Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 1

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Gifophoping.

Met welke gebeurtenis begin je en waar eindig je mee als je de volgende gebeurtenissen in de meest aannemelijke volgorde zet?

a. Roofvogels worden vergiftigd door insecticide.
b. Bomen worden besproeid met insecticide.
c. Regenwormen eten van de boom gevallen bladeren.
d. Roofvogels eten kleine vogels.
e. Kevers beschadigen bomen door een virus te verspreiden.
f. Insecticide wordt opgenomen door boombladeren.
g. Kleine vogels eten regenwormen.

Je begint met gebeurtenis [invulveld] en je eindigt met gebeurtenis [invulveld].

Ecologie

Klimaatverandering.

Het lijkt erop dat het ieder jaar warmer wordt. We zien dat ook aan de plantensoorten die tegenwoordig (zonder ingrijpen van de mens) voorkomen in gebieden waar zij vroeger niet voorkwamen of juist niet meer voorkomen waar zij vroeger wel voorkwamen.
Onderzoek heeft uitgewezen dat voor het wel of niet voorkomen van plantensoorten in warme gebieden de grootte van de zaden van deze planten een belangrijke factor is.

Als verklaring voor de invloed van de grootte van zaden wordt een aantal beweringen gedaan.

Geef van onderstaande beweringen aan welke juist is of welke juist zijn.

1. Kleinere zaadjes bevatten minder vocht en kunnen een warme, droge, periode minder goed overleven.
2. Kleinere zaadjes hebben een klein oppervlak en kunnen hun vocht beter vasthouden dan grotere zaden.
3. Kleine zaadjes zijn lichter en kunnen in warme lucht makkelijker door de wind verspreid worden dan in koudere lucht.
4. Het kost minder tijd voor de plant om kleinere zaadjes te maken, dus deze zijn al gevormd voordat het daarvoor te warm wordt in de zomer.

Ecologie

Spechten.

Spechten maken met hun snavel gaten in saprijke bomen. De bomen “bloeden” suikerrijk vocht. Hier komen wespen en andere insecten op af.
De spechten komen ook drinken en regelmatig vallen de insecten ten prooi aan de spechten.

Wat is de meest aannemelijke verklaring voor het eten van (suikersnoepende) insecten door de spechten?

Ecologie

Symbiose.

Bij organismen van verschillende soorten komen langdurige samenlevingen voor. Dat noemen we symbiose. We onderscheiden mutualisme (beide soorten hebben voordeel), parasitisme (gastheer heeft nadeel, parasiet voordeel) en commensalisme (gastheer heeft voordeel, de ander geen voor- of nadeel).

Gegeven de volgende organismen:
1. Appelbomen
2. Bromelia’s
3. Lintworm
4. Bijen
5. Pijlgifkikker
6. Kat

Welke twee nummers uit de bovenstaande rij horen bij:

- mutualisme: de nummers [invulveld] en[invulveld];
- parasitisme: de nummers [invulveld] en [invulveld];
- commensalisme: de nummers [invulveld] en [invulveld].

Ecologie

Dieren in de poolstreken.

Waarom leven er in de poolstreken alleen vogels en zoogdieren op het land?

Ecologie

Competitie.
Zie figuur B 5314 van de bijlage.

Twee zaadetende vinkensoorten leven op dezelfde eilandengroep. Soort P heeft een grote stevige bek en eet vooral zaden tussen de 10 en 50 mm. Soort Q heeft een kleinere bek en eet alleen zaden tussen 2 en 20 mm.
Men onderscheidt interspecifieke concurrentie (tussen verschillende soorten) en intraspecifieke concurrentie (binnen de eigen soort).
Op een van de eilanden variëren de zaden in grootte tussen de 10 en 30 mm.

Is op dit eiland bij de vinkenpopulaties alleen sprake van interspecifieke concurrentie, van intraspecifieke concurrentie of van beide?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Zeehonden.
Zie figuur B 3371 van de bijlage.

Zeehonden zijn aangepast aan het leven in zee. Ze kunnen zich soepel door het water bewegen. Daarbij halen ze snelheden van wel 35 kilometer per uur. Zo jagen ze bijvoorbeeld op hun voedsel.

In de afbeelding B 3371 zijn enkele voedselrelaties weergegeven. Daar is te zien dat een zeehond onder andere haring eet.

Welke twee andere soorten voedsel eet een zeehond volgens de afbeelding?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Jachtluipaarden.

In een boek staat het volgende:
"Een antilope staat rustig gras te eten. Een jachtluipaard rent naar de antilope. Als hij de antilope gevangen heeft, eet hij hem op."

Welke voedselketen wordt in de informatie beschreven?

