Oefentoets Biologie: Ecologie - symbiose | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 78 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

78

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

1/2 Een parasiet.
Zie figuur B 1529 van de bijlage.

De leverbot is een parasitaire platworm waarvan de mens en het schaap gastheer zijn. In de afbeelding is de levenscyclus van de leverbot weergegeven.
De gastheer wordt geïnfecteerd wanneer hij planten eet waarop larven van de leverbot zitten. Deze larven hebben zich ingekapseld in een eiwitkapsel. Infectie van de mens treedt meestal op bij het eten van rauwe, wilde waterkers die langs de slootkant groeit. In het spijsverteringskanaal van de mens komt de larve als gevolg van de werking van spijsverteringsenzymen uit het kapsel vrij. De larve ontwikkelt zich tot een volwassen leverbot die in de galgangen in de lever van de gastheer leeft. De volwassen leverbot legt in de galgangen van mens of schaap eieren die met de ontlasting van de gastheer naar buiten komen.

In welk deel van het spijsverteringskanaal van de mens begint de enzymatische afbraak van het kapsel van de larve?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Een parasiet.

Enkele delen van het spijsverteringskanaal van de mens zijn dikke darm, maag en twaalfvingerige darm.

Welk van deze delen bereikt een ei van een leverbot het eerst op zijn weg naar buiten?

Ecologie

1/4 Bilharzia.
Zie figuur B 2296 van de bijlage.

Bilharzia is een ziekte die in (sub)tropische landen voorkomt. De ziekte wordt veroorzaakt door Schistosoma-wormpjes. Deze wormpjes hebben een levenscyclus met als gastheren de mens en bepaalde zoetwaterslakken. De infectie vindt plaats via het water van rivieren en kanalen. Zie de afbeelding met de toelichting ernaast.
Door aanleg van irrigatiekanalen voor onder andere rijstvelden breidt de ziekte zich uit. Men bestrijdt de ziekte met chemische bestrijdingsmiddelen die slakken doden.

Welke voedselrelatie bestaat er tussen Schistosoma en de mens?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Bilharzia.

Behoren de Schistosoma-wormpjes tot de consumenten, de producenten of de reducenten?

Ecologie

3/4 Bilharzia.

Er zijn maatregelen denkbaar die de verspreiding van de ziekte bilharzia kunnen beperken zonder gebruik te maken van chemische bestrijdingsmiddelen.

Noem twee van dergelijke maatregelen.

Ecologie

4/4 Bilharzia.

In de tekst worden vier groepen van organismen genoemd: Schistosoma, de mens, de zoetwaterslak en rijst.

Geef op basis van de gegevens een schema waarin met behulp van pijlen de voedselrelaties zijn aangegeven tussen deze groepen van organismen.

Ecologie

1/5 Parasieten.

In de 19de eeuw was er maar heel weinig bekend over de leefwijze van parasieten. In de jaren dertig van die eeuw hield Johann Steenstrup zich bezig met leverbotten, een groep wormen die parasitair leeft in schapen, mensen, vogels en vissen. In het water waar bepaalde slakken leefden, vond hij vrijzwemmende diertjes die cercariën worden genoemd. Hij onderzocht een potje slootwater met zulke cercariën en slakken. Hij ontdekte dat de cercariën de slakken binnendrongen en daar veranderden in leverbotten. In de middendarmklier van de slakken bevonden zich nog andere diertjes, die bedekt waren met honderden kleine haartjes.
Steenstrup ontwikkelde het volgens zijn tijdgenoten 'krankzinnige' idee dat al deze vormen stadia waren uit de levenscyclus van één diersoort.

Hoe noemt men zo'n idee als dat van Steenstrup?

Ecologie

2/5 Parasieten.
Zie figuur B 3798 van de bijlage.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een bepaald soort leverbot.

Welke rol speelt het vrijzwemmende stadium in de levenscyclus van deze leverbot?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 Parasieten.

Een arts, dr. Küchenmeister, ging ervan uit dat zo'n levenscyclus ook voorkwam bij de lintworm, ook een parasiet van de mens. Hij beweerde dat blaaswormen uit varkensvlees jonge lintwormen waren. Om dat idee te testen vroeg hij in 1854 toestemming om een ter dood veroordeelde moordenaar rauw varkensvlees met blaaswormen te eten te geven. Na diens executie onderzocht Küchenmeister de darmen van de veroordeelde.

Welk resultaat verwachtte Küchenmeister?

Ecologie

4/5 Parasieten.

Bij een onderzoek aan de rondworm Trichinella, die in mensen en varkens voorkomt, is ontdekt dat deze worm zelf zijn weg vindt in zijn gastheer. Als de worm, die in een stuk varkensvlees zit, in het spijsverteringskanaal van een mens terechtkomt, neemt hij op een bepaalde plaats gal waar. Op dat moment verandert zijn gedrag; door slangachtig te bewegen baant hij zich een weg uit de voedselbrij door de wand van het spijsverteringskanaal heen.

Op welke plaats in het spijsverteringskanaal verandert het gedrag van deze rondworm?

Ecologie

5/5 Parasieten.

Welke term wordt in de gedragsleer gebruikt voor een prikkel die een bepaald gedrag opwekt zoals gal dat bij deze rondworm doet?

Met de term [invulveld]

Ecologie

1/3 Rafflesia.
Zie figuur B 3617 van de bijlage.

