Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie - Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose-diffusie

1/2 Aardappelstaafjes.
Zie figuur B 1679 van de bijlage.

Uit één verse aardappel worden gelijke aardappelstaafjes gesneden. Hiermee wordt het volgende experiment uitgevoerd.
Er worden oplossingen gemaakt met verschillende concentraties van opgeloste deeltjes. In elk van deze oplossingen wordt gedurende twee uur een aardappelstaafje gelegd. Vervolgens wordt het verband bepaald tussen de lengte van de aardappelstaafjes en de concentratie van opgeloste deeltjes in de omringende vloeistof. De resultaten zijn in het diagram weergegeven.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in de vacuolevloeistof van de cellen van een aardappelstaafje bij P lager, gelijk aan of hoger dan die van de omringende vloeistof?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Aardappelstaafjes.

De cellen van de aardappelstaafjes blijven bij concentratie Q gedurende het experiment in leven.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in de vacuolevloeistof van de cellen van het aardappelstaafje bij Q lager, gelijk aan, of hoger dan die van het vacuolevocht van de cellen van een aardappelstaafje bij P?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

1/2 Osmose in plantencellen.
Zie figuur B 2620 van de bijlage.

Een onderzoeker beschikt over twee plantencellen. De osmotische waarde van het vacuolevocht is bij deze cellen gelijk. Hij onderzoekt de volumeverandering van deze cellen, die optreedt als de cellen in bepaalde oplossingen worden gelegd.
Hij legt deze cellen eerst in een oplossing die een iets lagere osmotische waarde heeft dan het vacuolevocht.
Vervolgens brengt hij op tijdstip t = 0 de cellen over in gedestilleerd water. Beide cellen hebben op tijdstip t = 0 hetzelfde volume. Hij meet de volumeverandering van de cellen 1 en 2 vanaf t = 0 en zet zijn resultaten uit in twee grafieken (zie de afbeelding).

Kan het verschil in volumeverandering tussen cel 1 en cel 2 worden verklaard door een verschil in elasticiteit van de celwanden?
Zo ja, is de wand van cel 1 meer of minder elastisch dan die van cel 2?


-

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Osmose in plantencellen.

Is de stevigheid van cel 1 op tijdstip P kleiner dan, gelijk aan of groter dan die op tijdstip t = 0?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

1/2 Een plantencel.

Een plantencel met turgor wordt in een oplossing gelegd, die dezelfde concentratie van opgeloste deeltjes heeft als de vloeistof in de vacuole van die cel.

Wordt de turgor van die cel dan kleiner, blijft de turgor gelijk, of wordt de turgor groter?

Osmose-diffusie

2/2 Een plantencel.

Een plantencel met turgor wordt in een oplossing gelegd, die dezelfde concentratie van opgeloste deeltjes heeft als de vloeistof in de vacuole van die cel.

In een bepaalde situatie neemt de turgor van de cel af.

Wordt de concentratie van opgeloste deeltjes in de vacuole van die cel als gevolg daarvan lager, blijft de concentratie gelijk, of wordt de concentratie hoger?

Osmose-diffusie

1/2 Gebogen staafjes.
Zie figuur B 2628 van de bijlage.

Uit één verse aardappel worden dunne, platte staafjes van gelijke afmetingen gesneden. De staafjes worden ieder afzonderlijk ondergedompeld in een NaCl-oplossing. De concentraties van de oplossingen zijn verschillend. Na enige tijd blijken de staafjes niet meer van lengte en vorm te veranderen.
Eerst wordt het verband bepaald tussen de lengte van de aardappelstaafjes en de concentratie van opgeloste deeltjes in de omringende vloeistof. De resultaten zijn in het diagram van de afbeelding weergegeven.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in de vacuolevloeistof van de cellen van de aardappelstaafjes bij P lager dan, gelijk aan of hoger dan die van de omringende vloeistof?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Gebogen staafjes.
Zie figuur B 2629 van de bijlage.

Vervolgens worden de staafjes stuk voor stuk opgepakt met een pincet en horizontaal gehouden. Sommige staafjes zijn slap geworden en buigen door. Deze buigingshoek (a) wordt gemeten zoals in weergegeven in de afbeelding.

De gevonden waarden van a worden in een diagram uitgezet tegen de NaCl-concentraties van de oplossingen. In de afbeelding zijn drie diagrammen getekend.

In welk van deze diagrammen is de relatie tussen de buigingshoek en de concentraties van de NaCl-oplossingen juist weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

1/3 Stevigheid.
Zie figuur B 48 van de bijlage.

