Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5 - variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

3/3 Helgoland.

De 'Lummensprung' is erfelijk vastgelegd. Toch zijn er jongen die niet meteen springen. Pas als zij anderen zien springen, gaan ze ook.

Welk leerproces speelt bij deze koeten blijkbaar ook nog een rol?

Gedrag

1/2 Koekoek.
Zie figuur B 2298 van de bijlage.

Koekoeken zijn broedparasieten. Dat wil zeggen dat het vrouwtje een ei legt in het nest van een andere soort, bijvoorbeeld van een roodborstje. De eieren of kleine jongen van deze andere vogelsoort worden door de pasgeboren, nog blinde koekoek uit het nest geduwd (zie de afbeelding, links). De vogel die het nest heeft gemaakt, treedt daarna op als pleegouder voor de jonge koekoek (zie de afbeelding, rechts).
Een koekoekvrouwtje legt haar eieren altijd in nesten van de pleegoudersoort waardoor zij zelf is grootgebracht.

Door welk leerproces leren koekoeken welke soort als hun pleegouder is opgetreden?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Koekoek.

Wat zou de sleutelprikkel voor een koekoeksjong kunnen zijn om een ei of ander jong uit het nest te duwen?

Gedrag

1/5 Pinguïns.

Tekst:
Van de buitenkant is een pinguïn een pinguïn: een koddig beest met twee platvoeten, twee flippertjes en een vooral zwart-wit gekleurd verenkleed. Rode of roze snavels en bij sommige soorten leuke, punkige gele kuifjes voegen opvallende kleuraccenten toe. Van de huidige zeventien soorten pinguïns leven er maar twee uitsluitend op het Antarctische continent. De andere soorten bewonen vooral de vele eilanden en eilandjes in de zuidelijke wateren en de zuidelijke delen van Amerika, Afrika, Australië en Nieuw- Zeeland. Ondanks de grote uiterlijke gelijkenis vertonen de soorten grote verschillen in gedrag. Zo heeft iedere soort zijn eigen baltsgedrag.
Ook zijn er grote verschillen in broedgedrag. Slechts twee soorten broeden solitair (de Geeloogpinguïn en de Fiordlandpinguïn), de overige vijftien soorten doen dat in kolonieverband. Bij de Ezelspinguïn zijn zulke kolonies nog relatief klein, tot ca. 100 broedparen, maar bij onder andere de Koningspinguïn en de Macaronipinguïn kunnen de kolonies uit meer dan honderdduizend paren bestaan. Als de eieren zijn uitgekomen, is de zorg nog niet voorbij. Sommige soorten, onder andere de Konings- en de Keizerspinguïn, kennen crèches met vele duizenden jongen. De jongen staan in deze crèches dicht tegen elkaar.

bewerkt naar: Jelle Reumer, Crèche in de vrieskou, NRC Handelsblad, 23 oktober 1999

Iemand meent het gedrag waarbij de jongen in de crèches dicht tegen elkaar aan staan, te kunnen verklaren door te zeggen: "Het is gezelliger voor de pinguïns om zo dicht tegen elkaar aan te staan."

Leg uit waarom zo'n verklaring in de gedragsleer niet acceptabel is.

Gedrag

2/5 Pinguïns.

Noem een voordeel dat de jongen hebben door zo dicht tegen elkaar aan te staan.

Gedrag

3/5 Pinguïns.

Iedere soort heeft zijn eigen baltsgedrag.

Wat is de functie van dit verschil in baltsgedrag?

Gedrag

4/5 Pinguïns.

De pinguïnouders zorgen ervoor dat het voedsel dat ze meenemen, alléén terechtkomt bij hun eigen jongen.

Wat is het gevolg van dit bevoordelen van eigen jongen? Wat is de functie van dit gedrag voor de soort?

Gedrag

5/5 Pinguïns.
Zie figuur B 3612 van de bijlage.

In de afbeelding zie je een tekening van de 'waggelpas'; dit is een onderdeel van het paringsritueel.

Met welke algemene term benoemen biologen een 'onderdeel' uit het gedrag van een dier, zoals deze waggelpas?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/2 Stekelbaars.
Zie figuur B 2133 van de bijlage.

