Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Nitraatopname.
Zie figuur B 7 van de bijlage.

Bij bepaalde planten wordt het verband onderzocht tussen nitraatopname door de wortel en nitraatconcentratie van het milieu, bij verschillende temperaturen.

In het diagram B 7 staat de nitraatopname uitgezet tegen de nitraatconcentratie in het milieu.

Uit de resultaten blijkt dat de nitraatopname kan berusten op

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zonne-energie.

Een vegetatie, bijvoorbeeld die van een moeras, gaat meer zonne-energie vastleggen wanneer er anorganische mest in terecht komt.

De hoeveelheid vastgelegde zonne-energie zal tevoren beperkt geweest zijn door de hoeveelheid

Plantenfysiologie

Autotrofe planten.

Door autotrofe planten opgenomen sulfaat dient onder andere voor

Plantenfysiologie

Opname van mineralen.

De opname van mineralen door de wortels van een plant berust ten dele op actieve processen en ten dele op passieve processen.

De opname van mineralen door wortels begint passief met

Plantenfysiologie

Vleesetende planten.

Sommige vleesetende planten met bladgroen zullen bij toevoeging van bepaalde voedingsstoffen aan de bodem een andere bladvorm krijgen. Ze vormen dan alleen blaadjes die ongeschikt zijn voor het vangen van insecten.

Welke voedingsstoffen die de plant opneemt uit de bodem, bewerkstelligen dat?

Plantenfysiologie

Experiment met eendenkroos.
Zie figuur B 178 van de bijlage.

Eendenkroos is een klein plantje met bladgroen dat op het water drijft. Bij een experiment wordt in vier schaaltjes eendekroos gekweekt op een voedingsoplossing waarop deze plantjes gewoonlijk goed groeien en zich voortplanten. In elk schaaltje worden drie plantjes gedaan. Aan de voedingsoplossing worden al of niet bepaalde stoffen toegevoegd:

schaaltje 1: drie plantjes op de voedingsoplossing;
schaaltje 2: drie plantjes op de voedingsoplossing, waaraan bovendien gelijke hoeveelheden van de stoffen P en Q zijn toegevoegd;
schaaltje 3: drie plantjes op de voedingsoplossing, waaraan alleen eenzelfde hoeveelheid van stof P is toegevoegd als aan schaaltje 2;
schaaltje 4: drie plantjes op de voedingsoplossing, waaraan alleen eenzelfde hoeveelheid van stof Q is toegevoegd als aan schaaltje 2.

De vier schaaltjes worden enkele dagen weggezet. Hierna zien ze er uit zoals in de tekeningen is weergegeven.

Welke van de onderstaande conclusies uit dit experiment zou juist kunnen zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Ionen in sap van houtvaten.
Zie figuur B 170 van de bijlage.

Bij een tomatenplant werd op drie plaatsen (zie tekening) de ionenconcentratie van het sap in de houtvaten bepaald. Daarbij bleek dat de ionenconcentratie in de houtvaten van de bladnerf het laagst was (zie het diagram in figuur B 170).

Het verschil in ionenconcentratie tussen een houtvat in de bladnerf (3) en een houtvat in de stengel wordt veroorzaakt door

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Planten en sulfaat.

Planten hebben sulfaat nodig voor een gezonde groei. Iemand wil dit met een experiment aantonen. Daarbij heeft zij de beschikking over pas ontkiemde haverplanten en vier series reageerbuizen die het volgende bevatten:

1. serie 1: gedestilleerd water;
2. serie 2: gedestilleerd water, met daarin opgelost alleen sulfaat;
3. serie 3: een volledige voedingsoplossing;
4. serie 4: een oplossing waaraan sulfaat ontbreekt, maar die verder een volledige voedingsoplossing is.

In welke buizen zal zij tenminste haverplanten moeten kweken om aan te tonen dat haverplanten sulfaat nodig hebben om goed te groeien?

Plantenfysiologie

Stikstof in plant.

Alle planten hebben een hoeveelheid stikstof nodig.

Deze stikstof wordt door de meeste planten verkregen

Plantenfysiologie

Zwavel in planten.

Het element zwavel komt in planten vooral voor in eiwitten en vrije aminozuren. De hoeveelheid zwavel per volume-eenheid verschilt per plantendeel. Op een zomerse dag in Nederland worden monsters genomen van de volgende delen van een boom: cambium, epidermis, houtvaten en sponsparenchym. In deze monsters wordt de hoeveelheid zwavel per volume-eenheid bepaald.

In welk van deze monsters is de hoeveelheid zwavel per volume-eenheid het grootst?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Planten en magnesium.

In een kas blijken bladcellen van de daar gekweekte tomatenplanten een tekort aan magnesiumionen te hebben, waardoor de productie van chlorofyl in de bladeren is verminderd. De kweker kan een beginnend tekort aan magnesium tegengaan door een magnesiumoplossing op de bladeren te spuiten. De magnesiumionen uit de oplossing gaan door de cuticula heen en komen dan in de bladcellen terecht.

Worden de magnesiumionen in de cuticula van de bladeren getransporteerd door middel van actief transport, door diffusie of door osmose?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Planten en magnesium.
Zie figuur B 3713 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een dwarsdoorsnede van een blad van een tomatenplant getekend. Drie celtypen zijn aangegeven met P, Q en R.

In welk van de celtypen P, Q en R wordt magnesium vooral gebruikt voor de productie van chlorofyl?

afbeeldingafbeelding