Op Borneo komt de plantensoort voor met de grootste bloemen ter wereld: Rafflesia arnoldii. De planten van deze soort hebben geen groene bladeren en leven als parasiet met hun wortels in een liaan.
De zware, op de grond liggende bloemen van deze soort verspreiden een geur van rottend vlees. Dit lokt zeer veel vleesvliegen aan. Deze nemen druppeltjes mee uit de bloem, waarin zich stuifmeel bevindt en verzorgen zo bestuiving van deze bloem. De zaden van de plant worden verspreid door de Indische tapir. Dit dier scharrelt tussen de lianen. Als hij op een zaad trapt, blijft dat kleven aan zijn poten. Bij een wandeling door de jungle kan het zaad aan een liaan worden afgeveegd. De cirkel is dan gesloten.

Welke stoffen onttrekt Rafflesia arnoldii aan de liaan?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Rafflesia.

Leg uit dat het voor Rafflesia functioneel is om veel zaad te vormen.

Ecologie

3/3 Rafflesia.

Rafflesia's zijn zeldzaam en worden van overheidswege beschermd. Men beschermt niet alleen de planten zelf, maar ook andere soorten planten en dieren in hun leefgebied.

Geef aan welke soorten voor de Rafflesia belangrijk zijn.
Geef ook van elke soort aan wat dat belang voor Rafflesia is.

Ecologie

1/5 Senecio jacobaea.
Zie figuur B 6813 van de bijlage.

Veel planten maken stoffen die hen beschermen tegen vraat door insecten. Plantenalkaloïden zijn zulke stoffen. Bij het Jacobskruiskruid (Senecio jacobaea) blijkt het gehalte aan alkaloïden te variëren van 0% tot 1% van het drooggewicht. Deze verscheidenheid berust op verschillen in genotype. Een leerling verwachtte dat alle jacobskruiskruidplanten een hoog gehalte aan alkaloïden zouden hebben. Hij baseerde zijn verwachting op zijn kennis van erfelijkheid.

Noem de naam van het proces dat kan leiden tot uitsluitend jacobskruiskruidplanten met een hoog alkaloïdgehalte.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/5 Senecio jacobaea.
Zie figuur B 2773 van de bijlage.

Tekst:
De rupsen van de St. Jacobsvlinder (Tyria jacobaeae), de zogenoemde zebrarupsen, zijn niet gevoelig voor de alkaloïden in Jacobskruiskruid. In een gebied waren op een bepaald moment bijna alle jacobskruiskruidplanten door zebrarupsen kaal gevreten. Er waren geen bloeiende planten meer aanwezig. Hier en daar stonden kleine groepjes planten die aan de vraat door zebrarupsen waren ontkomen. Deze planten zaten allemaal vol met bladluizen van de soort Aphis jacobaeae. Deze bladluizen leven van plantensappen. Ze staan onder bescherming van mieren die de bladluizen verdedigen tegen allerlei belagers. Ook zebrarupsen die door onderzoekers op de plant geplaatst werden, werden heftig aangevallen door de mieren als ze probeerden in de plant te klimmen.
Planten zonder bladluizen worden niet of nauwelijks door mieren bezocht. De mieren leven van de suikers die de bladluizen afscheiden.

bewerkt naar: Meijendel mededelingen afl. 27, mei 1994

Hoe noemen we de relatie tussen bladluizen en mieren?
En de relatie tussen bladluizen en zebrarupsen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 Senecio jacobaea.
Zie figuur B 6814 van de bijlage.

Behoren Tyria jacobaeae en Aphis jacobaeae tot hetzelfde genus (geslacht)?
En tot dezelfde soort? Leg de beide antwoorden uit.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/5 Senecio jacobaea.

Om de relatie tussen het alkaloïdgehalte van Jacobskruiskruid en de aanwezigheid van bladluizen en mieren na te gaan, werden in een ander gebied dertien bloeiende jacobskruiskruidplanten onderzocht met zeer veel bladluizen en mieren. De hoogte van iedere plant werd gemeten en er werden bladeren geoogst voor een bepaling van het alkaloïdgehalte. Ter vergelijking werd bij elk van deze dertien planten de dichtstbijzijnde plant zonder bladluizen en mieren gezocht. Ook van deze buurplanten werd de hoogte gemeten en werden bladeren geoogst. Er mag van worden uitgegaan dat mieren en bladluizen tussen de planten konden kiezen en dat zij op grond van voor hen aantrekkelijke factoren op een bepaalde plant zijn gaan zitten. De resultaten van de metingen van het alkaloïdgehalte en de hoogte van de planten staan in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Welke conclusie over de relatie tussen het alkaloïdgehalte van Jacobskruiskruid en de aanwezigheid van bladluizen en mieren kun je uit de gegevens in de tabel trekken?

Ecologie

5/5 Senecio jacobaea.

Bij een tweede experiment werden tien paren planten gezocht. Elk paar bestond uit een plant met bladluizen en mieren èn een plant zonder bladluizen en mieren. Op elke plant werd één zebrarups geplaatst. Na 15 minuten werd gecontroleerd of de rupsen nog aanwezig waren. De resultaten van dit experiment staan in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding
Op grond van deze gegevens werd de conclusie getrokken dat de mieren zebrarupsen van de planten verdrijven.
Deze conclusie werd te snel getrokken. Er was geen controle-experiment gedaan.

Beschrijf dit controle-experiment.

Ecologie

1/3 Een bekerplant.
Zie figuur B 461 van de bijlage.

