Oefentoets Biologie: Ecologie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 21

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie en gedrag

6/7 Aalscholvers.

Een visser beweert dat de palingvangst 20% hoger zou zijn als er geen aalscholvers zouden zijn.

Maak met behulp van een berekening duidelijk of deze bewering terecht of onterecht is.

Ecologie en gedrag

7/7 Aalscholvers.
Zie figuur B 2278 van de bijlage.

Voor welke twee vissoorten in de afbeelding zijn vogels de grootste concurrenten van de vissers (bijvangst en overige vis niet meegerekend)?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

1/3 Berberapen in Algiers.

In een tijdschrift staat de volgende tekst:

Tekst:
Berberapen leven in groepen in Noord-Afrika, op 1000 tot 2000 meter hoogte waar het in de winter zeer koud is. Deze zoogdieren eten gras, vruchten en andere planten, maar ook wel insecten en spinnen. Bij berberapen krijgt een vrouwtje meestal één jong per jaar. De baby's zijn in de groep erg belangrijk. Al vrij snel na de geboorte in het voorjaar nemen de volwassen mannetjes de baby's regelmatig van de vrouwtjes over, dragen ze op hun rug en beschermen ze. Een mannetje neemt een baby soms ook mee bij het benaderen van een ander mannetje. Het lijkt erop dat daardoor het andere mannetje minder agressief is.

Is de aanpassing een gevolg van een abiotische factor?
En van een biotische factor?

Ecologie en gedrag

2/3 Berberapen in Algiers.

Bij de berberapen worden de meeste jongen in het voorjaar geboren. Dat heeft voordelen.

Noem twee van deze voordelen.

Ecologie en gedrag

3/3 Berberapen in Algiers.

Wat is volgens de tekst de mogelijke uitwendige prikkel voor het onderdrukken van de agressie bij de mannetjesapen van deze soort?

Ecologie en gedrag

1/5 Broedende vogels.
Zie figuur B 2731 van de bijlage.

In Noord-Holland bevindt zich de ruïne Nuwendoorn. De in 1960 teruggevonden resten van deze oude burcht uit de tijd van Floris V bestaan uit de contouren van een kasteel, een slotgracht en een waterput. In de jaren tachtig is er een heemtuin aangelegd. Een heemtuin is een tuin waarin wilde planten uit de omgeving zijn samengebracht. Het gebied is ongeveer 1 ha groot. Zie de afbeelding.
In het hele terrein Nuwendoorn heeft de mens ingegrepen en komen dus geen natuurlijke ecosystemen voor. Indien men het beheer van het terrein zou stoppen zou in de verschillende kunstmatige ecosystemen een climaxvegetatie kunnen ontstaan.

Welk ecosysteem op het terrein van Nuwendoorn moet de langste successiereeks ondergaan om zich tot een climaxvegetatie te ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

2/5 Broedende vogels.

In de periode maart-juni 1997 werd het gebied door Mary Markx geïnventariseerd op de aanwezigheid van broedvogels. De inventarisatie werd uitgevoerd door het aantal zingende vogels van elke soort te bepalen. Dit aantal is een maat voor het aantal nesten.
In de tabel hieronder staan de resultaten van de inventarisatie.

afbeeldingafbeelding

Leid uit de tabel af hoeveel vogelpopulaties er minimaal in dit gebied vertegenwoordigd zijn. [invulveld] populaties
Uit hoeveel vogelgeslachten (genera) behoren deze populaties? [invulveld] geslachten

Ecologie en gedrag

3/5 Broedende vogels.
Zie figuur B 2732 van de bijlage.

Twee van de beschreven broedvogels, de kleine karekiet en de heggenmus, worden geparasiteerd door de koekoek (zie de afbeelding). Het koekoeksvrouwtje legt haar ei in een nest van de genoemde vogels, waarbij het koekoeksjong door de pleegouders wordt verzorgd.
Andere jongen zijn er niet want het koekoeksjong verwijdert alle andere eieren of jongen uit het nest. Opvallend is dat de nakomeling later weer een nest van dezelfde pleegoudersoort opzoekt.
In veel schoolboeken wordt de opengesperde bek van het koekoeksjong die aan de binnenkant rood is gekleurd, beschreven als een voorbeeld van een supranormale prikkel voor de pleegouder.

Leg uit dat alleen veldwaarnemingen niet voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat de open rode bek van het koekoeksjong een supranormale prikkel voor de ouders is.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

4/5 Broedende vogels.

