Oefentoets Biologie: Stofwisseling | HAVO 4/HAVO 5 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Stofwisseling

16/18 Zwemmen gevaarlijk.

Hart en bloedsomloop.

Het autonome zenuwstelsel kan wel zorgen dat de hartslag versnelt dan wel vertraagt.

Leg dit uit.

Stofwisseling

17/18 Zwemmen gevaarlijk.

Hart en bloedsomloop.

Vlak bij organen vertakken de slagaders zich in steeds kleiner wordende slagadertjes. De kleinste slagadertjes worden arteriolen genoemd. Deze arteriolen zijn belangrijk voor de regeling van de hoeveelheid bloed die door een orgaan kan stromen. De wanden van arteriolen kunnen zich heel gemakkelijk vernauwen of verwijden doordat ze voornamelijk uit spierweefsel bestaan.
Bestudeer het volgende schema over de verdeling van het bloed door het lichaam onder verschillende omstandigheden.
afbeeldingafbeelding

Geef een verklaring voor de verschillen.

Stofwisseling

18/18 Zwemmen gevaarlijk.

Hart en bloedsomloop.

Niet alleen lichamelijke inspanning worden genoemd als risicofactor voor hartfalen maar ook saunabezoek.

Kun je dat verklaren?

Stofwisseling

1/3 Enkele organen.
Zie figuur B 469 van de bijlage.

De afbeelding toont enkele organen van de mens met onder andere aan- en afvoerende bloedvaten.
P is een deel van de onderste holle ader en Q is een deel van de aorta. De bloedvaten R en S staan in verbinding met orgaan T. Orgaan T kan adrenaline afgeven.

Waardoor wordt orgaan T gestimuleerd tot het afgeven van adrenaline?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

2/3 Enkele organen.

Is de ureumconcentratie van het bloed in bloedvat S lager dan, gelijk aan of hoger dan de ureumconcentratie van het bloed in bloedvat P?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

3/3 Enkele organen.

Is de glucoseconcentratie van het bloed in bloedvat R lager dan, gelijk aan of hoger dan de glucoseconcentratie van het bloed in bloedvat S?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

1/3 Stofwisseling.

De hoeveelheden water en voedsel die de mens opneemt, worden slechts voor een deel door het lichaam gebruikt. Sommige stoffen uit het voedsel zijn zelfs schadelijk voor het lichaam. Deze stoffen worden in het lichaam onschadelijk gemaakt en uitgescheiden. Ook bij de normale stofwisseling ontstaan producten die schade in het lichaam zouden veroorzaken als ze zich ophoopten.

Welk orgaan heeft of welke organen hebben als functie het afbreken van schadelijke stoffen?

Stofwisseling

2/3 Stofwisseling.

Welke stof ontstaat als gevolg van de afbraak van aminozuren?

Stofwisseling

3/3 Stofwisseling.

Heeft het drinken van veel water invloed op de ADH-afgifte in het lichaam?
Zo ja, welke?

Stofwisseling

1/3 Waterafgifte.

Bij de mens wordt de waterafgifte beïnvloed door het zenuwstelsel en door hormonen.
In de tabel hieronder is het gemiddelde dagelijkse waterverlies via diverse organen gegeven bij verschillende omstandigheden en bij verschillende omgevingstemperaturen. Alle overige omstandigheden worden gelijk gehouden.

afbeeldingafbeelding

Adrenaline heeft invloed op de activiteit van de zweetklieren.

Onder welke van de genoemde omstandigheden is de invloed van adrenaline waarschijnlijk het grootst?





-

Stofwisseling

2/3 Waterafgifte.

Uit welk gegeven of uit welke gegevens in de tabel valt af te leiden, dat bij 30°C in rust de intensiteit van de dissimilatie lager is dan bij 20°C in rust?

Stofwisseling

3/3 Waterafgifte.

Welk van de hormonen ADH, glucagon en thyroxine heeft de meest directe invloed op de mate van urineproductie?

Stofwisseling en Doping

1/2 Doping.
Zie figuur C 87 van de bijlage.

