Ecologie
2/3 Bijenpopulaties.
Bestaan er tussen de onderzochte bijenpopulaties alleen fenotypische verschillen, alleen genotypische verschillen of zowel fenotypische als genotypische verschillen?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
2/3 Bijenpopulaties.
Bestaan er tussen de onderzochte bijenpopulaties alleen fenotypische verschillen, alleen genotypische verschillen of zowel fenotypische als genotypische verschillen?
3/3 Bijenpopulaties.
Zie figuur B 2797 van de bijlage.
Wordt het afnemen van de populatiegroeisnelheid in diagram 2 alleen veroorzaakt door abiotische factoren, alleen door biotische factoren of door een combinatie van beide soorten factoren?
afbeelding
1/5 Cichliden.
Zie figuur C 360 van de bijlage.
afbeelding
In de Oost-Afrikaanse meren bestaat het visbestand voornamelijk uit cichliden (baarsachtige visjes). Een groot deel van deze cichliden behoort tot het genus (geslacht) Haplochromis. Binnen dit genus bestaan uiteenlopende groepen voedselspecialisten zoals slakkenkrakers, algenschrapers, planktoneters en pedofagen (eters van jonge visjes).
Uit visvangsten in de Mwanzagolf van het Victoriameer bleek dat daar een aantal sterk op elkaar gelijkende soorten planktoneters voorkomt. Biologen hebben onderzocht of deze nauw verwante soorten zodanig ecologisch gescheiden leefden dat onderlinge competitie werd vermeden.
De afbeelding toont de dichtheidsverdeling van drie soorten planktoneters op verschillende diepten in de Mwanzagolf. Daartoe zijn gedurende vier dagdelen (blokken van zes uur) visvangsten gedaan op verschillende diepten in de veertien meter diepe Mwanzagolf. Elk grijs balkje vertegenwoordigt een percentage van de populatie dat zich tijdens dat dagdeel op de diepte bevindt die op de verticale as is aangegeven.
Zie volgende scherm
2/5 Cichliden.
Zie de figuren C 360 en C 361 van de bijlage.
In de uitwerkbijlage is een lege tabel en een assenstelsel op millimeterpapier opgenomen.
Zie figuur C 361 van de bijlage.
Lees in afbeelding C 360 af welk percentage (op 2% nauwkeurig) van elk van de drie populaties zich tijdens de vier verschillende dagdelen tussen de 4 en 5 meter diepte bevindt.
Vul de tabel op de uitwerkbijlage in.
- Presenteer deze gegevens in de vorm van een staafdiagram in het assenstelsel op de uitwerkbijlage.
- Voeg de legenda toe.
afbeelding
afbeelding
3/5 Cichliden.
Zie figuur C 360 van de bijlage.
Tussen welke van de drie onderzochte soorten Haplochromiden is op grond van de gegevens in de afbeelding het meest competitie te verwachten?
afbeelding
4/5 Cichliden.
Zie de figuren A 894 en C 360 van de bijlage.
Uit analyses van maaginhouden blijkt dat deze soorten zich niet beperken tot het eten van plankton. Ze eten ook verschillende soorten muggenlarven (Chaoborus sp. en Chironomus sp.), insectenresten en bodemorganismen.
Van Chaoborus-larven is bekend dat ze zich overdag in de modderige bodem bevinden. Tegen de avond komen ze tevoorschijn en migreren naar de oppervlakte en dalen 's ochtends weer naar de bodem af. De diagrammen in de afbeelding geven informatie over de samenstelling van het voedsel van H. argens, H. heusinkveldi en H. pyrrocephalus overdag en 's nachts. De samenstelling van het voedsel is als gemiddeld volumepercentage van de maaginhoud weergegeven. De metingen zijn verricht op plaatsen waar het meer 14 meter diep is.
