Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie - Osmose_diffusie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 8 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

8

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose

Het volume en de turgor van een plantencel.
Zie figuur B 413 van de bijlage.

In het diagram is het verband weergegeven tussen het volume van een plantencel en de turgor van die cel.
Bij R zijn het celvolume en de turgor van die cel maximaal.

In welk van de trajecten tussen P en R treedt waterverplaatsing op tussen de celinhoud en de omgeving?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Aardappelreepjes in glucose-oplossingen.
Zie figuur B 414 van de bijlage.

Reepjes aardappel, gesneden uit dezelfde verse aardappel, werden in glucose-oplossingen van verschillende concentraties gelegd. De reepjes hadden een gelijke lengte en dikte.
Na een uur werd de lengteverandering van de reepjes gemeten.

Van de verkregen resultaten werd het afgebeelde diagram gemaakt.
Aan het eind van de proef worden drie aardappelreepjes met elkaar vergeleken:

- de aardappelreepjes die respectievelijk in de 1%, de 2% en de 5% glucose-oplossing hebben gelegen.

Welke van deze reepjes is het slapst?


-

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

Energieverbruik bij zoogdieren in rust.

Bij zoogdieren in rust komen aanzienlijke verschillen in energieverbruik voor.
In de tabel is dit energieverbruik van vier verschillende volwassen zoogdieren uit gematigde streken weergegeven.
afbeeldingafbeelding

Het energieverbruik is gedurende 24 uur gemeten onder gelijke omstandigheden. De dieren zijn niet in winterslaap. Ze verschillen aanzienlijk in gewicht.

Is op grond van deze gegevens te bepalen in welke volgorde deze dieren kunnen worden gerangschikt van licht naar zwaar?

Zo ja, wat is de juiste volgorde?
Zo nee, welke gegevens zijn nog meer nodig zodat de juiste volgorde kan worden bepaald?

Stofwisseling

Energieverbruik bij zoogdieren in rust.

Bij zoogdieren in rust zijn aanzienlijke verschillen in energieverbruik. Het energieverbruik van vier verschillende volwassen zoogdieren wordt onder gelijke omstandigheden bij 20°C in rust gemeten. Dit energieverbruik wordt uitgedrukt in kJ per kg lichaamsgewicht en is in de tabel weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Wat zal de belangrijkste factor zijn waardoor dit verschil in energieverbruik in rust is te verklaren?

Stofwisseling

De stofwisselingssnelheid per gram.

De volgende volwassen dieren hebben alle een lichaamstemperatuur van 37°C: een kameel, een muis, een olifant en een varken.

Welk van deze organismen heeft in rust, bij een omgevingstemperatuur van 20°C, de hoogste stofwisselingssnelheid per gram?

Stofwisseling

O2 -verbruik bij 5 zoogdieren.

Van vijf zoogdieren is in de tabel hieronder weergegeven hoeveel ml O2 zij in rust per gram lichaamsgewicht per uur verbruiken. Bovendien is het totale lichaamsgewicht weergegeven.
afbeeldingafbeelding

Op grond van deze tabel worden twee beweringen gedaan:

1. bij deze dieren is het zuurstofverbruik per gram lichaamsgewicht afhankelijk van het totale gewicht;
2. een spitsmuis heeft per gram lichaamsgewicht minder energie nodig dan een schaap;

Is bewering 1 juist?
En bewering 2?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

O2 -verbruik bij 4 zoogdieren.

Bij vier verschillende volwassen dieren in rust wordt bij een omgevingstemperatuur van 5°C de intensiteit van de stofwisseling bepaald. Daartoe wordt het zuurstofverbruik per gram lichaamsgewicht berekend. De onderzochte dieren zijn een geit, een kikker, een krokodil en een muis.
De omstandigheden waaronder de bepalingen plaatsvinden, zijn voor alle dieren gelijk.

Welk van de onderzochte dieren verbruikt de meeste zuurstof per gram lichaamsgewicht?

Stofwisseling

Zuurstofverbruik.

Gedurende acht uur wordt het zuurstofverbruik gemeten bij vier volwassen dieren: een chimpansee, een kikker, een olifant en een veldmuis. Alle dieren zijn in rust.
De omgevingstemperatuur stijgt gedurende deze acht uur voor alle dieren op gelijke wijze van 18°C tot 23°C.

Bij welk van deze dieren neemt bij deze temperatuurstijging het zuurstofverbruik per gram lichaamsgewicht toe?