In de topsport wordt soms gebruik gemaakt van doping, het toedienen van stoffen die prestatieverhogend werken.
Voorbeelden van deze stoffen zijn amfetaminen die het effect van een bepaald deel van het autonome zenuwstelsel versterken. De afbeelding geeft een overzicht van een aantal invloeden van het parasympatische en van het orthosympathische deel van het autonome zenuwstelsel. Voor de duidelijkheid is het centrale zenuwstelsel twee keer weergegeven.

Versterken amfetaminen het effect van het parasympathische of van het orthosympathische deel van het autonome zenuwstelsel? Geef een verklaring voor je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling en Doping

2/2 Doping.

Vroeger paste men ook wel de zogenaamde bloeddoping toe: iemand kreeg daags voor een wedstrijd extra rode bloedcellen toegediend uit bloed dat enige weken eerder van hemzelf was afgetapt.

Leg uit waardoor dit prestatieverhogend kan werken.

Stofwisseling

1/3 Een strafschop.
Zie de figuren B 2119, A 391 en C 83 van de bijlage

Tijdens een voetbalwedstrijd schiet een speler bij het nemen van een strafschop de bal keihard in de richting van het doel. De keeper reageert bliksemsnel en plukt de bal met een snoekduik uit de lucht (zie de afbeelding). Na de duik weet hij zo neer te komen dat hij zich niet bezeert.

Vlak voor en tijdens het nemen van de strafschop neemt de hoeveelheid van een bepaald hormoon in het bloed van zowel de speler als de keeper plotseling sterk toe.

Noem het orgaan waarin dit hormoon wordt gevormd en verklaar waarom je voor dit orgaan hebt gekozen.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Stofwisseling

2/3 Een strafschop.

De speler heeft de strafschop met zoveel kracht genomen dat er een scheurtje in zijn linker dijspier is ontstaan. Terwijl hij geblesseerd op het veld ligt, rent de verzorger het veld op met een ijszak die hij op de gekwetste dij legt. De bloeduitstorting die ontstaat, wordt door deze behandeling minder groot dan zonder ijszak het geval zou zijn.

Geef hiervoor een verklaring.

Stofwisseling

3/3 Een strafschop.

In de tekst staat dat de keeper na de snoekduik op de grond valt zonder zich te bezeren.

Spelen hierbij reflexen die via het ruggenmerg verlopen een rol?
En spelen hierbij impulsen die via de kleine hersenen verlopen een rol?

Stofwisseling

1/7 Variatie bij hardlopers.

De VO2 -max wordt gedefinieerd als het maximale vermogen zuurstof vanuit de longen op te nemen in het bloed, te transporteren en te gebruiken in de spieren. Bij ongetrainde mannen heeft de VO2 -max veelal een waarde van 45 tot 55 ml per kg lichaamsgewicht per minuut (ml/kg/min). Door training kan de VO2 -max 5 tot 20% toenemen. Bij toplopers vindt men een waarde van zelfs 80 ml/kg/min.

Leg door middel van een berekening en met behulp van bovenstaande gegevens uit dat niet iedereen door alleen maar hard te trainen een toploper kan worden.

Stofwisseling

2/7 Variatie bij hardlopers.

Er kunnen drie deelsystemen worden onderscheiden: ademhalingsstelsel, hart/bloedsomloop en spieren. Om vast te stellen welk van deze deelsystemen de VO2 -max beperkt, werden gegevens verzameld van patiënten met een ernstige vorm van hartfalen. Zij hadden een heel lage VO2 -max.
Na succesvolle harttransplantaties bleek de VO2 -max niet of nauwelijks toegenomen.

Is hart/bloedsomloop bij deze patiënten de beperkende factor voor de VO2 -max. Leg in je antwoord uit wat hier bedoeld wordt met beperkende factor.

Stofwisseling

3/7 Variatie bij hardlopers.

Bij de sprintafstanden is de voortbewegingssnelheid veel hoger dan tijdens de marathon. De spieren verbruiken bij de sprint eerst de voorraad energie en vullen tijdens het laatste deel van de sprint die energievoorraad aan door anaërobe dissimilatie.

Noem twee redenen waarom anaërobe dissimilatie niet geschikt is als belangrijkste energiebron voor langdurige inspanningen zoals het lopen van de marathon.