Naar aanleiding van de gegevens in de afbeeldingen worden twee beweringen gedaan:
1. door H. pyrrhocephalus wordt detritus vooral in het eerste dagdeel (van 5-11 uur) gegeten;
2. H. pyrrhocephalus vervangt 's nachts procentueel gezien een kleiner deel van zijn voedsel door Chaoborus-larven dan H. argens dat doet.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding
afbeelding
5/5 Cichliden.
Het vermijden van competitie tussen soorten komt tot stand door middel van onder andere niche (nis)-segregatie. Uit onderzoek is gebleken dat:
1. de meeste individuen van H. argens zowel 's nachts als overdag gemiddeld dichter bij de oppervlakte verblijven dan de meeste individuen van H. heusinkveldi;
2. H. pyrrhocephalus zowel overdag als 's nachts vooral dierlijk plankton eet, terwijl het dieet van de andere twee soorten gevarieerder van samenstelling is.
Welk van deze gegevens is of welke zijn een aanwijzing voor het bestaan van nichesegregatie tussen de genoemde soorten?
1/2 Lemmingen.
Zie de figuren B 3714 en B 3715 van de bijlage.
Dat lemmingen, kleine knaagdieren uit Scandinavië en Groenland (zie de afbeelding), bij overbevolking collectief zelfmoord plegen door zich massaal vanaf rotskliffen in zee te storten, is een overbekende fabel.
Bij een onderzoek in de Karup Vallei op Groenland telde een onderzoeksgroep van 1988 tot 2002 het aantal lemmingen. Bovendien werden de aantallen, het voortplantingssucces en het dieet bepaald van een aantal predatoren: de sneeuwuil, de kleinste jager (een meeuwachtige vogel) en de poolvos.
Zie figuur B 3715 van de bijlage.
Het gemiddelde aantal lemmingen dat per dag wordt gegeten als functie van de gemiddelde lemmingendichtheid is in de afbeelding weergegeven.
Hoeveel hectare moet een sneeuwuil ten minste bejagen voor het verkrijgen van zijn dagelijkse buit lemmingen in een gebied met een dichtheid van één lemming per hectare? [invulveld] ha
afbeelding
afbeelding
2/2 Lemmingen.
Zie figuur B 3716 van de bijlage.
Een andere predator van lemmingen is de hermelijn. De hermelijn heeft in het gebied een bijzondere positie. Hij eet vrijwel alleen lemmingen, terwijl de andere drie predatoren nog alternatieve voedselbronnen hebben.
In de afbeelding is de relatie tussen de dichtheid van de lemming en die van de hermelijn gedurende een aantal jaren weergegeven.
Iemand trekt uit de gegevens in het diagram van de afbeelding de conclusie dat de hermelijn de lemmingendichtheid reguleert. Deze conclusie is voorbarig.
Geef hiervoor twee argumenten.
afbeelding
1/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.
'Smog boven regenwoud Amazone veel erger dan die boven Zuidoost-Azië'
De bosbranden op de Indonesische eilanden zullen tot gevolg hebben dat planten- en insectensoorten voorgoed van de aardbodem verdwijnen.
De bosbranden in Sumatra en Kalimantan worden ieder jaar veroorzaakt door grote houtvesterijen die minder lucratieve houtsoorten in het regenwoud in brand steken. Dit jaar zijn de effecten extra hevig door de lang aanhoudende droogte, veroorzaakt door 'El Niño', een warme golfstroom die tijdelijk het klimaat beïnvloedt.
Tienduizend brandweerlieden, onder wie duizend man uit Maleisië, doen verwoede pogingen de meer dan honderd vuurhaarden te bestrijden. Tot nu toe lijken zij geen enkele vooruitgang te boeken. Geschat wordt dat er inmiddels tussen de 500.000 en 800.000 hectare bos en struikgewas in vlammen is opgegaan.
(NRC-Handelsblad, 16 september 1997).
[...] Ongetwijfeld zijn door de branden al bepaalde planten en dieren verdwenen. Sommige planten zijn endemisch, wat betekent dat ze slechts op één bepaalde plek in de wereld voorkomen. Wanneer zo'n gebied door brand wordt verwoest, verdwijnen ze voorgoed, meestal samen met een insectensoort die uitsluitend deze plant bestuift."