Een bepaalde bekerplant vangt insecten in bekervormige bladeren.
De wandcellen van de beker produceren een vloeistof met enzymen. De gevangen insecten worden verteerd door deze enzymen en door rottingsbacteriën, die in de vloeistof van de beker leven. De produkten van deze vertering worden door de plant en door de rottingsbacteriën opgenomen. De bekerplant en de rottingsbacteriën hebben beide voordeel van dit samenlevingsverband. Door deze voedingswijze kunnen bekerplanten leven op een bodem die weinig van een bepaalde stof bevat. Deze stof wordt door de meeste planten met de wortels uit de bodem opgenomen.

Zullen door de bekerplant uit de bekers vooral moleculen aminozuur, moleculen chitine of moleculen eiwit worden opgenomen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Een bekerplant.

Welke stof wordt bedoeld in de laatste twee zinnen van de inleiding?

Ecologie

3/3 Een bekerplant.

Nemen de bacteriën uit de vloeistof in de beker alleen anorganische stoffen, alleen organische stoffen of beide typen stoffen op?

Ecologie

1/3 Meeldauw.
Zie figuur B 6819 van de bijlage.

Meeldauw is een verzamelnaam voor een groep schimmels die op planten parasiteert. Er wordt onderscheid gemaakt tussen valse meeldauw en echte meeldauw. Beide typen kunnen op bladeren van de druif voorkomen.
Tot de valse meeldauw behoren soorten die met myceliumdraden de plant via de huidmondjes binnendringen en zich tussen de cellen uitbreiden. Voor de voortplanting en verspreiding vormen ze sporenkapsels, die via de huidmondjes naar buiten steken.
De meeste echte meeldauwsoorten dringen met myceliumdraden op verschillende plaatsen alleen de opperhuid van een plant binnen. Daar onttrekken ze stoffen aan de cellen.

Nemen de myceliumdraden van de echte meeldauw organische stoffen op uit het druivenblad?
En water en zouten?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Meeldauw.

Kunnen de beschreven echte meeldauwsoorten alleen maar voorkomen op de bovenkant, alleen maar op de onderkant of op beide kanten van een druivenblad?

Ecologie

3/3 Meeldauw.

Waar dringt valse meeldauw een druivenblad vooral binnen?

Ecologie

1/3 Rafflesia arnoldii.
Zie figuur B 448 van de bijlage.

Voor zover bekend is Rafflesia arnoldii de plantensoort met de grootste bloemen ter wereld. De plant bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant. Op de wortels van de gastheerplant vormt Rafflesia jaarlijks één bloemknop. Na het uitkomen bloeit de bloem slechts één dag. De rode bloem heeft een diameter van ongeveer 1 meter en verspreidt een doordringende geur van rottend vlees. In een bloem worden òf stuifmeelkorrels òf eicellen gevormd.

Is Rafflesia arnoldii in staat om zelf eiwitten op te bouwen?
Zo ja, welke stoffen neemt de plant daarvoor op?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Rafflesia arnoldii.

Voor de groei van de bloemknop heeft een Rafflesia onder andere water nodig.

Op welke wijze kan de plant water verkrijgen?

Ecologie

3/3 Rafflesia arnoldii.

Welke vorm van bestuiving kan bij Rafflesia arnoldii optreden?

Ecologie

1/3 Algen in een kwal.

In zee komt een bepaalde soort kwal voor met eencellige algen in haar cellen. De algen en de cellen van de kwal leven in symbiose met elkaar. De algen leveren de kwal het merendeel van de benodigde organische stoffen.
Daarnaast voedt de kwal zich met plankton.

Leg aan de hand van de voedselrelatie uit dat deze vorm van symbiose tussen de kwal en de algen geen parasitisme is. Gebruik in je antwoord de termen organische en anorganische stoffen.

Ecologie

2/3 Algen in een kwal.

Deze soort kwal bevindt zich overdag in de bovenste laag van de zee. Dat is niet helemaal te verklaren door het feit dat er ook veel plankton in de bovenste laag zit.

Welk ander voordeel is er voor de kwal om in deze bovenste lagen van het water te zijn? Geef een verklaring voor je antwoord.

Ecologie

3/3 Algen in een kwal.
Zie figuur B 2123 van de bijlage.

Bij de symbiose tussen kwal en algen kan gesproken worden van een koolstofkringloop. In de afbeelding is deze kringloop schematisch weergegeven. Enkele namen zijn nog niet ingevuld.

Geef de namen van de processen P en Q en de naam van stof R hieronder weer.

proces P = [invulveld]
proces Q = [invulveld]
stof R = [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/6 Erwtenplanten.
Zie figuur B 1584 van de bijlage.

In de afbeelding geeft tekening 1 een deel van een bloeiende erwtenplant weer. Tekening 2 geeft een bloem van deze plant weer en tekening 3 twee zaden. Sommige zaden van deze erwtenplant zijn rond, andere hoekig.
Tekening 4 geeft de wortels van deze erwtenplant weer. In tekening 5 is een organel uit een cel van de erwtenplant schematisch weergegeven.

In welke van de in de tekeningen 2, 3 en 4 weergegeven delen van de erwtenplant komen dergelijke organellen voor?

Alleen in het deel/de delen, weergegeven in:

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/6 Erwtenplanten.

Als een aantal ontkiemende erwten in een thermoskan wordt gedaan, verandert na verloop van tijd de temperatuur in de thermoskan.

Wordt de temperatuur in de thermoskan hoger of lager? Geef een verklaring voor je antwoord, waarbij je aangeeft door welk proces dit gebeurt.

Ecologie

3/6 Erwtenplanten.
Zie figuur B 1584 van de bijlage.

De erwtenplant van de afbeelding vormde na de bloei twee typen zaden: ronde en hoekige, die in de verhouding 3 : 1 aan deze plant voorkwamen. Het type zaad wordt bepaald door een gen van het embryo in het zaad. Er is een allel voor hoekig zaad en een allel voor rond zaad.

