Deze oefentoets bevat 22 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
22
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VWO 4, VWO 5, VWO 6
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Osmose-diffusie
1/2 Concentraties.
In een verse aardappel bevindt zich vocht tussen de cellen: intercellulair vocht.
Is de concentratie van opgeloste stoffen in het intercellulaire vocht van deze aardappel lager dan, gelijk aan of hoger dan die in het vacuolevocht?
Osmose-diffusie
2/2 Concentraties.
Ook bij een mens bevindt zich vocht tussen de cellen: weefselvocht.
Is de concentratie van eiwitten in het weefselvocht lager dan, gelijk aan of hoger dan die in het bloedplasma?
Osmose
Twee oplossingen & een semi-permeabel vlies. Zie figuur B 91 van de bijlage.
Twee oplossingen worden gebracht in de ruimten P en Q die gescheiden zijn door een semi-permeabel vlies (zie schema). Dit vlies is wrijvingsloos verplaatsbaar, zoals aangegeven door de pijltjes.
Welke verandering gaat nu optreden? Waardoor wordt tenslotte een evenwichtstoestand bereikt? afbeelding
-
afbeelding
Osmose
Plantaardig of dierlijk weefsel. Zie figuur B 2503 van de bijlage.
Twee buizen bevatten elk een stukje van hetzelfde rood gekleurde weefsel. Buis 1 bevat een NaCl-oplossing van 0,01 M en buis 2 van 0,50 M. De vloeistof in buis 1 wordt na enige tijd roze; die in buis 2 blijft kleurloos.
Is het weefsel afkomstig van een plantaardig of van een dierlijk organisme? Welk stukje weefsel is na enige tijd het donkerst gekleurd?
afbeelding
afbeelding
Diffusie
1/3 Diffusiewet van Fick.
Trilhaardiertjes bewegen zich voort in water.
Daarmee veranderen ze met betrekking tot de zuurstofopname in gunstige zin de waarde van een variabele in de wet van Fick:
D = C.(P1
-P2
).O/d
De waarde van welke variabele veranderen de pantoffeldiertjes?
Diffusie
2/3 Diffusiewet van Fick.
Als een krokodil in plaats van één kamer twee gescheiden hartkamers zou bezitten, welke variabele zou hij daarmee dan in gunstige zin veranderen in onderstaande wet van Fick?
D = C.(P1
-P2
).O/d
Diffusie
3/3 Diffusiewet van Fick.
Een duiker maakt gebruik van een snorkelbuis.
Welke variabele zou hij daarmee in ongunstige zin veranderen in onderstaande wet van Fick?
D = C.(P1
-P2
).O/d
Diffusie
Diffusiesnelheid.
De diffusiesnelheid van een stof is afhankelijk van een aantal grootheden die met elkaar in verband zijn gebracht in de wet van Fick. In die wet is:
D de hoeveelheid per tijdseenheid verplaatste stof; (C1
-C2
) het verschil in in concentratie van de diffunderende deeltjes in twee ruimtes; l de diffusieweg; O het oppervlak waardoor de diffusie plaatsvindt; K de diffusieconstante.
Wat is de juiste samenhang van deze grootheden?
Osmose
Osmose. Zie figuur B 5064 van de bijlage.
Celmembranen hebben semipermeabele membranen kenmerken, wat osmotische verschijnselen tot gevolg heeft. Om dit te onderzoeken heeft een student een U-vormige buis in het midden gescheiden door een semi-permeabel membraan (zie afbeelding hiernaast). Aan één kant van het membraan wordt de buis met 30 ml van een 1M glucose oplossing gevuld (R). De andere kant van de buis wordt met 30 ml van een 1M NaCl-oplossing gevuld (S). Na enkele uren kijkt de student naar de opstelling.
Wat neemt hij waar aan de hoogte van de vloeistofkolom van R en S?
afbeelding
Osmose
Twee waterige oplossingen.