Bij stekelbaarsjes zorgt het mannetje voor het nest met de eieren (zie de afbeelding). Hij waaiert met zijn borstvinnen voor de ingang van het nest waarin de eieren liggen. Daardoor wordt het water in het nest ververst. Als men de eieren uit het nest verwijdert, houdt het mannetje op met waaieren.
Voor de verklaring van dit gedrag heeft men de volgende hypothese:

De prikkel voor dit waaieren is de verhoging van het koolstofdioxidegehalte van het water in de directe omgeving van het nest.

Om te onderzoeken of deze hypothese juist is, wordt een aantal experimenten uitgevoerd.

Experiment 1: Men plaatst een bekerglas over het nest met eieren. Na enige tijd wordt dit bekerglas weer verwijderd.
Experiment 2: Men verwijdert de eieren uit het nest en legt daarvoor in de plaats een stof die bij het oplossen een verhoging van het koolstofdioxidegehalte veroorzaakt.

Steeds wordt nagegaan of het stekelbaarsmannetje meer of minder gaat waaieren voor de ingang van het nest.

Welk gedrag van het stekelbaarsmannetje zal waarschijnlijk optreden na het plaatsen van het bekerglas over het nest?
En welk gedrag na het weer verwijderen van het bekerglas als de hypothese juist is?

gedrag na het plaatsen: ....
gedrag na het verwijderen: ....

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Stekelbaars.

Het broedgedrag van een stekelbaarsmannetje wordt bepaald door een aantal factoren. Met behulp van experiment 2 wordt uitgesloten dat een andere factor dan het koolstofdioxidegehalte de prikkel is die het mannetje aanzet tot waaieren.

Noem één van de andere factoren die door middel van experiment 2 wordt uitgesloten.

Gedrag

1/4 Een vreemde vogel op de Molukken.
Zie figuur B 2931 van de bijlage.
Zie figuur B 2932 van de bijlage.

Tekst:
Het Moluks grootpoothoen (Eulipoa wallacei) is een bijzondere vogel. De wijfjes van deze soort broeden niet, maar graven een gat in een zandachtige bodem. Daar leggen ze hun ei in en gooien daarna het gat weer dicht. Ze bekommeren zich verder niet om het ei; het warme zand zorgt voor goede ontwikkelingskansen. De ontwikkelingstijd tot kuiken is circa 80 dagen. Het kuiken drukt de eischaal kapot en graaft zich met de pootjes een weg naar boven. Dat gebeurt in een rustig tempo. Het kuiken heeft veel vet opgeslagen in het lichaam.
Naar deze vogel werd onderzoek gedaan in een broedkolonie op het Molukse eiland Haruku. Dit eiland vormt samen met het eiland Halmahera het laatste toevluchtsoord waar het grootpoothoen eieren kan leggen.
De vrouwtjes op Haruku komen van het eiland Seram. Ze vliegen ‘s nachts naar Haruku en graven daar hun ei in, op heldere nachten wel tot een meter diep, bij bewolkte hemel soms maar tot 20 cm. In het laatste geval is de kans groot dat het ei wordt uitgegraven door de lokale bevolking of door dieren.
Een diepte van 60 cm blijkt uit proeven de optimale diepte voor de ontwikkeling van het kuiken.
Mannetjes van het grootpoothoen worden op Haruku niet waargenomen.
De vogels op Halmahera komen niet van Seram, zij verblijven voortdurend op Halmahera.

Worden de grootpoothoenders die op Haruku worden aangetroffen tot een aparte populatie gerekend? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Een vreemde vogel op de Molukken.

Helder maanlicht stimuleert het graafgedrag van het grootpoothoen.

Geef de biologische term voor de inwendige factor die blijkbaar door het maanlicht versterkt wordt.

Gedrag

3/4 Een vreemde vogel op de Molukken.

Het komt voor dat een jong door eierzoekende Molukkers wordt uitgegraven. Als het jong niet wordt teruggezet, gaat het echter altijd snel dood.
Een onderzoeker vroeg zich af hoe dat kwam en formuleerde de hypothese dat het jong door zijn klimpartij belangrijke spiergroepen ontwikkelt.

Van welke stof zou in de kuikens de hoeveelheid sterk moeten toenemen, als de hypothese van de onderzoeker correct is?

Gedrag

4/4 Een vreemde vogel op de Molukken.

Het is mogelijk dat het graafgedrag van het grootpoothoen al lang bestaat en overeenkomt met dat van reptielachtige voorouders van de vogels. Het is ook mogelijk dat het graafgedrag een moderne aanpassing is aan bepaalde omstandigheden in de evolutie van vogels.