Is deze erwtenplant homozygoot of heterozygoot voor het zaadtype? Geef een verklaring voor je antwoord met behulp van een kruisingsschema.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/6 Erwtenplanten.

De erwtenplant behoort tot de vlinderbloemigen, evenals bijvoorbeeld lupine en klaver. Aan de wortels van vlinderbloemige planten zitten verdikkingen: de wortelknolletjes. In die wortelknolletjes leven bacteriën. Deze bacteriën nemen stikstofgas (N2 ) uit de lucht op en gebruiken dit voor de vorming van stoffen waarvan een deel aan de plant ten goede komt. De bacteriën gebruiken op hun beurt organische stoffen die ze aan de erwtenplant onttrekken.

Met welk begrip wordt de beschreven voedselrelatie tussen deze bacteriën en de erwtenplant aangeduid?

Met het begrip [invulveld]

Ecologie

5/6 Erwtenplanten.

Zijn de bacteriën in de wortelknolletjes heterotroof of autotroof? Uit welk gegeven leid je dit af?

Ecologie

6/6 Erwtenplanten.

Vlinderbloemigen zoals luzerne worden wel verbouwd om de grond te bemesten. Nadat vlinderbloemige planten op een akker hebben gegroeid, wordt de grond in de herfst bewerkt, waarna een ander gewas wordt verbouwd.

Welke van de volgende bewerkingen in de herfst heeft de gunstigste invloed op de groei van dit nieuwe gewas?

Ecologie

1/6 Korstmossen.
Zie figuur B 3003 van de bijlage.

Tekst:
Op bomen, stenen en op droge zandgrond groeien korstmossen. Vroeger kregen ze die naam omdat ze op mossen lijken en men ze toen nog niet microscopisch onderzocht had. Later bleken korstmossen geen mossen te zijn. Ze bestaan uit wieren en schimmels.
In afbeelding A zijn drie verschillende korstmossen getekend. In afbeelding B is een doorsnede van een korstmos weergegeven.

De wieren bevinden zich in het korstmos aan de bovenzijde.

Wat is de functie van wieren in een korstmos?
Waardoor is de bovenzijde een geschikte plaats voor die wieren?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/6 Korstmossen.

De term 'soort' voor een korstmos is strikt genomen niet van toepassing.

Leg uit dat de term soort hier niet van toepassing is.

Ecologie

3/6 Korstmossen.

In Noord-Scandinavië leven rendieren voornamelijk van korstmossen.

Welke ecologische rol vervullen de korstmossen en welke de rendieren in Noord-Scandinavië?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/6 Korstmossen.
Zie figuur C 308 van de bijlage.

In de afbeelding staan drie diagrammen over veranderingen die zich in een korstmos op een bepaalde plaats kunnen afspelen.

In de grafieken van de afbeelding zijn zes perioden te onderscheiden:

Periode 1: 20.00-24.00 uur
Periode 2: 24.00- 5.00 uur
Periode 3: 5.00- 6.00 uur
Periode 4: 6.00- 9.00 uur
Periode 5: 9.00-19.00 uur
Periode 6:19.00-20.00 uur

Leid uit de diagrammen van de afbeelding af in welke periode of in welke perioden de biomassa van het korstmos toeneemt.

In periode [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/6 Korstmossen.
Zie figuur C 308 van de bijlage.

Periode 1: 20.00-24.00 uur
Periode 2: 24.00- 5.00 uur
Periode 3: 5.00- 6.00 uur
Periode 4: 6.00- 9.00 uur
Periode 5: 9.00-19.00 uur
Periode 6:19.00-20.00 uur

In welke van de hierboven genoemde perioden (in de gehele periode of in een deel ervan) vindt er zowel fotosynthese als dissimilatie plaats?

In de periode [invulveld] en periode [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

6/6 Korstmossen.
Zie figuur C 308 van de bijlage.

Welke van onderstaande factoren is om negen uur 's morgens bij dit korstmos beperkend voor de fotosynthese?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering.
Zie figuur B 6817 van de bijlage.

Tekst:
Sommige vlindersoorten vertonen een wonderlijke relatie met een mierensoort. Het zeldzame Kruisbladblauwtje (Maculinea rebeli) dat voorkomt in de Europese berggebieden, vertoont zogeheten myrmecofilie: mierenliefde. Als de rupsen van de vlinder uit de eitjes komen, doen ze zich eerst tegoed aan de bloemen en vruchten van de kruisbladgentiaan. Na een paar weken laten de rupsen zich naar beneden vallen. Daarna worden ze meegenomen door knoopmieren, die de rupsen op grond van de chemische samenstelling van de huid menen te herkennen als koloniegenoten. De mieren halen daarmee een veeleisend koekoeksjong' in huis, want de rupsen, die lijken op een forse uitvoering van de larven van de mier, zijn flinke eters die veel aandacht vragen van de werksters. Bovendien krijgen de rupsen ook bescherming. Indringers worden te vuur en te zwaard bevochten. Vrouwtjes van een sluipwesp (Ichneumon eumerus) leggen hun eieren in de rupsen van deze vlinder. Bij het binnendringen van het nest, verspreidt de sluipwesp een chemische cocktail die de mieren in totale verwarring brengt. Allereerst worden de mieren door deze stoffen aangetrokken, vervolgens worden ze tot een soort razernij opgezweept, en daarna maken stoffen uit het mengsel dat ze elkaar niet meer als nestgenoten herkennen en hun agressie op elkaar botvieren. Tijdens het
vechten brengen ze de chemische verbindingen op elkaar over, zodat een kettingreactie van onderlinge strijd ontstaat. De sluipwesp kan nu redelijk ongestoord naar de broedkamers van het nest van de mieren gaan en haar eieren in de rupsen van het blauwtje leggen die zich vervolgens tegoed gaan doen aan mierenbroed.

bewerkt naar: Rik Nijland, 'Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering', de Volkskrant, 1 juni 2002

Welke relatie bestaat er tussen de knoopmier en het blauwtje?
Welke relatie bestaat er tussen de sluipwesp en het blauwtje?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering.
Zie figuur B 6815 van de bijlage.

