Oefentoets Biologie: Voortplanting - mens_vruchtbaarheid | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 22 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

22

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

1/2 Onvruchtbaarheid.

Sommige mannen produceren antistoffen tegen hun eigen spermacellen. Bepaalde eiwitten van de eigen spermacellen worden in dat geval door het lichaam als antigenen beschouwd.
De spermacellen klonteren samen nadat ze zijn gevormd. Ze zijn daardoor niet in staat een eicel te bevruchten.

Is te verwachten dat de beschreven onvruchtbaarheid zich na verloop van tijd zal herstellen, zodat deze mannen weer vruchtbaar worden? Geef een verklaring voor je antwoord.

Voortplanting

2/2 Onvruchtbaarheid.
Zie figuur C 83 van de bijlage.

Wordt bij mannen die door de beschreven antistofproductie onvruchtbaar zijn, FSH gevormd?
En LH?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/8 Finse ballen.

DE BESTE BALLEN ZIJN FINS.

Finse mannen behoren tot de vruchtbaarste ter wereld. Ze produceren per milliliter zaadvocht de meeste spermacellen. Onderzoekers staan voor een raadsel. De Finnen zelf vermoeden dat hun schone milieu en genetische factoren een rol spelen.

Toen in 1992 de studie van de Deense onderzoekers E. Carlsen en N. Skakkebaek aantoonde dat de mannelijke vruchtbaarheid de laatste vijftig jaar is gehalveerd, was androloog J. Suominen stomverbaasd.
Naar zijn gevoel gold de bevinding absoluut niet voor Finland, waar hij op het biomedisch instituut van de universiteit van Turku al vele jaren onderzoek doet naar sperma. Samen met zijn collega M. Vierula verzamelde hij Finse studies die uitsluitsel moesten geven over zijn twijfel. Ze vonden er zes. Deze toonden aan dat de Finse man gemiddeld bijna twee maal zoveel zaadcellen per milliliter zaadvocht produceert als andere mannen: niet 66 miljoen zoals het Deense onderzoek meldde, maar 114 miljoen. Bovendien werd duidelijk dat de hoeveelheid zaad per ejaculatie bij de Finse man vier milliliter is; ruim dertig procent meer dan elders.
Vierula benadrukt dat de concentratie spermacellen niets zegt over de kwaliteit ervan. "Het tellen van zaadcellen is niet zo moeilijk. Verschillende studies zijn wat dit betreft dan ook redelijk betrouwbaar te vergelijken. Maar het in kaart brengen van afwijkende vormen en de veranderingen in de beweeglijkheid van zaadcellen is veel ingewikkelder en vaak subjectief. Dergelijke onderzoeken kun je niet zomaar naast elkaar leggen."
Dat dit inderdaad vrijwel onmogelijk is, bleek eind vorig jaar toen onderzoekers uit Parijs, Edinburgh, Kopenhagen en Turku in de Deense hoofdstad 27 dezelfde spermamonsters onafhankelijk van elkaar beoordeelden. Weken de tellingen enigszins af, de classificaties liepen fors uiteen. Suominen wijt dit onderscheid aan de afwijkende onderzoeksmethoden. Dit kan volgens hem ook deels de onderlinge verschillen verklaren tussen de diverse internationale studies naar de kwaliteit van zaadcellen.
Wel betrouwbaar acht hij onderzoeken die door eenzelfde groep zijn verricht, zoals in Parijs of Gent. In deze beide gevallen wordt gesteld dat de kwaliteit van zaadcellen in de loop der jaren is achteruitgegaan. Of dit ook voor Finland geldt, weet de Finse onderzoeker niet. Een onderzoek van de universiteit van Turku, dat nog loopt, moet dit uitwijzen. "Zo'n achteruitgang sluit ik niet uit. Want afnemende vruchtbaarheid gaat eerst gepaard met veranderingen in de beweeglijkheid en in de vorm van de spermacellen en pas later met de daling van het aantal ervan."
Wel schijnt de Finse man, als we Suominen en Vierula mogen geloven, hoog te scoren als het gaat om het aantal spermacellen per ejaculatie. Het lijkt er zelfs op dat in noordelijke delen van Finland de mannen de kroon spannen. Maar deze laatste vermoedens zijn slechts gebaseerd op enkele studies. De onderzoekers in Turku zijn van plan de regionale verschillen in hun land nauwkeuriger in kaart te brengen.
Mochten er inderdaad duidelijke verschillen zijn, dan heeft Suominen alvast een mogelijke verklaring. Hij denkt aan de uiteenlopende levensstijlen: het rustige landelijke leven in het noorden en het stressvollere bestaan in het dichter bevolkte en meer geïndustrialiseerde zuiden van het land.
Een onderzoek in de Verenigde Staten, waarbij in een gevangenis de hoeveelheid spermacellen in het zaad van gevangenen werd geteld brengt hem onder meer op deze gedachte. Het bleek dat de aantallen cellen bij deze mannen zeer hoog waren. De Amerikaanse wetenschappers legden de link naar het regelmatige bestaan en het onbekommerde leven inzake voedsel, geld en huisvesting.
Maar deze maand gepubliceerde onderzoeken in het vakblad Fertility and Sterility, zaaien twijfel aan deze stresshypothese. Amerikaanse onderzoekers vonden grote regionale verschillen tussen zaaddonors in Californië en New York City. De zaaddonors aan de westkust produceerden ongeveer de helft minder zaadcellen. Deze grote regionale verschillen, aldus de onderzoekers, kunnen misschien verklaren waarom Carlsen en Skakkebaek in 1992 aan de hand van 61 verschillende studies uit de periode 1938-1990 op nagenoeg een halvering van de zaadcelconcentraties in het sperma zijn uitgekomen.
