Oefentoets Biologie: Ecologie - relaties | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze oefentoets bevat 13 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

13

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Bosratten.

In een bos komen twee soorten ratten voor, die concurreren om een bepaald type bessen. De ratten vechten en verwonden elkaar.

Welke conclusie over de bessen is of welke conclusie zijn juist?

Ecologie

Een dichtheids-onafhankelijk effect.

Welke van de onderstaande voorbeelden betreft een dichtheids-onafhankelijk effect?

Ecologie

Zeesterren en mosselen.

De zeester Pisaster ochraceous is een veel voorkomende predator in de rotsige getijdengebieden langs de Pacifische kust van Noord-Amerika. De zeester voedt zich voornamelijk met de mossel Mytilus californianus. Bij afwezigheid van de zeester is deze mossel zeer dominant aanwezig, waarbij hij andere soorten wegconcurreert.

Welke bewering over de relatie van het aantal van de in het getijdengebied aanwezige soorten is juist?

Ecologie

Leefstrategieën.
Zie figuur B 5268 van de bijlage.

De figuur hiernaast toont leefstrategieën voor drie soorten planten (a, b, c) volgens drie assen: mate van competitie met andere organismen (interspecifiek), mate van verstoring in de habitat, en het niveau van omgevingsstress in de habitat.
Type 'a' planten groeien in een habitat waar interspecifieke competitie hoog is, maar verstoring en stress blijven laag.
Type 'b' planten groeien in een habitat met hoge omgevingsstress en lage interspecifieke competitie. Type 'c' planten groeien in sterk verstoorde habitats met lage omgevingsstress.

Hieronder staan drie beweringen over deze planten:

I. Planten van type 'a' hebben een trage groei en zijn bladverliezend.
II. Eénjarige woestijnplanten zijn type 'b' planten; ze groeien snel en produceren na regenval grote hoeveelheden zaden in korte tijd.
III. De meeste planten van het type 'c' zijn kruidachtigen, terwijl type 'a' en type 'b' planten eerder bomen of struiken zijn.

Welke van de hierboven vermelde uitspra(a)k(en) is/zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Stabiliteit van een ecosysteem.

Een voedselweb beschrijft in principe alleen voedselrelaties. Maar soorten kunnen elkaar ook op andere manieren beïnvloeden.

Leg uit op welke manier sponzen en zeeanemonen beïnvloed worden door de bruinwieren.

Ecologie

Twee populaties.
Zie figuur B 5309 van de bijlage.

De grafiek hiernaast laat zien hoe de dichtheid van de populaties A en B van twee herbivore soorten in een graslandgebied verandert.

Wat is een mogelijke verklaring voor deze veranderingen?

afbeeldingafbeelding