Het Kruisbladblauwtje (Maculinea rebeli) is nauw verwant aan het in Nederland levende Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon). Het overeenkomstige deel Maculinea in beide namen laat dit zien.

Hoe heet dit overeenkomstige deel?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering.
Zie figuur B 6816 van de bijlage.

Van een aantal in de tekst genoemde organismen is in de afbeelding hieronder de voedselrelatie schematisch getekend.

afbeeldingafbeelding

Leg uit met behulp van de afbeelding hierboven dat de rupsen van het blauwtje (B 6816) zowel consumenten van de eerste orde als consumenten van de tweede orde genoemd kunnen worden.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering.

Sommige wetenschappers willen onderzoeken of een van de door de sluipwesp geproduceerde stoffen een gifstof is en ook gebruikt kan worden als bestrijdingsmiddel tegen andere mieren, die een plaag zijn geworden.

Leg uit dat zo'n door de sluipwesp geproduceerde gifstof, biologisch gezien, een gunstig alternatief kan zijn voor het gebruikelijke algemeen insecticide.

Ecologie

1/2 Een vrije markt in de natuur.
Zie figuur B 3607 van de bijlage.

Tekst:
Een schoolvoorbeeld van een vrije markt in de natuur, met handel tussen verschillende soorten, is de samenwerking tussen mieren en rupsen van blauwtjes (kleine dagvlinders). De mieren beschermen de rupsen tegen roofvijanden en parasieten. De rupsen serveren op hun beurt aan de mieren een suikerrijke vloeistof, nectar, die ze in een speciale klier op de rug produceren.

bewerkt naar: Ronald Noë, Vraag en aanbod op de biologische markt, Natuur & Techniek maart 2001, 34-39
bron: Ronald Noë, Vraag en aanbod op de biologische markt, Natuur & Techniek maart 2001, 38


Zie figuur B 3606 van de bijlage.

In de afbeelding is in een diagram het verband weergegeven tussen de hoeveelheid nectar die een blauwtjesrups produceert en het aantal mieren rond zo'n rups.
Uit het eerste gedeelte van de grafiek (deel P) blijkt dat bij toename van het aantal omringende mieren de nectarproductie van de rups stijgt.

- Leg uit dat dit voor de rupsen functioneel is.

In deel Q zie je geen verdere stijging van de nectarproductie per rups.

- Leg uit dat ook dit voor de rups functioneel is.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Een vrije markt in de natuur.
Zie figuur B 3606 van de bijlage.

Soms komen enkele blauwtjesrupsen bij elkaar en zorgen samen voor nectar. Onder die rupsen zijn wel eens 'profiteurs' die zelf geen nectar kunnen maken, maar zo wel beschermd worden door de mieren.

Waardoor kan een dergelijk profiteurgedrag in de evolutie ontstaan? Leg ook uit dat dit profiteurgedrag zich wel kan handhaven bij kleine aantallen profiteurs maar niet bij grote aantallen profiteurs.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Voortplantingssucces dankzij virusinfectie.
Zie figuur B 6821 van de bijlage.

De sluipwesp Cotesia congregata leeft samen met een virus. Het betreffende bracovirus heeft zich blijvend in de sluipwespensoort gevestigd. Hierdoor hoeft het virus zich niet meer zelfstandig te verspreiden, maar gaat het bij de voortplanting van de wesp over van moeder op kind.
De virussen zijn aanwezig in de eierstokken van de sluipwesp en reizen mee als de wesp met haar legboor een rups aanprikt om eitjes in te leggen. Het virus helpt flink bij het voortplantingssucces van de sluipwesp, daarmee ook zijn eigen voortbestaan verzekerend. De sluipwesp legt haar eitjes in een rups van de pijlstaartvlinder (Manduca sexta). Zeker een kwart van de bijna 160 genen van het bracovirus coderen voor eiwitten die het afweersysteem van deze rups lamleggen. Daardoor raken de eitjes niet ingekapseld en kunnen de larven van de sluipwesp tamelijk ongestoord de rups van de pijlstaartvlinder van binnen leegeten. De rups sterft als de larven van de sluipwesp haar van binnenuit opeten.

- Welke relatie is er tussen de sluipwesp en het bracovirus?
- Welke relatie is er tussen de sluipwesp en de pijlstaartvlinder?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Voortplantingssucces dankzij virusinfectie.

Rupsen van de pijlstaartvlinder kunnen schade toebrengen aan land- en tuinbouwgewassen. In korte tijd kunnen de rupsen veel bladeren opeten. Op basis hiervan kan een voedselketen opgesteld worden.

afbeeldingafbeelding
Iemand wil ook de bracovirussen in deze voedselketen opnemen.

Kan dit in bovenstaande voedselketen en zo ja op welk of welke van de plaatsen P, Q en R?

Ecologie

3/4 Voortplantingssucces dankzij virusinfectie.
Zie figuur A 991 van de bijlage.

