Oefentoets Biologie: Ecologie - relaties | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze digitale toets over ecologische relaties en competitie richt zich op studenten biologie en behandelt onderwerpen zoals de concurrentie tussen vinkensoorten, de invloed van prooidieren en predatoren, en de interacties tussen verschillende organismen in ecosystemen. Test je kennis en begrip van deze belangrijke concepten in de ecologie! - 13 vragen

Aantal vragen

13

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Concurrentie tussen vinkensoorten op eiland

Competitie.

Twee zaadetende vinkensoorten leven op dezelfde eilandengroep. Soort P heeft een grote stevige bek en eet vooral zaden tussen de 10 en 50 mm. Soort Q heeft een kleinere bek en eet alleen zaden tussen 2 en 20 mm.
Men onderscheidt interspecifieke concurrentie (tussen verschillende soorten) en intraspecifieke concurrentie (binnen de eigen soort).
Op een van de eilanden varieren de zaden in grootte tussen de 10 en 30 mm.

Is op dit eiland bij de vinkenpopulaties alleen sprake van interspecifieke concurrentie, van intraspecifieke concurrentie of van beide?

Er is sprake van .

Invloed van prooidieren en predatoren

Prooidieren en predatoren.
Zie figuur B 5232 van de bijlage.

Nevenstaande figuur heeft betrekking op de wederzijdse invloed van prooidieren en predatoren op elkaar. (+ = vergroting, - = verkleining van de populatiegrootte).

Wat moet er in vakje 3 worden ingevuld?

afbeeldingafbeelding

Ecologische Relaties en Competitie

1/2 Relaties.

In de tabel hieronder over ecologische relaties tussen organismen van verschillende soorten, betekent + een voordeel voor een organisme, - een nadeel en 0 betekent geen effect.
De eerste relatie is al geïdentificeerd als mutualisme, een relatie waarbij beide organismen voordeel hebben.
afbeeldingafbeelding

Welke relatie stelt competitie voor?

Relatie

Relaties en hun frequentie

2/2 Relaties.

afbeeldingafbeelding

Welke relatie komt het minst of helemaal niet voor?

Dat is relatie .

Relatie tussen mieren en bladluizen

Mieren en bladluizen.

Bepaalde soorten mieren bewaken planten waarop bladluizen zich voeden. Daardoor worden predatoren geweerd die zich met de bladluizen voeden. Die bladluizen scheiden een zoet sap af waarmee de mieren zich voeden.

Welke term is van toepassing op de relatie tussen mieren en bladluizen?

Concurrentie tussen ratten om bessen

Bosratten.

In een bos komen twee soorten ratten voor, die concurreren om een bepaald type bessen. De ratten vechten en verwonden elkaar.

Welke conclusie over de bessen is of welke conclusie zijn juist?

Dichtheids-onafhankelijke effecten in ecosystemen

Een dichtheids-onafhankelijk effect.

Welke van de onderstaande voorbeelden betreft een dichtheids-onafhankelijk effect?

Relatie tussen zeesterren en mosselen

Zeesterren en mosselen.

De zeester Pisaster ochraceous is een veel voorkomende predator in de rotsige getijdengebieden langs de Pacifische kust van Noord-Amerika. De zeester voedt zich voornamelijk met de mossel Mytilus californianus. Bij afwezigheid van de zeester is deze mossel zeer dominant aanwezig, waarbij hij andere soorten wegconcurreert.

Welke bewering over de relatie van het aantal van de in het getijdengebied aanwezige soorten is juist?

Leefstrategieën van Planten

Leefstrategieën.
Zie figuur B 5268 van de bijlage.

De figuur hiernaast toont leefstrategieën voor drie soorten planten (a, b, c) volgens drie assen: mate van competitie met andere organismen (interspecifiek), mate van verstoring in de habitat, en het niveau van omgevingsstress in de habitat.
Type 'a' planten groeien in een habitat waar interspecifieke competitie hoog is, maar verstoring en stress blijven laag.
Type 'b' planten groeien in een habitat met hoge omgevingsstress en lage interspecifieke competitie. Type 'c' planten groeien in sterk verstoorde habitats met lage omgevingsstress.

Hieronder staan drie beweringen over deze planten:

I. Planten van type 'a' hebben een trage groei en zijn bladverliezend.
II. Eénjarige woestijnplanten zijn type 'b' planten; ze groeien snel en produceren na regenval grote hoeveelheden zaden in korte tijd.
III. De meeste planten van het type 'c' zijn kruidachtigen, terwijl type 'a' en type 'b' planten eerder bomen of struiken zijn.

Welke van de hierboven vermelde uitspra(a)k(en) is/zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Relaties tussen Organismen: Mot en Yucca

De mot en de Yucca.

Hieronder staan twee voorbeelden van relaties tussen organismen van verschillende soorten.
Een vrouwelijke mot, de enige bestuiver, komt aan op een Yucca-bloem met een bolletje Yucca- stuifmeelkorrels. Ze plaatst de bol op de stempel van de plant en legt eitjes in sommige (niet alle) zaadbeginsels. De ontwikkeling van de nakomelingen doodt de zaden waarmee de nakomelingen zich voeden. Als dit er teveel zijn, wordt de vrucht afgestoten (geaborteerd) door de plant en sterven de mottenlarven.
II Wolbachia, een Rickettsia-achtige bacterie, infecteert sommige insecten. De geïnfecteerde mannetjes worden of gedood of ontwikkelen zich tot wijfjes, wat leidt tot een veranderde man/vrouw verhouding (meer wijfjes) in de populatie.

Van welke relatie is hier sprake?

Bij I van en bij II van .

Infochemicaliën en hun invloed op organismen

Infochemicaliën.

Verschillende predatoren zoals het bootsmannetje (een soort wants) en het vetje (een soort vis) geven 'infochemicaliën' af aan het water. Deze stoffen leiden bij watervlooien tot de vorming van een helmvormig uitgroeisel waardoor ze minder makkelijk gegeten kunnen worden. Het bootsmannetje eet veel verschillende prooisoorten, het vetje eet vooral watervlooien.
Op hun beurt vermijden organismen van een fytoplanktonsoort, Gonyostomum semen, contact met watervlooien. De Zweed Lars-Anders Hansson ontdekte dat de algen niet naar boven komen bij aanwezigheid van watervlooien of van stoffen die door watervlooien zijn uitgescheiden. Deze algen overwinteren op de bodem van neen meer. In het voorjaar komen zij naar de bovenste waterlaag. Zij kunnen zich stevig vasthechten op de menselijke huid en flinke jeuk veroorzaken.

Welke organismen, afgezien van de algen, kan men het beste wegvangen om in zwemwater een algenplaag te bestrijden?

Dat zijn de .

Invloed van bruinwieren op sponzen en zeeanemonen

3/4 Stabiliteit van een ecosysteem.

Een voedselweb beschrijft in principe alleen voedselrelaties. Maar soorten kunnen elkaar ook op andere manieren beïnvloeden.

Leg uit op welke manier sponzen en zeeanemonen beïnvloed worden door de bruinwieren.

Veranderingen in populatiedichtheid van herbivoren

Twee populaties.
Zie figuur B 5309 van de bijlage.

De grafiek hiernaast laat zien hoe de dichtheid van de populaties A en B van twee herbivore soorten in een graslandgebied verandert.

Wat is een mogelijke verklaring voor deze veranderingen?

afbeeldingafbeelding