Ecologie en gedrag
5/5 De naakte molrat.
Citeer uit de tekst een sleutelprikkel en vermeld de reactie die daarop volgt.
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
5/5 De naakte molrat.
Citeer uit de tekst een sleutelprikkel en vermeld de reactie die daarop volgt.
1/4 Bij een sloot.
Zie figuur C 136 van de bijlage.
Aan de rand van een sloot komen onder andere de volgende organismen voor: blauwe reigers, groene kikkers, muggen, struiken en wantsen.
Deze organismen vormen samen een voedselweb. Zie de afbeelding; de organismen zijn niet allemaal op dezelfde schaal getekend.
Door een ziekte neemt het aantal blauwe reigers af. Korte tijd later vermindert ook het aantal van een van de andere organismen die hierboven genoemd zijn.
Welke organismen zijn dat? Licht je antwoord toe.
afbeelding
2/4 Bij een sloot.
Zie de figuren C 136 en B 2277 van de bijlage.
Een blauwe reiger (zie de afbeelding C 136) staat op zijn lange poten aan de rand van de sloot langdurig onbeweeglijk naar het water te kijken. Plotseling flitst zijn kop naar voren in de richting van een rimpeling van het water. De kop komt weer uit het water te voorschijn en de reiger slokt een kikker naar binnen.
Zie figuur B 2268 van de bijlage.
In het ecosysteem rond de sloot komt ook een buizerd voor. Deze vliegt hoog en zoekt al zwevend zijn prooi (zie de afbeelding B 2268).
Bij beide dieren past de lichaamsbouw bij hun voedselzoekgedrag.
Noem van een blauwe reiger twee kenmerken van de lichaamsbouw die duidelijk verschillen van die van de buizerd. Licht bij elk kenmerk toe welk voordeel de reiger ervan heeft bij het zoeken naar voedsel. Schrijf je antwoord in een schema zoals hieronder.
Kenmerk 1: ......
Toelichting bij kenmerk 1 van de blauwe reiger: ......
Kenmerk 2: ......
Toelichting bij kenmerk 2 van de blauwe reiger: ......
afbeelding
afbeelding
3/4 Bij een sloot.
In de tekst over het voedselzoekgedrag van de reiger zijn een uitwendige prikkel en de respons hierop genoemd.
Neem onderstaande zinnen over op je antwoordblad en maak ze daar af.
De prikkel voor de reiger is: ......
De respons hierop van de reiger is: ......
4/4 Bij een sloot.
In een onderzoek wil men nagaan welke biotische factoren van invloed zijn op de grootte van de populatie reigers in het waterrijke gebied waartoe de sloot behoort.
Welke van de volgende gegevens hoeft men niet te gebruiken?
1/4 Konikpaarden in de Millingerwaard.
Zie figuur B 3104 van de bijlage.
In het natuurgebied de Millingerwaard ten oosten van Nijmegen leven tweeënveertig konikpaarden. De konikpaarden werden door Stichting Ark uit Polen gehaald. Polen is de enige plek in Europa waar deze paarden nog in het wild leven. De uiterwaarden van de grote rivieren zijn geschikte plekken voor deze grote planteneters omdat ze door hun voedselkeuze bijdragen aan het ontstaan van een afwisselend gebied met bos, grasland en struikgewas. De dieren zorgen voor open plekken in het bos door bijvoorbeeld de bast en takken van populieren en wilgen te verorberen. Even verderop grazen ze het gras kort. Door het eetgedrag van de konikpaarden wordt ook een grote diversiteit aan diersoorten in stand gehouden.
Leg uit hoe de konikpaarden bijdragen aan deze diversiteit in diersoorten.
afbeelding
2/4 Konikpaarden in de Millingerwaard.
Zie figuur B 3826 van de bijlage.
De paarden leven in haremgroepen. Een haremgroep bestaat uit een leidhengst, een aantal merries, veulens en jaarlingen (pubers). De leidhengst houdt solitaire (alleen levende) hengsten op afstand van de harem. Een van de manieren om zijn gezag te laten gelden is door in de buurt van een solitaire hengst een mesthoop te leggen waaraan de leidhengst uitvoerig gaat ruiken (zie de afbeelding). Vaak druipt de solitaire hengst dan af, maar soms ook niet.
Twee leerlingen willen dit verschil in gedrag tussen de solitaire hengsten verklaren.