De rups van de pijlstaartvlinder heeft in de loop van de evolutie een mechanisme ontwikkeld waardoor de larven van de sluipwesp geen kans krijgen zich verder te ontwikkelen. De rups kapselt de eieren van de sluipwesp in, zodat de larven van de sluipwesp de rups van de pijlstaartvlinder niet kunnen leegeten.
Maar het bracovirus in de sluipwesp gooit roet in het eten. Het grootste deel van het erfelijk materiaal van dit virus bestaat uit genen die enzymen (= eiwitten) produceren die dit afweersysteem van de rups lamleggen. Hierdoor is de ontwikkeling van de eieren van de sluipwesp gegarandeerd en daardoor ook het voortbestaan van het virus. In de afbeelding wordt de levenscyclus van het bracovirus schematisch weergegeven. Hoewel in alle cellen van de sluipwesp het DNA van het virus voorkomt, worden alleen in cellen van de eierstokken van een vrouwtjessluipwesp virusdeeltjes gemaakt.

Waar worden de eiwitten gemaakt die het afweersysteem van de rups lamleggen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Voortplantingssucces dankzij virusinfectie.

Sluipwespen worden vaak ingezet bij biologische insectenbestrijding. Als alle vrouwtjes van de sluipwesp Cotesia congregata met dit bracovirus geïnfecteerd zouden raken, is dit niet goed voor de biodiversiteit.

Leg uit dat dit niet goed is voor de biodiversiteit.

Ecologie

1/4 Konikpaarden in de Millingerwaard.
Zie figuur B 3104 van de bijlage.

In het natuurgebied de Millingerwaard ten oosten van Nijmegen leven tweeënveertig konikpaarden. De konikpaarden werden door Stichting Ark uit Polen gehaald. Polen is de enige plek in Europa waar deze paarden nog in het wild leven. De uiterwaarden van de grote rivieren zijn geschikte plekken voor deze grote planteneters omdat ze door hun voedselkeuze bijdragen aan het ontstaan van een afwisselend gebied met bos, grasland en struikgewas. De dieren zorgen voor open plekken in het bos door bijvoorbeeld de bast en takken van populieren en wilgen te verorberen. Even verderop grazen ze het gras kort. Door het eetgedrag van de konikpaarden wordt ook een grote diversiteit aan diersoorten in stand gehouden.

Leg uit hoe de konikpaarden bijdragen aan deze diversiteit in diersoorten.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Konikpaarden in de Millingerwaard.
Zie figuur B 3826 van de bijlage.

De paarden leven in haremgroepen. Een haremgroep bestaat uit een leidhengst, een aantal merries, veulens en jaarlingen (pubers). De leidhengst houdt solitaire (alleen levende) hengsten op afstand van de harem. Een van de manieren om zijn gezag te laten gelden is door in de buurt van een solitaire hengst een mesthoop te leggen waaraan de leidhengst uitvoerig gaat ruiken (zie de afbeelding). Vaak druipt de solitaire hengst dan af, maar soms ook niet.

Twee leerlingen willen dit verschil in gedrag tussen de solitaire hengsten verklaren.

Leerling 1: Het verschil kan ontstaan doordat voor de solitaire hengsten de sleutelprikkel voor 'afdruipgedrag' verschillend is.
Leerling 2: Het verschil kan ontstaan doordat bij de solitaire hengsten de motivatie voor 'afdruipgedrag' verschillend is.

Welke leerling doet of welke leerlingen doen een juiste uitspraak?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Konikpaarden in de Millingerwaard.
Zie figuur B 3827 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding
Een gevaar voor de konikpaarden is inteelt. Met name in natuurgebieden met maar één haremgroep is dit gevaar aanwezig. Stichting Ark haalt daarom in deze natuurgebieden veulens voor de puberleeftijd uit de groep en brengt ze naar een ander natuurgebied. De ervaringen in de Millingerwaard, waar verschillende haremgroepen rondtrekken, wijzen uit dat de konikpaarden instinctmatig inteelt vermijden. De hengsten dekken hun eigen dochters niet en zonen dekken hun moeder niet.
Onderzoekers vermoedden dit al naar aanleiding van gedragsobservaties en zagen dat bevestigd na DNA-onderzoek. Men maakt hierbij zogenaamde DNA-fingerprints. Deze techniek maakt gebruik van kleine stukjes DNA, die op een gelatinelaag worden aangebracht. Onder invloed van elektrische spanning bewegen en scheiden deze DNA-fragmenten. Afhankelijk van de omvang van het DNA-fragment, beweegt dit sneller of minder snel, waardoor de DNA-fragmenten gescheiden worden. Met deze DNA-fingerprints worden verschillen tussen het DNA van de diverse dieren duidelijk gemaakt.

Zie volgende scherm

Ecologie

4/4 Konikpaarden in de Millingerwaard.
Zie figuur B 3827 van de bijlage.

In de afbeelding staan DNA-fingerprints van bepaalde stukjes DNA van drie verschillende paarden uit één haremgroep.

Vergelijk de DNA-fingerprint van het veulen van de dochter met dat van de dochter van de leidhengst en met dat van de leidhengst.

Leg uit waardoor men op grond van deze vergelijking tot de conclusie komt dat de leidhengst zijn eigen dochter niet dekt.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Korstmossen.
Zie de figuren B 1429 en B 1430 van de bijlage.

