. Er leven bijzondere dieren in, waaronder 260 soorten vlokreeftjes. Sommige daarvan leven van algen, andere jagen, eten aas of parasiteren, soms zelfs op andere vlokreeftjes.
Het meer bevat nauwelijks mineralen en is tot op de bodem verzadigd met zuurstof. In januari vriest het dicht en meestal ligt er dan enkele maanden een ijslaag van een meter dik. Ongeveer 6 miljoen jaar geleden heerste in Siberië een subtropisch klimaat. Het water van het Bajkalmeer was toen warmer dan nu. De warme bovenlaag was lichter dan de koude onderlaag, waardoor onderin geen zuurstof doordrong.
Vijf miljoen jaar geleden werd het kouder. De scheiding tussen warm en koud water verdween, waardoor het oppervlaktewater en het diepe water gemengd werden.

bewerkt naar: Bert Hidding, Evolutie in het Bajkalmeer, Over soortenrijkdom in de parel van Siberië, bovenbouwteksten UvA 2001

Het koude Bajkalmeer is arm aan mineralen.

Welke groep van organismen maakt dat in het Bajkalmeer mineralen ter beschikking komen?

Dit zijn de [invulveld]

Ecologie

2/3 Schatten uit diepe meren.

Voor welke van onderstaande abiotische factoren is het verschil tussen het oppervlaktewater en de diepere lagen in het huidige Bajkalmeer het grootst?

Ecologie

3/3 Schatten uit diepe meren.

Sedert vijf miljoen jaar is er een stabiele situatie in het Bajkalmeer. IJstijden wisselden af met warme periodes in een cyclus van ongeveer 12000 jaar. In het Bajkalmeer is daar weinig van te merken geweest: hooguit werd de jaarlijkse ijslaag iets dikker of bleef ze wat langer liggen. Voor de soorten in het meer zijn de abiotische factoren steeds constant gebleven.

Leg uit hoe in vijf miljoen jaar uit één soort vlokreeftje een groot aantal soorten vlokreeftjes is kunnen ontstaan en leg uit dat dit mogelijk was in een meer waarin de abiotische omstandigheden al die tijd constant zijn gebleven.

Ecologie

1/6 De Serengeti-hoogvlakte en de Ngorongoro-krater.
Zie figuur B 3006 van de bijlage.

Op de Serengeti-hoogvlakte komen veruit de grootste populaties in het wild levende hoefdieren ter wereld voor. In het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw lukte het in deze regio, de runderpest uit te roeien. In de jaren zeventig werd de jaarlijks terugkerende droge tijd veel minder droog. Met name het aantal wildebeesten (gnoes) nam toen sterk toe. De afbeelding geeft de belangrijkste relaties in het Serengeti-ecosysteem weer.
Met pijlen zijn voedselrelaties en relaties tussen abiotische en biotische factoren in het onderzochte gebied aangegeven.

Noem de twee abiotische factoren die in de afbeelding zijn weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/6 De Serengeti-hoogvlakte en de Ngorongoro-krater.
Zie figuur B 3006 van de bijlage.

Bij hormonen wordt het begrip negatieve terugkoppeling gebruikt. Dit begrip is ook van toepassing op populaties in ecosystemen.

Hoeveel voorbeelden van negatieve terugkoppeling (feedback) zijn in de afbeelding weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/6 De Serengeti-hoogvlakte en de Ngorongoro-krater.

Welke term is van toepassing op de relatie tussen wrattenzwijn en wildebeest?

Ecologie

4/6 De Serengeti-hoogvlakte en de Ngorongoro-krater.

Door de toename van het aantal wildebeesten ontstaan veranderingen in de vegetatie (plantengroei).

Noem deze veranderingen in de vegetatie.
Noem de diersoorten die daarvan direct voordeel hebben.