Leerling 1: Het verschil kan ontstaan doordat voor de solitaire hengsten de sleutelprikkel voor 'afdruipgedrag' verschillend is.
Leerling 2: Het verschil kan ontstaan doordat bij de solitaire hengsten de motivatie voor 'afdruipgedrag' verschillend is.
Welke leerling doet of welke leerlingen doen een juiste uitspraak?
afbeelding
3/4 Konikpaarden in de Millingerwaard.
Zie figuur B 3827 van de bijlage.
afbeelding
Een gevaar voor de konikpaarden is inteelt. Met name in natuurgebieden met maar één haremgroep is dit gevaar aanwezig. Stichting Ark haalt daarom in deze natuurgebieden veulens voor de puberleeftijd uit de groep en brengt ze naar een ander natuurgebied. De ervaringen in de Millingerwaard, waar verschillende haremgroepen rondtrekken, wijzen uit dat de konikpaarden instinctmatig inteelt vermijden. De hengsten dekken hun eigen dochters niet en zonen dekken hun moeder niet.
Onderzoekers vermoedden dit al naar aanleiding van gedragsobservaties en zagen dat bevestigd na DNA-onderzoek. Men maakt hierbij zogenaamde DNA-fingerprints. Deze techniek maakt gebruik van kleine stukjes DNA, die op een gelatinelaag worden aangebracht. Onder invloed van elektrische spanning bewegen en scheiden deze DNA-fragmenten. Afhankelijk van de omvang van het DNA-fragment, beweegt dit sneller of minder snel, waardoor de DNA-fragmenten gescheiden worden. Met deze DNA-fingerprints worden verschillen tussen het DNA van de diverse dieren duidelijk gemaakt.
Zie volgende scherm
4/4 Konikpaarden in de Millingerwaard.
Zie figuur B 3827 van de bijlage.
In de afbeelding staan DNA-fingerprints van bepaalde stukjes DNA van drie verschillende paarden uit één haremgroep.
Vergelijk de DNA-fingerprint van het veulen van de dochter met dat van de dochter van de leidhengst en met dat van de leidhengst.
Leg uit waardoor men op grond van deze vergelijking tot de conclusie komt dat de leidhengst zijn eigen dochter niet dekt.
afbeelding
1/4 Het leven van kleine waterdieren.
Zie figuur B 4362 van de bijlage.
Kleine waterdieren, zoals watervlooien (zie de afbeelding) kunnen zich vrij door het water bewegen. Soms is dit een willekeurige, soms een gerichte beweging. Ecologen willen onderzoeken waardoor kleine waterdieren zich met een bepaalde gerichte beweging verplaatsen.
Als de zuurstofconcentratie te laag wordt, gaan watervlooien op zoek naar een plek met meer zuurstof.
Gebleken is dat, als er zuurstofgebrek optreedt, de dieren niet in staat zijn zich te richten naar een plek met een hogere zuurstofconcentratie, maar naar een gebied zwemmen met een hogere lichtintensiteit, het wateroppervlak. Hier is de zuurstofconcentratie meestal hoger.
Met welke term uit de ethologie zou je het gedrag van de watervlooien kunnen omschrijven als zij op willekeurige wijze op zoek zouden gaan naar plekken met een hogere zuurstofconcentratie?
afbeelding
2/4 Het leven van kleine waterdieren.
Leg uit waardoor er vlak onder het wateroppervlak meestal meer zuurstof aanwezig is dan in de diepere lagen van het water.
3/4 Het leven van kleine waterdieren.
Zie figuur A 990 van de bijlage.
De watertemperatuur is een abiotische factor. Die beïnvloedt in hoge mate de groeisnelheid van de populatie watervlooien.
In de afbeelding zijn twee optimumcurven getekend.
Curve A geeft de relatie aan tussen de watertemperatuur en het aantal dagen dat de volwassen vrouwtjes nakomelingen produceren.
Curve B geeft de relatie aan tussen de watertemperatuur en het gemiddeld aantal jongen dat een volwassen vrouwtje, gedurende het aantal dagen dat het vrouwtje jongen krijgt, per dag produceert.
Bepaal met behulp van een berekening welke van de twee optimumtemperaturen van bovenstaande curven het gunstigst is voor het voortbestaan van de populatie.
afbeelding
4/4 Het leven van kleine waterdieren.
Zie figuur B 4363 van de bijlage.