Korstmossen zijn geen mossen, maar 'dubbelorganismen' opgebouwd uit een schimmel en een wier. De afbeelding geeft een doorsnede van een deel van een korstmos weer. De draden van de schimmel nemen stoffen op uit de ondergrond, in de wieren vindt fotosynthese plaats. De wieren planten zich voort door deling. De schimmels planten zich voort door vorming van sporen. Na samenkomst van een schimmelspore met een bijpassende wiercel kan het geheel uitgroeien tot een korstmos. Er kunnen ook broedkorrels worden gevormd. Dit zijn wiercellen omgeven door enkele schimmeldraden.

Zie figuur B 1430 van de bijlage.

In de afbeelding zijn drie schema's getekend.

Welk van deze schema's geeft de uitwisseling van anorganische en organische stoffen tussen schimmel en wier in een korstmos het beste weer?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Korstmossen.

Neemt de hoeveelheid organische stof, van een korstmos sneller toe in het donker of in het licht of heeft de belichting hierop geen invloed wanneer andere factoren optimaal zijn?

Ecologie

3/3 Korstmossen.

In de tekst wordt gesproken over broedkorrels en over de samenkomst van een schimmelspore met een wiercel.

Welk van deze processen is of welke zijn te beschouwen als geslachtelijke voortplanting?

Ecologie

1/4 Stofzaad.
Zie figuur B 2882 van de bijlage.

Stofzaad is een zeldzame plantensoort met een geelwitte stengel en geelwitte, schubvormige blaadjes (zie de afbeelding). In en om de wortels van de stofzaadplant groeit een bepaalde schimmel. Deze schimmel neemt stoffen op uit de bodem en geeft die door aan de wortels van de stofzaadplant.
Dezelfde schimmel groeit ook door tot in de wortels van een boom in de buurt. Uit de wortels van die boom neemt de schimmel een stof op die de stofzaadplant niet zelf kan maken. Deze stof geeft de schimmel ook door aan de stofzaadplant.

Enkele stoffen zijn: glucose, koolstofdioxide, mineralen en water.

Welke van deze stoffen worden door de schimmel opgenomen uit de bodem en doorgegeven aan de stofzaadplant?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Stofzaad.

Geef de naam van de stof die de schimmel uit de boomwortels opneemt en doorgeeft.
Leg uit waardoor een stofzaadplant deze stof niet zelf kan maken.

Ecologie

3/4 Stofzaad.
Zie figuur B 2883 van de bijlage.

De lichtgele bloemen van stofzaad bevatten nectar waar insecten op af komen. Een insect, op zoek naar de nectar onder in de bloem, raakt met zijn lichaam de kleverige stempel.
In de afbeelding is een deel van een bloem van een stofzaadplant weergegeven. Een aantal delen is aangegeven met een cijfer.

Welk cijfer geeft de stempel aan?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Stofzaad.

Leg uit dat het voor de plant belangrijk is, dat insecten op de nectar afkomen en de bloem bezoeken.

Ecologie

1/7 Een miniregenwoud in een termietennest.
Zie figuur B 4676 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Veel schimmelsoorten hebben een omgeving nodig met omstandigheden zoals die ook te vinden zijn in het tropisch regenwoud. De droge savanne met zijn grote verschillen tussen dag- en nachttemperatuur voldoet niet aan die voorwaarden.
Termieten (zie de afbeelding) zorgen voor een gunstige leefomgeving voor bepaalde schimmelsoorten.
In een termietennest heersen voor temperatuur en vochtigheid soortgelijke omstandigheden als in het tropisch regenwoud. Men vermoedt dan ook dat termieten door het in huis halen van de schimmels de migratie van zowel de termieten als de schimmels naar de savanne mogelijk maakte. Op de savanne zijn termieten die aan schimmellandbouw doen ecologisch en evolutionair gezien het succesvolst. Moleculair onderzoek heeft aangetoond dat de termietensoorten die schimmels verbouwen allemaal afstammen van termieten uit de Afrikaanse regenwouden.
De schimmels dienen als voedsel voor de termieten. De schimmels groeien in tuintjes van door de termieten fijn gekauwd hout in de termietenheuvels. De schimmel verteert de houtvezels. De samenlevingsvorm is van groot belang voor de afbraak van organisch materiaal op de savanne. Op de savanne komt twintig procent van de afbraak van organisch materiaal voor rekening van deze termieten en schimmels. In het regenwoud is dat maar één tot twee procent van de totale afbraak van het organisch materiaal.
Uit eerder onderzoek was gebleken dat de schimmeltuintjes in de termietenkolonies van de Afrikaanse savannes een constante temperatuur hebben van ongeveer 30°C, en een constante relatieve luchtvochtigheid van bijna honderd procent. Buiten het nest kunnen temperatuur en luchtvochtigheid sterk variëren.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/7 Een miniregenwoud in een termietennest.
Zie figuur B 4676 van de bijlage.

Het Afrikaanse regenwoud is een bijzonder ecosysteem en het resultaat van langdurige successie.

Hoe wordt zo'n eindstadium in de successie, waartoe het tropisch regenwoud gerekend wordt, genoemd?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/7 Een miniregenwoud in een termietennest.

In de tekst wordt vermeld dat op basis van moleculair onderzoek verwantschap is aangetoond tussen de verschillende termieten.

Welke moleculen worden hier bedoeld?

Ecologie

4/7 Een miniregenwoud in een termietennest.

In de tekst wordt ook gesproken over een samenlevingsvorm tussen de termiet en de schimmel.

Welke van de onderstaande begrippen geeft deze relatie het beste weer?

Ecologie

5/7 Een miniregenwoud in een termietennest.

Op de savanne vervullen de schimmels een bepaalde rol.