Een waterige oplossing van 1 mol glucose heeft t.o.v. een waterige oplossing van 1 mol CuSO4
Osmose
Twee osmometers. Zie figuur B 5065 van de bijlage.
In elk van twee identieke osmometers en de daarbij behorende bekerglazen brengt men op tijdstip t = 1 een gelijk aantal ml van oplossingen van dezelfde stof. Op tijdstip t = 2 ziet men de hiernaast afgebeelde situaties, waarbij c de concentratie aangeeft.
Wat geldt met betrekking tot de concentraties van de oplossingen in de osmometers en/of de bekerglazen op tijdstip t = 2?
afbeelding
Osmose
Een proefopstelling met een membraan. Zie figuur B 5066 van de bijlage.
In nevenstaande proefopstelling zijn de compartimenten I en II gescheiden door een semipermeabel membraan. Men vult compartiment I met een 1,0% glucose-oplossing en compartiment II met een 1,0% zetmeeloplossing. Bij het begin van het experiment is het vloeistofniveau in I even hoog als in II.
Wat zal er vervolgens gebeuren?
afbeelding
Osmose
Twee erlenmeyers.
Men heeft twee erlenmeyers: één met 10 gram suiker in 100 ml water en één met 10 gram zetmeel in 100 ml water.
Welke uitspraak over de vloeistoffen in de twee erlenmeyers is juist?
Osmose
Osmometer.
In een osmometer, waarvan de membraan alleen doorlatend is voor water, bevindt zich een 1% Naoh-oplossing en buiten de osmometer bevindt zich een 1% KOH-oplossing. De atoommassa van H = 1, van O = 16, van Na = 23 en van K = 39.
Onmiddellijk na het inzetten zal in deze opstelling
Diffusie
Roodkleuring. Zie figuur B 5090 van de bijlage.
In nevenstaande proefopstelling wordt de inhoud van de reageerbuis gaandeweg steeds verder naar boven rood gekleurd.
Het voortschrijden van de verkleuring is een maat voor de snelheid
afbeelding
Osmose
Honing en micro-organismen.
De meeste voedingsmiddelen die je buiten de koelkast bewaart bederven snel door groei van bacteriën of schimmels. Maar op honing groeien deze micro-organismen niet goed.
Hoe komt dat?
Bier brouwen
Bier brouwen.
In een folder staat de volgende tekst:
Tekst: Om bier te brouwen is het onder andere nodig suiker om te zetten in alcohol en koolstofdioxide. Gistcellen zorgen dat deze omzetting ook werkelijk plaatsvindt. Als er niet genoeg suiker in het water zit, gaat het niet. Met een bepaalde hoeveelheid suiker lukt het wel en hoe meer suiker er is, hoe sneller dit proces verloopt. Ook geldt: hoe warmer hoe meer er wordt omgezet. Maar al te warm is weer niet goed, want dan sterven de gistcellen. Ook de hoeveelheid zuurstof is belangrijk. Maar daarvoor geldt juist: hoe minder zuurstof hoe beter.
Noem twee oorzaken, die niet in de tekst zijn genoemd, waardoor de uitspraak "hoe meer suiker er is, hoe sneller dit proces verloopt" niet altijd juist is.
Diffusie
Bloed.
De hoeveelheid zuurstof die per tijdseenheid tussen twee plaatsen diffundeert, is onder andere afhankelijk van de volgende drie factoren:
1. de lengte van de diffusieweg tussen die plaatsen, 2. de grootte van het oppervlak waar doorheen diffusie plaatsvindt, 3. de zuurstofconcentratie op beide plaatsen.
In de haarvaten in de longen blijkt per tijdseenheid meer zuurstof door het celmembraan van een rood bloedlichaampje te diffunderen dan door het celmembraan van een evengrote witte bloedcel.
Door welke van de genoemde factoren wordt dit verschil vooral veroorzaakt?