Ecologie
3/4 Bos.
Eénjarige planten hebben bepaalde eigenschappen waardoor juist éénjarigen als eerste een nieuwe open plek begroeten.
Noem twee van die eigenschappen.
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
3/4 Bos.
Eénjarige planten hebben bepaalde eigenschappen waardoor juist éénjarigen als eerste een nieuwe open plek begroeten.
Noem twee van die eigenschappen.
4/4 Bos.
Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.
Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?
1/4 Planten op mijnsteenbergen.
Zie figuur C 68 van de bijlage.
Mijnsteenbergen ontstaan door het storten van afvalgesteente uit kolenmijnen. In de Engelse Midlands is onderzoek gedaan naar de vegetatie (plantengroei) op mijnsteenbergen. Daarbij zijn mijnsteenbergen van hetzelfde type gesteente, maar van verschillende ouderdom onderzocht.
De afbeeldingen geven de resultaten van dit onderzoek weer. De afbeelding geeft het verband weer tussen het totale aantal planten per oppervlakte-eenheid en de ouderdom van de mijnsteenberg. De afbeelding geeft aan welk percentage van dat totale aantal planten per oppervlakte-eenheid bestaat uit eenjarigen, tweejarigen en overblijvende planten.
Uit de afbeelding blijkt dat in de loop van de tijd op de mijnsteenbergen veranderingen in de vegetatie optreden.
Met welke biologische term worden deze veranderingen aangeduid? Met de term [invulveld]
afbeelding
2/4 Planten op mijnsteenbergen.
Door vergelijking van de diagrammen in afbeelding kunnen uitspraken worden gedaan over de aantallen eenjarigen en tweejarigen op een mijnsteenberg van 80 jaar in vergelijking met die op een mijnsteenberg van 20 jaar.
Is het aantal eenjarigen op een mijnsteenberg van 80 jaar groter of kleiner dan het aantal eenjarigen op een berg van 20 jaar?
En het aantal tweejarigen?
3/4 Planten op mijnsteenbergen.
Op de mijnsteenberg neemt het aandeel van de overblijvende planten in de vegetatie ten opzichte van de eenjarigen en tweejarigen sterk toe.
Geef hiervoor een verklaring.
4/4 Planten op mijnsteenbergen.
Een pas gestorte mijnsteenberg wordt ingezaaid met een zaadmengsel van planten die op een 80-jarige mijnsteenberg groeien. In het zaadmengsel zijn alle soorten aanwezig die op die oude mijnsteenberg groeien.
Geef een mogelijke oorzaak waardoor de soortensamenstelling op de jonge mijnsteenberg een jaar later toch anders zal zijn dan op de oude mijnsteenberg.
1/5 Een nieuwe polder.
Zie figuur A 292 van de bijlage.
Tekst:
Als een stuk zee is ingepolderd en de nieuwe polder droogvalt ligt er aanvankelijk een grote kale vlakte. Het is verbazingwekkend te zien hoe snel de vlakte na het abrupte afsterven van de oorspronkelijke levensgemeenschap, wordt bevolkt met planten (zie de afbeelding) en vervolgens ook landdieren. De plantensoorten die zich als eerste vestigen, kunnen zich niet lang handhaven. Ze worden opgevolgd door andere soorten. De ontwikkeling van de vegetatie vindt plaats onder invloed van onder andere veranderingen in het water- en zoutgehalte van de bodem, concurrentie tussen plantensoorten en invloeden van dieren.
(tekst naar: Natuur en Techniek, 50, 6)
De eerste nieuwe organismen die zich op de kale vlakte vestigen, zijn planten.
Door welke eigenschap van planten kunnen zij zich eerder dan dieren in de vlakte vestigen?
afbeelding
2/5 Een nieuwe polder.
Zijn er een jaar na het droogvallen reducenten in de polder aanwezig? Geef een verklaring voor je antwoord.
3/5 Een nieuwe polder.
Hoe wordt de in de tekst beschreven ontwikkeling van de vegetatie genoemd? Deze ontwikkeling heet [invulveld]
4/5 Een nieuwe polder.
Welke van de in laatste zin genoemde invloeden worden biotische factoren genoemd?
5/5 Een nieuwe polder.
Zie figuur B 1347 van de bijlage.
Na verloop van een aantal jaren ontstaat in de polder, die in 1961 is drooggevallen, een stabiel ecosysteem.
Zie figuur B 1347 van de bijlage.
Het diagram in de afbeelding geeft de ontwikkeling weer van Veldbeemdgras in deze polder. Ongeveer vanaf 1974 is er sprake van een stabiel ecosysteem, waarvan het Veldbeemdgras deel uitmaakt.
Geef in het diagram B 1347 op de bijlage aan hoe deze plantensoort zich in het stabiele ecosysteem zal hebben ontwikkeld door de grafiek verder te tekenen tot het jaar 1982.
afbeelding
1/6 De Slufter op Texel.
Zie figuur C 170 van de bijlage.
afbeelding
Tekst:
Op het eiland Texel ligt achter een duinenrij een natuurgebied, de Slufter genaamd (zie de afbeelding). Het water van de Noordzee kan daar via een opening in de duinenrij vrij in en uit stromen. Bij hoog water loopt het vlakke deel van de Slufter vol met zeewater, bij laagwater is het een strandvlakte. In de Slufter groeit op plaatsen waar slibdeeltjes blijven liggen Zeekraal. Dit is de soort die op de laagste gedeelten groeit. Na verloop van tijd spoelt er rond de zeekraalplanten meer slib aan, waardoor de bodem iets verder wordt opgehoogd. Als gevolg daarvan kunnen er andere planten groeien, waaronder Gewoon kweldergras, Lamsoor en Engels gras. Engels gras en Lamsoor zijn plantensoorten met bloemen die door veel vlinders worden bezocht, met name de Dagpauwoog en de Kleine vos.
In de zone waar aangespoeld zeewier en ander materiaal langzaam wordt afgebroken tot anorganisch materiaal, groeit Strandmelde. Rond de strandmeldeplanten waait het zand op; deze planten kunnen daar niet tegen en Biestarwegras en Helm (een grassoort) komen ervoor in de plaats.
Zie volgende scherm
2/6 De Slufter op Texel.
Verdere duinvorming komt op gang. Afhankelijk van de ligging van de helling ten opzichte van de zon ontstaan verschillende plantengezelschappen:
- op de noord- en oosthellingen groeit gras met veel verschillende plantensoorten daartussen, waaronder het Driekleurig viooltje en de Zandpaardenbloem.
- op de zuidhellingen groeien droogteminnende planten zoals Zeevetmuur en diverse soorten korstmossen.
Verder landinwaarts, meer onttrokken aan de invloed van zout spatwater en wind, ontstaan binnenduinen. In de binnenduinen ontstaan vervolgens bosjes van onder andere Duindoorn en Gewone vlier.
Op de zuidhellingen van het zich vormende duin groeien andere plantensoorten dan op de noord- en oosthellingen. Dit verschil wordt veroorzaakt door abiotische factoren die afhankelijk van de ligging van de helling een verschillende invloed uitoefenen.
Zie volgende scherm
3/6 De Slufter op Texel.
Noem drie van deze abiotische factoren.
4/6 De Slufter op Texel.
Geef twee concrete voorbeelden van successie die in de beschrijving voorkomen.
5/6 De Slufter op Texel.
Noem twee soorten uit de tekst waartussen een voedselrelatie bestaat.
6/6 De Slufter op Texel.
In het stukje over de Slufter is sprake van afbraak.
Noem een groep organismen die verantwoordelijk is voor deze afbraak. [invulveld]
1/5 Gewone spurrie.
Zie figuur B 2295 van de bijlage.
afbeelding
Langs de randmeren van het IJsselmeer zijn op diverse plaatsen zandstranden aanwezig. Op deze terreinen zijn, net als op de Noordzeestranden, pioniersvegetaties waar te nemen. Eén van de pionier-plantensoorten langs de randmeren is de Gewone spurrie (zie de afbeelding).
De meeste populaties van Gewone spurrie hebben de volgende levenscyclus: de zaden ontkiemen in het voorjaar, de planten bloeien in de zomer en sterven na de zaadvorming. Planten met deze levenscyclus worden zomerannuellen genoemd. Op de zandstranden langs de randmeren komen echter vooral populaties van Gewone spurrie voor waarvan de zaden in de herfst ontkiemen. Deze planten bloeien in het volgende voorjaar en sterven daarna af. Deze worden winterannuellen genoemd. Winterannuellen 'overzomeren' als zaad.
Zaden van de Gewone spurrie zijn zeer kiemkrachtig: in een gunstig milieu ontkiemen snel veel zaden.
Bovendien bleken zelfs zaden die gevonden werden bij een opgraving uit de ijzertijd, nog steeds te kunnen ontkiemen. In vroeger eeuwen werden de zaden gebruikt als noodrantsoen wanneer de graanoogst was mislukt.
Zowel op de Noordzeestranden als op de stranden van de randmeren komen pioniersvegetatie voor. Maar deze pioniersvegetatie zijn niet precies dezelfde. Dit wordt onder meer veroorzaakt door een verschil in abiotische factoren.
Zie volgende scherm
2/5 Gewone spurrie.
Noem twee verschillen in abiotische factoren waardoor de pioniersvegetatie langs de Noordzee ongelijk is aan die langs de randmeren.
3/5 Gewone spurrie.
Leg uit waardoor langdurige kiemkracht voor het voortbestaan van juist pionierplanten belangrijk is.