Oefentoets Biologie: Ordening | HAVO 1/HAVO 2/HAVO 3 | variant 6

Deze digitale toets over de voortplanting en classificatie van dieren is ontworpen voor studenten in de biologie en behandelt onderwerpen zoals eieren zonder schaal, gewervelde en ongewervelde dieren, en de kenmerken van verschillende diersoorten. Test je kennis met uitdagende vragen en afbeeldingen die helpen bij de identificatie van organismen. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 1, HAVO 2, HAVO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dieren die eieren zonder schaal leggen

Ordening.

Welke van onderstaande dieren legt eieren zonder schaal?

Voortplanting van gewervelde dieren

Ordening.

Welke gewervelde dieren planten zich voort door eieren die ze zelf uitbroeden?

Vogels en hun classificatie

Ordening.

I. De vogels vormen een groep van de gewervelde dieren.
II. De vogels vormen een groep van de zoogdieren.

Amfibieën in de afbeelding herkennen

1/5 Een aantal dieren.
Zie figuur B 1964 van de bijlage.

De afbeelding geeft een aantal dieren weer. Hoewel ze ongeveer even groot zijn getekend, verschillen de dieren in werkelijkheid sterk in grootte.

Welk dier uit de afbeelding is een amfibie?

afbeeldingafbeelding

Milieu van geleedpotigen

2/5 Een aantal dieren.

In welk milieu kun je geleedpotigen aantreffen?

Identificeer het weekdier in de afbeelding

3/5 Een aantal dieren.
Zie figuur B 1964 van de bijlage.

Welk van deze dieren is een weekdier?

afbeeldingafbeelding

Lagere Dieren: Kies de Juiste Combinatie

4/5 Een aantal dieren.

Welke dieren uit de afbeelding behoren tot de lagere dieren?

afbeeldingafbeelding

Gewervelde en ongewervelde dieren

5/5 Een aantal dieren.

Welk van deze dieren is een gewerveld dier?

afbeeldingafbeelding

Kenmerken van de weidehommel

1/2 Hommels.
Zie figuur C 337 van de bijlage.

In de afbeelding is een zoekkaart voor de namen van hommels weergegeven.

Noem twee kenmerken uit deze zoekkaart waarmee alleen de weidehommel te herkennen is.

afbeeldingafbeelding

Werkelijke grootte van de weidehommel

2/2 Hommels.

De weidehommel is in de afbeelding 3 cm lang. Deze hommel is 1,5x zo groot getekend als dat hij in werkelijkheid is.

Bereken hoe groot deze weidehommel in werkelijkheid is.

afbeeldingafbeelding

Juist of onjuist? Biologische beweringen

Juist of onjuist?

Typ of de volgende beweringen juist of onjuist zijn.

1. De celkern geeft stevigheid aan de cel. [invulveld]

2. Bladgroenkorrels worden als kenmerk gebruikt om organismen in te delen in rijken. [invulveld]

3. Bacteriën zijn eencellig. [invulveld]

4.Bacteriën hebben celkernen. [invulveld]

5. Schimmels zijn opgebouwd uit lange, dunne draden. [invulveld]

6. Schimmels planten zich voort door middel van sporen. [invulveld]

7. Een champignon behoort tot het rijk van de planten. [invulveld]

8. Bij naaktzadigen groeien de zaden tussen de schubben van een kegel. [invulveld]

9. Dieren hebben cellen zonder celwanden. [invulveld]

10. De stekelhuidigen hebben een inwendig skelet met een wervelkolom. [invulveld]

11. Bij de tweekleppigen hebben de dieren meestal een gedraaide schelp. [invulveld]Zie verder onder

12. Bij de spinachtigen hebben de dieren 8 poten. [invulveld]

Identificatie van Organismen in Boomdiagram

Een vertakkingsschema.
Zie figuur C 66 van de bijlage.

Gegeven is een deel van het vertakkingsschema (boomdiagram) van de organismen. Enkele rijken, afdelingen en groepen zijn vervangen door nummers.

Noteer de namen van de rijken, afdelingen en groepen.

afbeeldingafbeelding

Determinatie van een koudbloedig dier

Determineren koudbloedig dier.
Zie de figuren C 67 en B 1161 van de bijlage.

In de determinatietabel van de bijlage staat de mogelijkheid om een organisme in een groep te plaatsen.

Bepaal met behulp van deze tabel tot welk rijk, welke afdeling en welke groep het koudbloedige dier uit de figuur behoort.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bepalen van een libel

Determineren libel.
Zie de figuren C 318 en B 3668 van de bijlage.

Determineer het volgende organisme met behulp van de determinatietabel. Noteer de stappen die je in de determinatietabel maakt.

Een libel (zie de afbeelding).

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bepaal het herderstasje met determinatietabel

Determineren herderstasje.
Zie de figuren C 318 en B 3669 van de bijlage.

Determineer het volgende organisme met behulp van de determinatietabel. Noteer de stappen die je in de determinatietabel maakt.

Een herderstasje (zie de afbeelding).

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Determinatie van de oehoe

Determineren oehoe.
Zie de figuren C 318 en B 3670 van de bijlage.

Determineer het volgende organisme met behulp van de determinatietabel. Noteer de stappen die je in de determinatietabel maakt.

Een oehoe (zie de afbeelding).

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Zijknoppen bij bomen herkennen

1/2 Boomknoppen.
Zie figuur C 327 van de bijlage.

In de afbeelding is een zoekkaart voor de namen van bomen weergegeven. Je kunt de naam van een boom vinden door naar de knoppen te kijken.

Bij welke boom staan de zijknoppen heel dicht bij elkaar bovenaan het takje?

afbeeldingafbeelding

Kleur van knopschubben van Paardekastanje

2/2 Boomknoppen.

Welke kleur hebben de knopschubben van de Paardekastanje?

afbeeldingafbeelding

Structuur van boomalg en cellen

1/3 Boomalg.
Zie figuur B 4559 van de bijlage.

Op bomen kom je soms een groenige, vochtige laag tegen. Deze laag bestaat uit boomalgen. Boomalgen zijn eencellige plantjes.

Heeft een boomalg cytoplasma?
En heeft een boomalg een celmembraan?

afbeeldingafbeelding

Fotosynthese en de bijbehorende stoffen

2/3 Boomalg.
Zie figuur B 4559 van de bijlage.

In boomalgen kan onder andere fotosynthese plaatsvinden. Hierbij wordt glucose gemaakt.

Welke andere stof ontstaat hierbij?

afbeeldingafbeelding