[...] "In Maleisië is een kentering aan de gang. De plaatselijke kranten schrijven dagelijks over nieuwe en meer milieuvriendelijke methoden van houtkap. Een van die methoden bestaat hierin dat zware helikopters omgekapte woudreuzen oppakken en wegbrengen. Een methode met een prijskaartje, maar je hoeft dan niet hele bosgebieden plat te branden om een paar bomen weg te slepen." [...]
(Brabants Dagblad, 1 oktober 1997).
[...] De bosbranden zullen tot een natuurramp van onvoorstelbare omvang leiden, meent Rizal Roy van het Maleisische Natuurgenootschap. Dieren en vogels kunnen misschien wel aan de vlammen ontsnappen, maar niet aan de smog. De bijen in Noord-Borneo verliezen door de smog hun oriëntatievermogen. Ze eten minder, produceren minder honing en verder bestuiven ze minder gewassen, zodat uiteindelijk de planteneters minder te eten zullen krijgen. Gevreesd wordt ook voor het leefgebied van de op Sumatra en Borneo levende orang-oetans.
(De Telegraaf, 27 september 1997).
Amazone
De zwarte rookwolken die oprijzen uit bosbranden in het regenwoud in het Amazonegebied zijn trouwens nog veel omvangrijker en dikker dan de dampen die het gevolg zijn van de bosbranden in Indonesië. Dit zegt het Braziliaanse Nationale Instituut voor Ruimte-onderzoek (INPE). "In het Amazonegebied stichten de boeren steeds vaker bosbranden om hun land zaaiklaar te maken. Op beelden van een Amerikaanse satelliet is volgens het INPE te zien dat vorige maand in de Amazonewouden 13.200 branden en brandjes woedden. De immense rookwolken belemmeren het zicht in het miljoenen vierkante kilometers grote gebied zodanig dat vliegvelden het grootste deel van de tijd gesloten zijn. De lucht is er nog smeriger dan in de grote industriestad Sao Paolo.
Op sommige plaatsen is de hoeveelheid zonlicht die de aarde bereikt 30 procent lager dan normaal.
(Brabants Dagblad, 1 oktober 1997).
Zie volgende scherm
2/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.
[...] "Die smogwolken kunnen nog wel een maand blijven hangen, misschien wel drie maanden", vreest dokter Paul Leeflang. Ze verwachten de moesson niet eerder dan medio oktober.
(De Telegraaf, 26 september 1997).
[...] De autoriteiten hebben in een brief gewaarschuwd dat de problemen nog kunnen verergeren door het uitblijven van de regens. Morgen zal in de buurt van de stad Pekanbaru op Sumatra worden geprobeerd op kunstmatige manier regenval te veroorzaken. Volgens de krant The Indonesian Times zullen daartoe twee militaire vliegtuigen gedurende dertig dagen acht maal per dag opstijgen om telkens 800 kilo van een zoutoplossing in de wolken te verspreiden. De hoop is dat de rook door de kunstmatige regen zal neerslaan. Meteorologen voorspellen dat de droogte dit jaar zal voortduren tot november.
(NRC-Handelsblad, 16 september 1997).
Zie volgende scherm
3/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.
Zie figuur C 174 van de bijlage.
Gesteld dat de verwachte droogte inderdaad tot november aanhoudt en de smogwolken de gevreesde drie maanden blijven hangen, zal dat onder andere van invloed zijn op de assimilatie in planten in de getroffen gebieden (Zie figuur C 174 van de bijlage.)
Teken een grafiek met op de x-as de tijd, te beginnen op 1 september en eindigend op 1 maart, waarin de vermoedelijke hoeveelheid gevormde glucose door planten wordt weergegeven (geen glucosegetallen geven).
afbeelding
1/5 Eutrofiëring.