Alle onderzoeken van vóór 1970 waren Amerikaanse studies, waarvan 80 procent uit New York, waar de spermaconcentratie kennelijk aan de hoge kant is, terwijl van de onderzoeken in 1970 80 procent afkomstig was uit andere streken of landen, waaronder vijf Derde-Wereldlanden, waar de spermaconcentraties gemiddeld lager zijn dan in westerse landen.
Als het hectische westerse leven de eventuele oorzaak van de daling van het aantal zaadcellen is, dan zou Finland toch ook een dergelijke tendens moeten vertonen? Suominen en Vierula geven toe dat het probleem waarschijnlijk veel ingewikkelder is. Ook zij gissen naar het 'mysterie van de Finse testikels'. Het blijft bij uiteenlopende hypothesen die nog niet zijn gestaafd.
Een daarvan is het spaarzame gebruik van pesticiden in Finland. Suominen: "Wij hebben een koud klimaat waarin veel insecten die schadelijk zijn voor gewassen, nauwelijks kunnen overleven. Daarom hebben wij veel minder pesticiden nodig, zodat we er ook minder van binnenkrijgen via ons voedsel. Misschien dat daarom de kwaliteit van ons zaad nog niet is aangetast. Bijvoorbeeld Denemarken, dat eenzelfde levensstijl en levensstandaard heeft, gebruikt veel meer van dit soort verdelgingsmiddelen. In dat land is het gehalte aan spermacellen in het zaadvocht minder dan de helft van dat in Finland."
Een andere verklaring voor Finland als topscorer op zaadgebied zou volgens de Finse onderzoekers van genetische aard kunnen zijn. Hun verre voorvaderen moesten in een bar klimaat zien te overleven. Om ze een extra kans te geven zou de natuur ze hebben geholpen door hun voortplantingscapaciteit in de loop der jaren te vergroten.
De mogelijkheid dat Finnen misschien minder met elkaar naar bed gaan en dat de mannen daardoor zaad opsparen, wijst Suominen van de hand. De gemiddelde coïtusfrequentie in Finland wijkt volgens hem niet af van die van andere landen.
Vierula speculeert over de mogelijkheid dat de man ooit veel vruchtbaarder is geweest dan nu. Bij andere zoogdieren ligt het aantal gezonde spermacellen veel hoger. Bij fokstieren bijvoorbeeld verkeren die cellen voor bijna honderd procent in goede staat terwijl bij mannen veertig procent gezonde cellen als normaal wordt beschouwd. Bovendien vermoedt hij dat niet alleen de kwaliteit van de zaadcellen bij mannen vroeger beter was, maar dat ook het gehalte ervan veel hoger is geweest. "We weten dat op het noordelijk halfrond het gehalte in de winter het hoogst en in de zomer het laagst is. Dit zou met temperatuurverschillen te maken kunnen hebben, maar dat geloof ik niet. In Finland bijvoorbeeld zijn de temperaturen ook in de zomer vrij laag. Slechts een paar dagen per jaar komen ze boven de dertig graden Celsius. Ik veronderstel dat licht een rol speelt bij deze seizoensgebonden fluctuaties. Het lijkt erop dat teelballen donkere nachten nodig hebben voor een optimale productie. Als dit klopt, dan zou het vele kunstlicht weleens de oorzaak kunnen zijn van een afgenomen zaadproductie. Immers we leven wat licht betreft het gehele jaar door in een zomerachtige omgeving. De daglengte is bijna altijd hetzelfde."
De Deense onderzoekers Carlsen en Skakkebaek brachten de afname van de hoeveelheid spermacellen bij de mens in verband met oestrogeenachtige stoffen - pseudo-oestrogenen - in het milieu. Tevens legden zij een verband tussen pseudo-oestrogenen en aandoeningen als zaadbalkanker, niet ingedaalde zaadballen en hypospadie, een abnormale uitmonding van de urinebuis. in de penis. Al deze afwijkingen komen in veel landen steeds vaker voor.
Bioloog R. Santti, die als onderzoeker van de medische faculteit van de universiteit van Turku nauw samenwerkt met Suominen en Vierula, meent dat pseudo-oestrogenen niet de grote boosdoeners zijn. Want waarom is bijvoorbeeld de kans op al die ziekten in Japan zo laag, terwijl daar zoveel sojabonen worden geconsumeerd, vraagt hij zich af. "Sojabonen bevatten fyto-oestrogenen en van deze stoffen is recent aangetoond dat ze een miljoenen malen sterkere hormonale potentie kunnen hebben dan de pseudo-oestrogenen. Wij hebben zelfs met dierproeven bewezen dat fyto-oestrogenen de ontwikkeling van prostaatkanker kunnen vertragen. Fyto-oestrogenen zijn alleen gevaarlijk als ze in zeer hoge doses het lichaam binnenkomen."
De verklaring voor de genitale aandoeningen moet volgens Santti niet in eerste instantie worden gezocht in oestrogene stoffen. Zelf denkt hij eerder aan stoffen als dioxinen en PCB's, die mogelijk de mannelijke sekshormonen - de androgenen - tijdens het foetale stadium blokkeren, waardoor er een lichte mate van demasculinisatie ontstaat. "In vis uit de Botnische Golf zitten dergelijke anti-androgene stoffen. Vrouwen die deze vis eten, krijgen de stoffen binnen en slaan ze op in hun vet. Tijdens de zwangerschap verplaatsen deze stoffen zich via de placenta naar de foetus. De vervuiling is ooit begonnen in het zuiden van de Botnische Golf en is langzaam richting ons land opgerukt. Misschien dat dit verklaart waarom bij ons zaadbalkanker nog weinig voorkomt en de hoeveelheid spermacellen hoog is in vergelijking met de ons omringende landen. Als mijn theorie klopt, en ik hoop van niet, dan krijgen wij in een later stadium met dezelfde problemen te maken."

(De Volkskrant, 18 mei 1996).

Zie volgende scherm

Voortplanting

2/8 Finse ballen.

In welke twee opzichten verschilt het ejaculaat van de Finse mannen van dat van andere mannen?

Voortplanting

3/8 Finse ballen.

Noem tenminste drie mogelijkheden die worden aangedragen voor de grote verschillen tussen het Finse zaad en het zaad elders.

Voortplanting

4/8 Finse ballen.

Leg uit waarom de beweeglijkheid en de vorm van zaadcellen zo belangrijk zijn voor het kunnen bevruchten van een eicel.

Voortplanting

5/8 Finse ballen.

Waarom zijn verschillende studies die zijn verricht naar de zaadkwaliteit vaak niet met elkaar te vergelijken?

Voortplanting

6/8 Finse ballen.

Noem een argument vóór en een argument tegen het mogelijke verband tussen pseudo-oestrogenen en de afname van de hoeveelheid spermacellen. Leg uit.

Voortplanting

7/8 Finse ballen.

Waarom is het beter dat mannen 114 miljoen zaadcellen per milliliter zaadvocht produceren (zoals de Finse mannen), dan de 66 miljoen zaadcellen van Deense mannen? Voor een bevruchting van een eicel is toch maar 1 zaadcel nodig? Leg je antwoord uit aan de hand van zeker 2 duidelijk geformuleerde argumenten.

Voortplanting

8/8 Finse ballen.

Leg het verband uit tussen vis in de Botnische Golf en de afname van de vruchtbaarheid van mannen.

Voortplanting

1/3 Spermatogenese.
Zie de figuren A 363, A 364, A 368 en B 3864 van de bijlage.

De informatie uit de twee hierna vermelde afbeeldingen kan ook gebruikt worden.

In de afbeelding A 364 is de vorming van spermacellen (spermatogenese) bij de mens weergegeven.
Tijdens deze spermatogenese wordt de hoeveelheid DNA per cel bepaald.

Zie figuur B 3864 van de bijlage.
In het diagram van de afbeelding B 3864 is de hoeveelheid DNA per cel afgezet tegen de fasen van de spermatogenese. Verschillende fasen zijn aangegeven met cijfers.

Zet hieronder achter elk van de gebeurtenissen tijdens de spermatogenese het cijfer van de fase waarin die gebeurtenis plaatsvindt.

fase:
● metafase van mitose [invulveld]
● metafase van meiose 1 [invulveld]
● metafase van meiose II [invulveld]
● spermiogenese [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/3 Spermatogenese.

Bij de bepaling van de hoeveelheid DNA per kern in spermacellen blijkt dat ongeveer de helft van de spermacellen iets meer DNA bevat dan de andere helft.

Geef een verklaring voor dit verschijnsel.

Voortplanting

3/3 Spermatogenese.
Zie figuur A 879 van de bijlage.

In een onderzoek is gebleken dat bij mannen de spermatogenese kan worden stilgelegd door wekelijkse injecties met testosteron. Bij het begin van de injecties nam de spermatogenese aanvankelijk toe, maar na enige tijd stopte de spermatogenese. Bij deze onvruchtbaar geworden mannen nam de productie van bepaalde stoffen af. Toen de injecties na een jaar werden gestopt, kwam vier maanden later de spermatogenese weer op gang.

In de afbeelding is een terugkoppelingsschema getekend.

Van welke stoffen die in de afbeelding zijn genoemd, was de productie bij de onvruchtbaar geworden mannen afgenomen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/6 Gevaar op de werkvloer.
OP DE WERKVLOER LOERT HET GEVAAR.
Mannelijke onvruchtbaarheid baart Europa zorgen.

Over de recreatieve kwaliteit van het minnespel zijn bibliotheken volgeschreven, nieuw is dat seks achteruitgaat in zijn scheppende functie en hier wordt de man als boosdoener aangewezen. Was tot voor kort de (oorzaak van) onvruchtbaarheid bij paren fifty-fifty over het stel te verdelen, nieuwe onderzoeken wijzen uit dat meer en meer de vruchtbaarheid van de man in het geding is: zijn zaad wil niet meer deugen.

De maatschappelijke realiteit wil dat het werken aan nageslacht naar een steeds hogere leeftijd wordt verschoven. Toch kan wie zich wil voortplanten dat maar het beste jong doen, voor het arbeidzame leven. Niet alleen bevinden beide partners zich dan in de vruchtbaarste fase van hun leven, maar vooral ook heeft arbeid nog geen kans gehad negatieve invloed op de vruchtbaarheid te hebben. Zelden deugt een werkplek ergonomisch helemaal: je krijgt er platvoeten, hernia, psoriasis, knobbelknieën of grauwe staar; maar dat werkt gelukkig niet door in de zaadaanmaak, qua hoeveelheid en kwaliteit. Maar in bedrijfstakken waar met 'gevaarlijke stoffen' wordt gewerkt - en dat zijn er meer dan je zo op het eerste gezicht zou denken - kan de mannelijke vruchtbaarheid negatief worden beïnvloed. En wordt dat ook, blijkens onderzoeken in binnen- en buitenland.
Sinds duidelijk werd dat het afnemen van het reproductieve vermogen van de man samenhangt met de negatieve kwaliteiten van het milieu en de werkomgeving, hebben wetenschappelijk onderzoekers zich op dit fenomeen gestort. Behalve dat al dat onderzoek allerhande - vaak voorzichtige en soms tegengestelde - conclusies oplevert werpt het meer nieuwe vragen op dan er te beantwoorden waren. Ook worden bij voortduring nieuwe chemische stoffen ontwikkeld die dan wel getest zijn op hun effectiviteit, maar veelal nog onderzocht moeten worden op hun belasting van het milieu in het algemeen en de arbeidsplaats in het bijzonder.

Zie volgende scherm

Voortplanting

2/6 Gevaar op de werkvloer.

Werkplek
Berucht zijn allerlei insectenbestrijdings- en grondontsmettingsmiddelen, koelvloeistoffen, vinylbenzeen (styreen) dat gebruikt wordt bij de productie van kunststoffen, (vooral buiten-)verf en gelode benzine; ongezond voor het (ontbreken van gewenst) nageslacht is onder meer lassen, werken in operatiekamers (ontsmettingsmiddelen, narcosegassen), farmaceutische industrie, chemische wasserijen, recyclingindustrie, keramiek- en kristalvervaardiging.
En werken in kerncentrales: teveel kinderen van werknemers daar worden geboren met bloedkanker. In de regio rondom Sellafield, de beruchte kerncentrale in Noordwest-Engeland, werden de laatste jaren tien keer zoveel gevallen van leukemie bij jonge kinderen vastgesteld dan elders in Groot-Brittannië. Onafhankelijke specialisten vermoeden dat bij deze kinderen het bloedkankerrisico al bestond voordat zij werden geboren, meer nog: voordat zij werden verwekt. Zij gaan ervan uit dat de zaadproductie bij de ouders beïnvloed wordt door radioactieve straling.
De overheid wil wat doen aan verbetering van werkmilieu en scherpt de milieuregels met het jaar aan. Soms met meer, soms met minder gevolg. Zo legde toenmalig minister De Vries (Sociale Zaken) zo'n drie jaar geleden het gebruik in de bollenteelt van dichloorpropeen en methylisothiocynaat aan banden en verbood hij metamnatrium, omdat - zo bleek uit TNO-onderzoek - deze grondontsmettingsmiddelen te gevaarlijk zijn voor de werknemers in die sector. Niet alleen ging het om het veroorzaken van huidaandoeningen en allergieën, het ging vooral om negatieve effecten op het zenuwstelsel. Maar volgens de bollenkwekers is het gebruik van metamnatrium in de bollenteelt onmisbaar en een verbod onacceptabel... en vervolgens vernietigde het College van beroep voor het bedrijfsleven het verbod van De Vries, omdat het TNO-onderzoek de schadelijkheid van metamnatrium onvoldoende zou hebben aangetoond.

Verwijfde alligators
Op grond van al jaren bestaande veiligheidsbesluiten zijn bedrijven verplicht om een register bij te houden van de aanwezige gevaarlijke stoffen. Die regeling is per 1 april 1995 aangescherpt, speciaal met het oog op stoffen die de vruchtbaarheid verminderen en de kans op een miskraam of op gezondheidsschade bij nakomelingen verhogen. Geregistreerd moet nu ook worden welke werknemers met deze stoffen in aanraking komen, hoe dat gebeurt - inademing, inslikken, oog- en/of huidcontact - en wat er gedaan is om gezondheidsschade te voorkomen.
Afgelopen maand kondigde minister Borst (Volksgezondheid) onderzoek door de Gezondheidsraad aan naar het verband tussen de toenemende onvruchtbaarheid bij mannen en bepaalde in het milieu geloosde stoffen. Het gaat met name om de invloed op oestrogenen - in geringe mate door de man geproduceerde vrouwelijke geslachtshormonen. Zo is het al een aantal jaren verboden om de onderzijde van schepen te behandelen met tributyltin, dat de aangroei voorkomt van allerlei organismen. Onderzoek had uitgewezen dat dit middel er onbedoeld voor zorgt dat slakken impotent werden. Ook bij wulken in de Noordzee werd dit effect gesignaleerd. Er werden ook door chemische stoffen 'verwijfde' alligators in Florida gesignaleerd en daar voegden onderzoekers van de Landbouwuniversiteit Wageningen nog hun bericht aan toe over de Nederlandse fruittelers, die meer dan gemiddeld problemen hebben met 'kindjes-kopen' en wier vrouwen, wanneer dat probleem is opgelost, vervolgens tweemaal zoveel meisjes- als jongensbaby's baren.

Zie volgende scherm

Voortplanting

3/6 Gevaar op de werkvloer.

Van de in de fruitteelt veel gebruikte middelen ethyleendibromide carbaryl, benomyl, maneb, zineb en thiram is al langer bekend dat ze de geslachtsorganen aantasten en de voortplanting remmen. Bekend is ook dat dibromochloorpropaan verantwoordelijk is voor de grote toename van meisjesbaby's. Dat echter doorgaans met cocktails van middelen wordt gewerkt, maakt het allemaal erg ingewikkeld.
Uit het vorig jaar gepubliceerde onderzoek van de Wageningse epidemiologen bleken degenen die vaker per jaar spoten met het insecticide azinphosmethyl, het schimmelbestrijdingsmiddel metinam en de onkruiddoder paraquat steeds vader waren van een gezin met een overmatig aantal dochters. De fruittelers die het intensiefst met bestrijdingsmiddelen omgingen, hadden de grootste moeite om kinderen te krijgen. Wie de moderne cross current air blast sprayer gebruikte, bleek eerder een kind te kunnen verwekken dan wie ouderwetse technieken hanteerde, zoals de ouderwetse rugspuit die een wolk van adembenemende chemische nevel verspreidt. Iemand die dat allemaal inademt, wordt aan een duizendtal hogere dosis blootgesteld dan diegene die vanaf een moderne tractor met gesloten cabine zit te spuiten.

Vrees voor verbod
Nu is er sinds vorig jaar binnen Europa een onderzoek gaande naar de effecten van pesticiden, styreen en lood op het afnemen van de spermakwaliteit. In Nederland dreigt dat echter vast te lopen, vanwege de geringe bereidheid in de 'verdachte' bedrijfstakken eraan mee te werken. De loodindustrie, die wel wil meewerken, levert onderzoeksproblemen op omdat daar nog geen nieuwe werknemers werden aangenomen, wier sperma kan worden onderzocht.
Maar de kunststofindustrie die vooral styreen (styrol) als grondstof gebruikt, liet weten altijd de schuld te krijgen als er iets mis gaat met het milieu; en verder hadden de werkgevers nooit signalen gekregen dat er iets loos was met de vruchtbaarheid van hun personeel.
Zeker zo frappant was de argumentatie van de fruitwerkgevers: zij vrezen een verbod op bepaalde gevaarlijke stoffen, wanneer de onderzoeksresultaten worden gepubliceerd; bovendien zou alleen het onderzoek al - zeker na de voorzichtige conclusies van eerdere naspeuringen - hun imago schaden.

(Brabants Dagblad, 23 augustus 1995.)

Zie volgende scherm

Voortplanting

4/6 Gevaar op de werkvloer.

Leg het verband uit tussen de invloed van bepaalde middelen op oestrogenen en de genoemde impotentie bij slakken (onder de kop 'Verwijfde alligators").

Voortplanting

5/6 Gevaar op de werkvloer.

Welke stoffen in de voortplantingscellen van mensen zijn gevoelig voor radioactieve straling?

Voortplanting

6/6 Gevaar op de werkvloer.

Welke twee praktisch probleem doen zich voor bij de bestudering van de invloed van pesticiden op de vruchtbaarheid van mannen?

Voortplanting

1/2 Chemotaxis bij spermacellen.

Als zwanger worden niet ‘vanzelf' gaat, kan de huisarts of gynaecoloog een oriënterend vruchtbaarheidsonderzoek verrichten. De oorzaak van de onvruchtbaarheid kan bij de vrouw of bij de man liggen, maar soms is het een combinatie van de twee.
Bij een onderzoek naar de oorzaak van onvruchtbaarheid, werd onder andere de samenstelling en de werking van de follicular fluid (FF) bepaald. FF is een vloeistof die in het ovarium door de rijpende follikel wordt gevormd en die vrijkomt bij de ovulatie. Onder andere werd gekeken naar het opwekken van chemotaxis bij spermacellen door stoffen in de FF. Chemotaxis is een beweging waarvan de richting wordt bepaald door een gradiënt in de concentratie van een chemische verbinding in de omgeving.
Uit de resultaten van het onderzoek werd de conclusie getrokken dat in de FF zich een stof bevindt die chemotaxis bij spermacellen opwekt.

- Hoe vindt een dergelijk onderzoek in vitro (buiten het lichaam) plaats? Noem in je beschrijving de twee belangrijkste voorwaarden waaraan de proefopstelling moet voldoen.
- Welk onderzoeksresultaat moet worden waargenomen wil de onderzoeker bovenstaande conclusie kunnen trekken?

Voortplanting

2/2 Chemotaxis bij spermacellen.

Het effect van progesteron, één van de stoffen in de FF, op de chemotaxis van spermacellen werd nader onderzocht.

Beredeneer waarom juist progesteron voor dit onderzoek in aanmerking komt.

Voortplanting

Een doorgesneden zaadleider.

Als bij een man de zaadleider is doorgesneden, is hij onvruchtbaar.

Dat hij toch de typisch mannelijke geslachtskenmerken en gedragingen blijft vertonen, is te danken aan het feit dat