Leg uit waardoor vogels die hun eieren begraven een mogelijk selectievoordeel hebben ten opzichte van vogels die broeden.

Gedrag

1/4 Betty en Abel.
Zie figuur B 3853 van de bijlage.

In 1996 ontdekte Gavin Hunt, een gedragsbioloog, dat de Nieuw-Caledonische kraai diverse soorten gereedschap, waaronder haakvormige, gebruikt om zijn prooi uit voor de snavel onbereikbare plekken te vissen. Het is niet duidelijk of dit gedrag erfelijk is.

Leg uit hoe dit gedrag binnen een soort toch kan blijven voorkomen ondanks dat dit niet erfelijk is.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Betty en Abel.

Stel dat dit gedrag om voorwerpen te gebruiken wel erfelijk is, en stel dat veel Nieuw-Caledonische kraaien dit gedrag vertonen.

Leg uit hoe dit gedrag dan is ontstaan.
Leg uit hoe dit gedrag zich dan na vele generaties over vrijwel de hele populatie kraaien heeft verspreid.

Gedrag

3/4 Betty en Abel.
Zie figuur B 3812 van de bijlage.

Oxfordse onderzoekers werden nieuwsgierig door de waarnemingen van Gavin Hunt. De onderzoekers wilden in hun laboratorium testen of de kraaien echt begrijpen wat ze doen als ze gereedschap gebruiken.
Voor de test gebruikten de onderzoekers twee in het wild gevangen Nieuw-Caledonische kraaien, het mannetje Abel en het vrouwtje Betty. Als probleem zetten ze een emmertje voedsel met een hengsel in een plastic buis in een waterbad (zie de afbeelding). De kraaien kregen vervolgens de keus tussen een rechte stok en een stok met een haak aan het uiteinde. Na bestudering van de buis met de emmer kozen de kraaien voor het gereedschap met de haak en haalden daarmee feilloos het emmertje uit de buis.

Welke vorm van leerproces lijkt hier volgens de tekst op te treden?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

4/4 Betty en Abel.

Betty bleek zelfs in staat om zelf een ijzerdraadje te buigen tot een haak. Keer op keer boog ze een rechte draad tot haak om hiermee vervolgens het emmertje met voedsel omhoog te halen. Abel deed dit niet. Hij bekeek rustig wat Betty deed om vervolgens de gebogen draad te stelen.
Twee leerlingen trekken naar aanleiding van deze waarnemingen conclusies.

Leerling 1 zegt: "Alleen de vrouwtjes van de Nieuw-Caledonische kraai zijn in staat om gereedschappen te maken."
Leerling 2 zegt: "Het feit dat Betty de haak maakt is een voorbeeld van een rolpatroon."

Wie trekt of wie trekken een juiste conclusie?

Gedrag

1/3 Gedrag bij ratten.
Zie figuur B 2239 van de bijlage.

Bij een onderzoek naar het gedrag van ratten wordt een rat geplaatst in een speciale kooi, de Skinnerbox (zie de afbeelding). In deze kooi zit een hefboom. Wanneer de rat daarop drukt, komt er een brokje voedsel te voorschijn. Na verloop van tijd kan de rat die hefboom bedienen. Wanneer een rat voor het eerst in een Skinnerbox wordt geplaatst, kan het uren duren voordat hij toevallig op de hefboom drukt.

Van welk type leerproces is sprake bij de rat in de Skinnerbox?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 Gedrag bij ratten.
Zie figuur B 2240 van de bijlage.

In de afbeelding zijn twee parende ratten weergegeven. De houding die de vrouwelijke rat aanneemt wordt de acceptatiehouding genoemd. Ze neemt die houding alleen aan wanneer bij haar eicellen bevrucht kunnen worden en wanneer het mannetje met zijn voorpoten tegen haar flanken drukt. Alleen als zij de acceptatiehouding aanneemt, is een paring mogelijk.
In de teksten worden twee gedragingen beschreven:

1. het herhaaldelijk drukken op de hefboom in de Skinnerbox,
2. het aannemen van de acceptatiehouding door de vrouwelijke rat.

Wat is de motiverende factor voor gedrag 1?
En wat is de motiverende factor voor gedrag 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding