Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 7

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Broedknoppen van het Broedblad.
Zie figuur B 443 van de bijlage.

Aan de rand van de bladeren van het Broedblad (Bryophyllum), een bekende kamerplant, kunnen zich broedknoppen ontwikkelen, die uitgroeien tot jonge plantjes.
Op een bepaald moment vallen deze broedknoppen van het blad op de grond en kunnen dan uitgroeien tot volwassen planten.

Ontstaan de broedknoppen uit bastvaten, houtvaten, deelweefsel of steunweefsel?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een zaad.

Een zaad van de bonenplant bevat veel reservevoedsel. Gedurende de eerste dagen na het begin van de kieming neemt de totale hoeveelheid organische stoffen in het zaad af. Hiervoor worden de volgende verklaringen gegeven:

1. Het kiemplantje geeft organische stoffen direct af aan het omringend milieu.
2. Het kiemplantje verbruikt organische stoffen bij de fotosynthese.
3. Het kiemplantje verbruikt organische stoffen bij de dissimilatie.
4. Het kiemplantje neemt zouten op waardoor de hoeveelheid organische stoffen afneemt.

Welke van deze verklaringen is juist?

Plantenfysiologie

Groei van kiemende zaden.

Uit kiemende zaden groeit een jong plantje. Voor deze ontwikkeling is nodig

Plantenfysiologie

Kieming van erwten.
Zie figuur B 434 van de bijlage.

In een experiment wordt gedurende 10 dagen het verloop van de kieming van erwten bestudeerd. Vanaf het begin van de kieming tot het stadium waarin vier bladeren aanwezig zijn, wordt steeds van een aantal plantjes (met zaadlobben) het drooggewicht bepaald. Het drooggewicht van een plant is het gewicht nadat alle water er uit is verwijderd.

In het diagram van figuur B 434 geeft één van de vier grafieken het verband weer tussen de tijd en het drooggewicht van de erwtenplantjes (met zaadlobben).

Welke grafiek geeft dit verband juist weer?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een wilgentak.
Zie figuur B 1395 van de bijlage.

Een onderzoeker snijdt in het voorjaar twee stukjes tak van een wilg. Hij hangt de stukjes in een vochtige ruimte waarin de verlichtingssterkte op alle plaatsen dezelfde is. Het ene stukje tak (1) hangt hij met de bovenkant boven, het andere stukje tak (2) met de onderkant boven.
Beide takken lopen uit en vormen wortels en stengels met blaadjes. De wijze van uitlopen is weergegeven in de afbeelding.
Factoren die een rol spelen bij de ontwikkeling van planten zijn:

1. luchtvochtigheid,
2. temperatuur,
3. verlichtingssterkte,
4. zwaartekracht.

Welke van deze factoren speelt of welke spelen in deze proef een rol bij het bepalen van de richting waarin de wortels en stengels zich ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Aardappelknollen.

Twee knollen, afkomstig van dezelfde aardappelplant, beginnen uit te lopen. De ene knol wordt in het donker bewaard, de andere in het licht. Alle andere omstandigheden zijn gelijk.

Onder welke omstandigheden zullen na een week de langste uitlopers zijn ontstaan?
Onder welke omstandigheden zullen na een week de ontstane uitlopers het groenst zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Invloed van rassen op elkaars groei.

Van een bepaalde plantensoort komen twee rassen voor. Een kwekerij wil weten of aanwezigheid van ras 1 de groei van ras 2 nadelig beïnvloedt.

Welk experiment moet de kweker uitvoeren om dit uit te zoeken?

Plantenfysiologie

Groei van kruidachtige plant.

Een kruidachtige plant van 100 gram wordt in een pot opgekweekt tot een gewicht van 500 gram. Voor deze gewichtstoename zijn allerlei stoffen opgenomen, zoals:

1. water uit de grond;
2. zouten uit de grond;
3. koolstofdioxide uit de lucht.

Welke van deze stoffen draagt het meest bij aan de gewichtstoename en welke draagt het minst bij?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Aardappels.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Uit twee aardappels P en Q van hetzelfde ras en van gelijk gewicht groeien aardappelplanten. Na enige tijd hebben de aardappels zich ontwikkeld zoals is getekend in de afbeelding. Op één factor na waren de factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van beide aardappelplanten, gelijk.
Factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van planten, zijn onder andere licht, samenstelling van de lucht, temperatuur en water.

Welke van deze factoren veroorzaakt het verschil tussen de ontwikkeling van de planten P en Q (zie de afbeelding in figuur A 3)?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Aardappels.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Uit twee aardappels P en Q van hetzelfde ras en van gelijk gewicht groeien aardappelplanten. Na enige tijd hebben de aardappels zich ontwikkeld zoals is getekend in de afbeelding. Op één factor na waren de factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van beide aardappelplanten, gelijk.
Factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van planten, zijn onder andere licht, samenstelling van de lucht, temperatuur en water.

Vier processen zijn:
celstrekking, differentiatie, plasmagroei en specialisatie.

Welk van deze processen heeft vooral de grote lengtegroei van de stengel van aardappelplant P uit de afbeelding veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Celstrekking.

Een cel in een worteltop groeit door celstrekking. De cel wordt ongeveer 10 maal zo lang. De dikte van de celwand blijft vrijwel gelijk.

Welke van de stoffen koolhydraten, water en zouten neemt deze cel tijdens de strekking op?

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantjes en belichting.
Zie figuur B 1437 van de bijlage.

Vele factoren zijn van invloed op de groei van kiemplantjes. Eén van deze factoren is licht.
Over de groei van kiemplantjes van haver en de invloed van licht daarop worden vier veronderstellingen gedaan:

1. Groei van kiemplantjes van haver vindt alleen in de top plaats.
2. Alleen het topje van een kiemplantje van haver is gevoelig voor de richting van de lichtinval.
3. Het hele kiemplantje van haver is gevoelig voor de richting van de lichtinval.
4. Kiemplantjes van haver groeien alleen in het licht.

Er worden drie experimenten uitgevoerd. De resultaten zijn als volgt:


Als een kiemplantje van opzij wordt belicht, buigt het naar het licht toe (zie tekening 1 in de afbeelding B 1437). Als de top van het kiemplantje met een kapje wordt afgedekt, groeit het ondanks de belichting recht omhoog (zie tekening 2 in de afbeelding B 1437). Als een koker om het kiemplantje wordt geschoven waardoor alleen de top wordt belicht, buigt het topje naar het licht toe (zie tekening 3 in de afbeelding B 1437).

Welke van de genoemde veronderstellingen is zeker juist op grond van de resultaten van deze experimenten?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Brandnetels.

Bij brandnetels komen mutanten met weinig bladgroen voor. Met deze mutanten en gewone brandnetels worden de volgende experimenten gedaan: experiment 1: vier gewone brandnetels worden samen opgekweekt, experiment 2: twee gewone brandnetels en twee mutanten worden samen opgekweekt, experiment 3: vier mutanten worden samen opgekweekt.

De drie experimenten worden onder gelijke omstandigheden uitgevoerd. Na zes weken wordt het versgewicht van de planten bepaald. De resultaten staan in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Uit de vergelijking van welke resultaten blijkt dat gewone brandnetels de groei van de mutanten nadelig beïnvloeden?

Dit blijkt uit vergelijking van de resultaten van




-

Plantenfysiologie

Helmgras.

Helm is een grassoort, die zich aan het droger worden van zijn milieu aanpast door de bladeren naar binnen te krullen. Men vergelijkt de binnenkant van een blad met de buitenkant voor wat betreft de hoeveelheid huidmondjes per cm2 .

Welk verschil zal men tussen binnenkant en buitenkant aantreffen?

Plantenfysiologie

Werking huidmondje.

Wanneer een plant belicht wordt, zullen gewoonlijk de huidmondjes open gaan.

Neemt als gevolg van de belichting de osmotische waarde van het vacuolevocht in de sluitcellen toe of af?
Worden de vacuolen, als gevolg van de verandering van de osmotische waarde, groter of kleiner?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Huidmondje.

In een zaadplant vinden onder andere de volgende processen plaats:

1. dissimilatie van glucose,
2. koolstofassimilatie,
3. transport van stoffen.

Welke processen kunnen plaatsvinden in een sluitcel van een huidmondje van zo'n plant?

Plantenfysiologie

Huidmondjes.

Bij het openen van een huidmondje van een plant worden de sluitcellen groter. Hierbij zijn onder andere de volgende processen betrokken:

1. de celwanden van de sluitcellen worden uitgerekt,
2. de sluitcellen nemen water op,
3. de concentratie van opgeloste stoffen in de sluitcellen neemt toe.

In welke volgorde vinden deze processen plaats?

Plantenfysiologie

Huidmondjes.

Welke van de hieronder genoemde veranderingen kan de oorzaak zijn, dat de huidmondjes van een blad zich openen?

Plantenfysiologie

Huidmondjes.

Als het donker wordt, sluiten huidmondjes zich door de werking van sluitcellen.

Wordt tijdens het sluiten water door de sluitcellen opgenomen of afgegeven?
Is deze waterverplaatsing het gevolg van een verhoging of van een verlaging van de concentratie opgeloste stoffen in de sluitcellen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Eigenschappen van plant.

Bij een bepaalde plantensoort komen kleine wortelstelsels voor en huidmondjes aan de bovenkant van de bladeren.

Bij wat voor planten kun je dit verwachten?