Met welke biologische term worden organismen in een ecosysteem die een dergelijke rol vervullen aangeduid? Met [invulveld]

Ecologie

6/7 Een miniregenwoud in een termietennest.

De humuslaag in het tropisch regenwoud is relatief dun ten opzichte van die in de savanne. Dit is mede het gevolg van de hoge temperatuur en de hoge luchtvochtigheid in het tropisch regenwoud. In de termietennesten in beide ecosystemen heersen omstandigheden die gelijk zijn aan de omstandigheden van het tropisch regenwoud. Toch hebben in het regenwoud deze termieten en schimmels een veel kleiner aandeel in de omzetting van het organisch materiaal dan op de savanne.

Geef een verklaring voor het feit dat deze termieten en hun schimmels in het tropisch regenwoud een kleiner aandeel hebben in de omzetting van organisch materiaal dan die in de savanne.

Ecologie

7/7 Een miniregenwoud in een termietennest.
Zie figuur A 1035 van de bijlage.

Voor de afbraak van de houtvezels produceert de schimmel een enzym. Dit enzym kan worden geïsoleerd. Een bioloog wil onderzoeken bij welke temperatuur dit enzym het meeste hout per tijdseenheid afbreekt. Gezien de omstandigheden waarin de schimmel in de termietennesten verblijft, denkt hij de snelste omzetting te vinden bij een temperatuur van ongeveer 30°C. Hij voert de bepaling uit bij een steeds andere temperatuur tussen de 0°C en 80°C.
Het resultaat geeft hij weer in een grafiek, zoals afgebeeld in de afbeelding.

Wat is op de X-as en Y-as uitgezet?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Roodhalsganzen benutten optimaal een korte periode voor de voortplanting.

Roodhalsganzen hebben de biologen altijd voor raadsels gesteld. In de korte zomer die op de Noordpool heerst, is elke dag belangrijk als het gaat om succesvol broeden. Maar roodhalsganzen permitteren zich om tien dagen later te gaan broeden dan elke andere verwante soort.
Waarom zijn roodhalsganzen zo traag en hoe lossen ze het probleem op dat daaruit voortkomt? Wie later begint met broeden komt immers ook later om het voedsel en dan is het beste voedsel weg. Deze vragen wilde de bioloog Jouke Prop beantwoorden. Zijn onderzoeksgebied, de Poera-rivier in Siberië, leverde hem de antwoorden.
Het opmerkelijke gedrag van roodhalsganzen wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van slechtvalken. Vroeg in het seizoen vestigen de paren slechtvalken zich op de kliffen langs de Poera-rivier en zolang ze geen eieren bebroeden zijn de vrouwtjes van slechtvalken levensgevaarlijk voor roodhalsganzen. Maar zodra het slechtvalkvrouwtje (dat groter is dan het mannetje), op haar eieren zit, is het gevaar geweken. Het kleinere mannetje kan in zijn eentje niet makkelijk een gans grijpen.
Op dat moment wachten roodhalsganzen. De vrouwtjes gaan binnen een cirkel van honderd meter van de nesten van de slechtvalken broeden. Ze vallen daarmee precies in de beschermingszone van de slechtvalken, die de poolvossen en wolven verjagen. Dat verklaart het late broeden van roodhalsganzen.
Uit de tekst blijkt dat er tijdens het broeden van beide vogels een bijzondere relatie bestaat tussen roodhalsganzen en slechtvalken.

Hoe wordt deze relatie genoemd?

Ecologie

2/3 Roodhalsganzen benutten optimaal een korte periode voor de voortplanting.

Alle ganzen die in Siberië broeden zijn afhankelijk van de planten die daar groeien. De Poera-rivier biedt roodhalsganzen echter een bijzonder voordeel.
Het water van de rivier zakt in de zomer geleidelijk weg, waardoor steeds nieuwe vegetatiezones beschikbaar komen. "Met hun snaveltjes scharrelen de ganzen de minuscuul kleine plantjes met grote hapsnelheid bij elkaar", zegt Jouke Prop.

Met welke biologische vakterm wordt de vegetatie aangeduid die na het zakken van het water op de drooggevallen rivieroever tot ontwikkeling komt?

Ecologie

3/3 Roodhalsganzen benutten optimaal een korte periode voor de voortplanting.

De roodhalsganzen overwinteren in Nederland. Het lijkt of ganzen in Nederland het vooral voorzien hebben op het sappige, net ingezaaide gras in weilanden. Ze zouden daaraan de voorkeur geven boven de natuurlijke grassen uit de kwelder (buitendijks land dat ook bij vloed niet meer onder water loopt). Uit onderzoek blijkt dat het kweldergras voor hen beter is dan het jonge gras in een weiland. Het gras in een weiland levert wel meer reservebrandstof op, maar het kweldergras leidt tot een betere opbouw van de vliegspieren. En die zijn nodig voor de lange tocht naar Siberië.

Welke component van kweldergras levert de basis voor een betere opbouw van de vliegspieren van de roodhalsganzen?

Ecologie

2/3 Wisteria.

Planten van het geslacht Wisteria horen bij de vlinderbloemigen. Die leven vaak in symbiose met bepaalde bodembacteriën.

Wat is het nut van die symbiose voor de vlinderbloemige planten?

Ecologie

Voedsel en eiwitten.

Vlinderbloemige planten zoals de sojaplant, leven vaak in symbiose met knolletjesbacteriën. Van deze symbiose hebben beide organismen voordeel.

- Waaruit bestaat het voordeel van de bacterie in deze symbiose?
- Waaruit bestaat het voordeel van de sojaplant in deze symbiose?