Ecologie

1/3 Uitgekookt ei.

Lees de onderstaande tekst.
afbeeldingafbeelding
Rhyssa persuasoria is niet alleen rank en elegant. Deze sluipwesp is ook doortrapt als het gaat om de toekomst van haar ei. Dat legt ze in de levende larve van een insect. Bij voorkeur in een houtetende larve die veilig denkt te zijn in het binnenste van een dode boom. Rhyssa weet hem met haar uiterst gevoelige antennes op te sporen. Dan begint ze met een acrobatische toer die je rustig het hoogtepunt van eierlegtechniek in de natuur kunt noemen. Ze plaatst haar onmogelijk lange legboor, dun als een haar, loodrecht op het hout. Daarvoor moet ze haar achterpoten en achterlijf zo hoog mogelijk oprichten. Met de haardunne legboor als middelpunt loopt ze rondjes. Zo draait ze hem dieper en dieper het hout in tot hij de larve bereikt. Dan perst ze haar ei in de onvrijwillige gastheer, die later door de Rhyssa-larve levend zal worden opgegeten.
Meer kan ze voor haar kind niet doen. Ze kan niet weten of de gastheerlarve misschien al geïnfecteerd is met andere parasieten. Maar daarop weet het ei zelf raad. Op een of andere manier merkt dat of het alleen is of niet. Als er al andere zijn, wordt het ei één larve. Is het ei alleen, dan kloont het zichzelf in meerlingen, al naargelang de grootte van de gastheer.

aldus een bericht van Roland Knauer in het Duitse tijdschrift Kosmos.

Ecologie

2/3 Uitgekookt ei.

Verklaar waarom dit insect de kringloop in het bos remt.

Ecologie

3/3 Uitgekookt ei.

Leg uit waarom we juist deze sluipwespensoort niet kunnen gebruiken bij biologische bestrijding.

Ecologie

1/3 Paddenstoelen.
Zie figuur B 4776 van de bijlage.

Vooral in de herfst zie je veel paddenstoelen in onze loofbossen.
Paddenstoelen zijn de voortplantingsorganen van bepaalde schimmels.
De schimmels breken dood materiaal af, zoals hout en gevallen bladeren. In de herfst is er veel dood materiaal in het bos.
Dit dode materiaal bevat voedingsstoffen voor de schimmels.

Waardoor is er in de herfst meer dood materiaal dan in de zomer?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Paddenstoelen.

Organismen zijn te verdelen in consumenten, producenten en reducenten.

Tot welke groep behoren de schimmels?

Ecologie

3/3 Paddenstoelen.
Zie figuur B 4777 van de bijlage.

Welke van de tekeningen stelt een schimmelcel voor?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Ooievaar.
Zie figuur B 6935 van de bijlage.

Ooievaars kunnen een mol vastgrijpen en doorslikken. Dat is niet zonder gevaar. De slokdarm kan door de scherpe graafklauwen van de mol beschadigd worden.
Een mol (zie afbeelding) graaft met die klauwen door de grond en vangt regenwormen als voedsel. Regenwormen eten veel resten van planten, zoals bladeren.
Met de vier organismen uit de tekst kan een voedselketen van vier schakels gevormd worden.

Schrijf deze voedselketen op.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Het nijlpaard.
Zie figuur B 4591 van de bijlage.

Nijlpaarden zijn dieren die in Afrika in het wild leven.
Ze hebben een groot rond lichaam en korte poten.
De mannetjes kunnen ongeveer 3000 kg zwaar worden.
Nijlpaarden zijn overdag meestal in het water te vinden.
Als het in de avond wat koeler wordt, komen de nijlpaarden aan land.
Ze gaan dan op zoek naar planten zoals gras.
Hiernaast is een nijlpaard weergegeven.

Is het nijlpaard een consument, een producent of een reducent? Gebruik hierbij de bovenstaande informatie.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 De dingo.
Zie figuur B 6847 van de bijlage.

Dingo's zijn honden die in Australië in het wild leven.
Ze kunnen ongeveer 20 kg zwaar worden.
Dingo's leven meestal in groepen. Zo'n groep dingo's jaagt samen op andere dieren. Zo kunnen ze bijvoorbeeld gemakkelijk een kleine kangoeroe vangen.
In de afbeelding zie je een foto van een dingo. Ook is een schedel van een dingo te zien.

Is de dingo een consument, een producent of een reducent?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 De dingo.

In een boek staat:
Soms hebben boeren in Australië last van dingo's.
Bijvoorbeeld als een schaap, dat rustig gras eet, wordt aangevallen.
Als een groep dingo's een schaap grijpt, is er al gauw weinig van zo'n dier over.

Welke voedselketen wordt hier beschreven?