Sinds kort test men een nieuwe methode in de strijd tegen eutrofiëring. Over deze methode werd het volgende stukje in een krant geschreven:
"Het idee is simpel en eigenlijk ook niet nieuw: kweek in zuiveringsbassins algen om het fosfaat en nitraat weg te vangen en oogst ze. Met de geoogste biomassa kun je nuttige dingen doen. Je kunt die biomassa gebruiken als veevoer en zelfs omzetten in brandstof voor auto's.
Een soortgelijk plan werd al in de jaren vijftig en zestig door een Wageningse hoogleraar geopperd, maar al weer snel verworpen omdat het proces in het lichtarme Nederland niet efficiënt genoeg zou zijn. In ons land is een verlichtingssterkte van 75 kilolux (klx) echter heel gewoon - zelfs op sombere dagen duikt hij niet snel onder de 50 klx. Terwijl een verlichtingssterkte van 15 klx voor veel algensoorten al verzadigend is voor de groei."
Noem een abiotische factor, die niet in deze tekst is genoemd, en die in de beschreven situatie beperkend kan zijn voor de groei van algen.
2/5 Eutrofiëring.
Zie figuur B 1314 van de bijlage.
In de afbeelding is een cel van een draadwier getekend. Een aantal delen is met cijfers aangegeven.
In welk of in welke van de aangegeven delen kan ATP worden omgezet?
afbeelding
3/5 Eutrofiëring.
Een deel van het opgenomen fosfaat wordt in het draadwier gebruikt hij de synthese van organische verbindingen zoals ATP.
Noem drie andere organische verbindingen in het draadwier waarin het fosfor uit het fosfaat door chemische omzettingen is ingebouwd.
4/5 Eutrofiëring.
Uit onderzoek blijkt dat algen die een uur voor zonsopgang zijn geoogst, per volume-eenheid een kleinere hoeveelheid koolhydraten bevatten dan algen die 's avonds een uur voor zonsondergang zijn geoogst.
Leg uit waardoor dit verschil in hoeveelheid koolhydraten ontstaat.
5/5 Eutrofiëring.
Onder gunstige omstandigheden verdubbelt de biomassa van eencellige algen zich dagelijks. Bij zaadplanten verloopt een celdeling onder gunstige omstandigheden met gelijke of vaak nog hogere snelheid dan bij eencellige algen. Toch is bij zaadplanten de procentuele toename van de biomassa tijdens de groei ook onder gunstige omstandigheden veel geringer.
Geef een verklaring voor het verschil in procentuele toename van biomassa.
1/4 Eencelligen in hooiwater.
Zie figuur A 266 van de bijlage.
Een leerlinge heeft een bekerglas met water en hooi gedurende enige tijd gekookt. Vervolgens laat zij het bekerglas enkele dagen open staan. In dit hooiwater ontwikkelen zich alleen heterotrofe bacteriën. Zij laat dan enkele druppels slootwater in het hooiwater vallen en dekt het bekerglas af. In het slootwater bevinden zich geen bacteriën en schimmels, maar alleen andere heterotrofe eencelligen. Hierna bepaalt zij van tijd tot tijd de grootte van de populaties van de aanwezige soorten. De resultaten van deze bepalingen zijn weergegeven in het diagram. De bacteriën zijn in het diagram weggelaten.
Naar aanleiding van het diagram worden de volgende beweringen gedaan:
1. Tussen dag 40 en dag 50 neemt de totale biomassa in het bekerglas toe.
2. In dit bekerglas is sprake van successie.
3. In dit bekerglas kan sprake zijn van competitie.
Leg uit of bewering 1 juist of onjuist is.
afbeelding
2/4 Eencelligen in hooiwater.
2. In dit bekerglas is sprake van successie.
Leg uit of bewering 2 juist of onjuist is.
3/4 Eencelligen in hooiwater.
3. In dit bekerglas kan sprake zijn van competitie.
Leg uit of bewering 3 juist of onjuist is.