Behalve watervlooien werden ook vlokreeften, Gammariden, uitvoerig onderzocht. Vlokreeften (zie de afbeelding) zien er allemaal vrijwel hetzelfde uit. Alleen specialisten kunnen de verschillende soorten van elkaar onderscheiden. Maar in hun aanpassing aan verschillende milieuomstandigheden zijn er grote onderlinge verschillen tussen de vlokreeften. Sommige zijn aangepast aan de omstandigheden in zee en hebben een hoge interne osmotische waarde, andere zijn aangepast aan brak water, en weer andere aan zoet water. Die aanpassingen betreffen vooral de water- en zouthuishouding van deze dieren.
Een vlokreeft die in zout water leeft, wordt naar zoet water gebracht.
Wat zal deze vlokreeft doen om zijn osmotische waarde op peil te houden?
afbeelding
Een schimmel op een boomstronk.
Bij een schimmel die op een boomstronk groeit, verloopt in verband met de voeding een aantal processen:
1. aminozuren worden opgebouwd tot proteïnen;
2. het voedsel wordt in de schimmeldraden opgenomen;
3. de schimmeldraden scheiden enzymen af;
4. onoplosbare voedingsstoffen worden veranderd in oplosbare voedingsstoffen.
In welke volgorde volgen de processen elkaar op?
1/3 Algen in zee.
Zie figuur B 2113 van de bijlage.
In de bovenste 100 m van de Noordzee varieert het gehalte aan algen met de seizoenen. Dit is weergegeven in het diagram van de afbeelding. In hetzelfde diagram is de concentratie nitraationen ( NO3
-
) in dat zeewater weergegeven. Nitraationen zijn voor algen onder normale omstandigheden niet giftig.
In de eerste helft van de lente gaat toename van het gehalte aan algen gepaard met afname van de concentratie nitraationen.
Leg uit door welke verandering in de lente het gehalte aan algen in zee toeneemt waardoor dit leidt tot een afname van de concentratie nitraationen.
afbeelding
2/3 Algen in zee.
Zie figuur B 2113 van de bijlage.
Leg met behulp van de gegevens in het diagram van de afbeelding uit dat de concentratie nitraationen in de winter zeer waarschijnlijk geen beperkende factor is voor de groei van algen.
afbeelding
3/3 Algen in zee.
Zie figuur B 2113 van de bijlage.
In een experiment wordt de invloed van verschillende factoren op het gehalte aan algen onderzocht. Twee bakken worden in de winter op tijdstip P (zie de afbeelding) gevuld met water uit de Noordzee. Het water in bak 1 wordt gesteriliseerd en dat in bak 2 niet. Aan het water in beide bakken wordt een kleine en gelijke hoeveelheid algen toegevoegd. Beide bakken staan buiten naast elkaar. In de daaropvolgende lente wordt op tijdstip 0 het gehalte aan algen in beide bakken bepaald. In bak 1 blijkt het gehalte aan algen hoger dan in bak 2.
Geef hiervoor een verklaring.
afbeelding
1/3 Korstmossen.
Zie de figuren B 1429 en B 1430 van de bijlage.
Korstmossen zijn geen mossen, maar 'dubbelorganismen' opgebouwd uit een schimmel en een wier. De afbeelding geeft een doorsnede van een deel van een korstmos weer. De draden van de schimmel nemen stoffen op uit de ondergrond, in de wieren vindt fotosynthese plaats. De wieren planten zich voort door deling. De schimmels planten zich voort door vorming van sporen. Na samenkomst van een schimmelspore met een bijpassende wiercel kan het geheel uitgroeien tot een korstmos. Er kunnen ook broedkorrels worden gevormd. Dit zijn wiercellen omgeven door enkele schimmeldraden.
Zie figuur B 1430 van de bijlage.
In de afbeelding zijn drie schema's getekend.
Welk van deze schema's geeft de uitwisseling van anorganische en organische stoffen tussen schimmel en wier in een korstmos het beste weer?
afbeelding
afbeelding
2/3 Korstmossen.
Neemt de hoeveelheid organische stof, van een korstmos sneller toe in het donker of in het licht of heeft de belichting hierop geen invloed wanneer andere factoren optimaal zijn?
3/3 Korstmossen.
In de tekst wordt gesproken over broedkorrels en over de samenkomst van een schimmelspore met een wiercel.
Welk van deze processen is of welke zijn te beschouwen als geslachtelijke voortplanting?