Verse aardappelstaafjes van gelijke lengte worden in sacharose-oplossingen van verschillende concentraties gelegd. Hetzelfde wordt gedaan met verse suikerbietstaafjes van gelijke lengte. Na 24 uur worden de lengtes van alle staafjes opnieuw gemeten. Het diagram (afbeelding 14) geeft het verband weer tussen de concentratie van de sacharose-oplossing en de lengteverandering na 24 uur.

Is - voorafgaand aan de proef - de concentratie van opgeloste deeltjes in de aardappelcellen gelijk aan de concentratie van opgeloste deeltjes in een 0,2 mol sacharose-oplossing?
Zo neen, is de concentratie in de aardappelcellen lager of hoger?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/3 Stevigheid.

Is bij een concentratie van 0,7 mol sacharose per liter de concentratie van opgeloste deeltjes in de aardappelcellen lager dan, gelijk aan, of hoger dan die in de suikerbietcellen?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

3/3 Stevigheid.

De aardappelstaafjes die in de sacharose-oplossingen van 0,45 mol en 0,6 mol per liter hebben gelegen, hebben water verloren. Over de cellen in deze staafjes worden drie uitspraken gedaan:

1. de aardappelcellen in oplossingen van 0,45 mol en 0,6 mol sacharose per liter hebben evenveel water afgegeven;
2. de aardappelcellen in een oplossing van 0,6 mol sacharose per liter hebben meer water afgegeven dan de aardappelcellen in een oplossing van 0,45 mol sacharose per liter;
3. het kan niet uit het diagram worden afgeleid of de aardappelcellen in het ene staafje meer of minder water hebben afgegeven dan de aardappelcellen in het andere staafje of dat de cellen in beide staafjes evenveel water hebben afgegeven.

Welke uitspraak is juist?

Osmose-diffusie

1/2 Stevigheid.
Zie figuur B 48 van de bijlage.

Verse aardappelstaafjes van gelijke lengte worden in sacharose-oplossingen van verschillende concentraties gelegd. Hetzelfde wordt gedaan met verse suikerbietstaafjes van gelijke lengte. Na 24 uur worden de lengten van alle staafjes opnieuw gemeten. Het diagram (zie de afbeelding) geeft het verband weer tussen de concentratie van de sacharose-oplossing en de lengteverandering na 24 uur.
De turgor van de aardappelcellen in de sacharose-oplossing van 0,5 mol per liter wordt vergeleken met de turgor van de suikerbietcellen in de sacharose-oplossing van 0,7 mol per liter.

Is de turgor van de aardappelcellen lager dan, gelijk aan of hoger dan die van de suikerbietcellen?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Stevigheid.

De concentratie van de opgeloste deeltjes in de aardappelcellen in de sacharose-oplossing van 0,7 mol per liter wordt vergeleken met die in de aardappelcellen in de sacharose-oplossing van 0,5 mol per liter.

Is de concentratie van de opgeloste deeltjes in de aardappelcellen in de sacharose-oplossing van 0,7 mol per liter lager dan, gelijk aan of hoger dan die in de sacharose-oplossing van 0,5 mol per liter?

Osmose-diffusie

1/2 Een weefsel.

Drie reageerbuizen worden gevuld met oplossingen van keukenzout (NaCl) van verschillende concentraties.
Buis 1 bevat een 0,1% NaCl-oplossing, buis 2 bevat een 0,9% NaCl-oplossing en buis 3 bevat een 1,5% NaCl-oplossing. In elk van deze buizen wordt een stukje van hetzelfde verse weefsel ondergedompeld. De stukjes weefsel zijn allemaal even groot en rood van kleur. Voordat ze in de buizen zijn gedaan, zijn ze eerst goed afgespoeld totdat ze geen kleurstof meer afgeven. Na een half uur wordt het experiment beëindigd. De oplossing in buis 1 is licht rood geworden. De oplossing in buis 2 is kleurloos gebleven.

Is dit weefsel afkomstig van een dierlijk of van een plantaardig organisme of is dat niet te bepalen?

Osmose-diffusie

2/2 Een weefsel.

Drie reageerbuizen worden gevuld met oplossingen van keukenzout (NaCl) van verschillende concentraties.
Buis 1 bevat een 0,1% NaCl-oplossing, buis 2 bevat een 0,9% NaCl-oplossing en buis 3 bevat een 1,5% NaCl-oplossing. In elk van deze buizen wordt een stukje van hetzelfde verse weefsel ondergedompeld. De stukjes weefsel zijn allemaal even groot en rood van kleur. Voordat ze in de buizen zijn gedaan, zijn ze eerst goed afgespoeld totdat ze geen kleurstof meer afgeven. Na een half uur wordt het experiment beëindigd. De oplossing in buis 1 is licht rood geworden. De oplossing in buis 2 is kleurloos gebleven.

Hoe ziet de oplossing in buis 3 er uit aan het eind van het experiment?