Nicholas Davies en Michael Brooke voerden een aantal experimenten uit waarbij ze steeds twee karekietnesten aan elkaar vastmaakten, een met een karekietenjong en een met een koekoeksjong. Er was steeds slechts een karekietenouderpaar dat de zorg voor beide jongen op zich kon nemen. Het paar bleek beide jonge vogeltjes evenveel voedsel aan te bieden. De presentatie in de schoolboeken is dus op grond van de resultaten van de experimenten van Davies en Brooke onjuist.

Hoe zou de presentatie die in de schoolboeken is opgenomen, voor de experimenten van Davies en Brooke, eigenlijk genoemd moeten worden?

Ecologie en gedrag

5/5 Broedende vogels.

Opvallend is dat koekoeken die hun eieren leggen in het nest van een karekiet, eieren produceren die heel erg veel lijken op die van de karekiet. Bij koekoeken die hun eieren leggen in het nest van een heggenmus lijken de eieren niet op die van een heggenmus.
Davies en Brooke ontdekten met behulp van experimenten dat heggenmussen, in tegenstelling tot karekieten, weinig neiging vertonen 'vreemde eieren' uit het nest te verwijderen. Ook vonden zij dat slechts 2% van de heggenmusnesten door koekoeken wordt bezocht tegen 16% van de karekietnesten. Zij opperden dat de relatie tussen heggenmus en koekoek pas veel later in de evolutie tot stand gekomen is dan die tussen karekiet en koekoek.
Deze mening is gebaseerd op feiten uit de tekst hierboven.

Noem drie feiten uit deze tekst die deze mening ondersteunen.

Ecologie en gedrag

1/4 Forel in Nieuw-Zeeland.

Vanwege de uitdaging die hij vormt voor sportvissers, werd in 1867 de beekforel (Salmo trutta) vanuit Engeland in de Nieuw-Zeelandse viswateren geïntroduceerd. Deze beekforel heeft zich op eigen kracht verspreid over een aantal beken, rivieren en meren.
Daarbij verdwenen inheemse vissen van het genus Galaxias. Om te bepalen wat de invloed van deze introductie op Nieuw-Zeelandse ongewervelden is, werd een ecologisch onderzoek gedaan in beken met beekforel en in beken met de inheemse Galaxias. Zowel de beekforel als Galaxias eten nymfen (larven) van eendagsvliegen van het genus Deleatidium. Deze nymfen begrazen microscopisch kleine algen op de stenen bedding van de beek, maar kunnen zich tussen de keien verschuilen.
In drie proefopstellingen werden de grazende nymfen geteld op een bedding met keien in respectievelijk stromend water zonder vis (1), stromend water met Galaxias-vissen (2) en stromend water met beekforellen (3). Het aantal Deleatidium-nymfen was bij aanvang in alle drie proefopstellingen gelijk en de vissen konden niet bij de nymfen komen.

Zie volgende scherm

Ecologie en gedrag

2/4 Forel in Nieuw-Zeeland.
Zie figuur B 3922 van de bijlage.

In het diagram van de afbeelding zijn de resultaten van dit experiment weergegeven.

Welke twee conclusies kun je trekken uit de resultaten van het hierboven beschreven experiment?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

3/4 Forel in Nieuw-Zeeland.

In de Taieri-rivier (Nieuw-Zeeland) werden 198 plaatsen uitgezocht en in vier typen ingedeeld op grond van de aan- of afwezigheid van de beide vissoorten:
Het voorkomen van de beekforel en van Galaxias op bepaalde plaatsen (zie de tabel hieronder) wijst op een verschil in het gedrag van deze vissen.

afbeeldingafbeelding

Welk verschil in het gedrag van de beekforel en dat van Galaxias heeft als gevolg dat ze op verschillende plaatsen voorkomen?

Ecologie en gedrag

4/4 Forel in Nieuw-Zeeland.
Zie figuur A 899 van de bijlage.

Nader onderzoek werd gedaan naar indirecte effecten van de beekforel op het ecosysteem in de Nieuw-Zeelandse wateren. Daartoe werden twee gebieden in de Taieri-rivier met fysisch-chemisch gelijke omstandigheden bestudeerd. In het ene gebied leefde als enige vis Galaxias, in het andere gebied als enige vis de beekforel.
De netto productie aan algen, ongewervelden (zoals Deleatidium nymfen) en vis werd bepaald. Ook werd bepaald de hoeveelheid biomassa aan algen en ongewervelden die door het volgende trofische niveau werd geconsumeerd. De resultaten zijn in de staafdiagrammen van de afbeelding weergegeven.

Hoe groot is de consumptie aan ongewervelden in water met beekforel (per m2 per jaar) en hoe groot is daar de netto productie (per m2 per jaar) aan beekforel? Geef een verklaring voor het verschil.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

1/2 Opgepast, hermelijnen!
Zie figuur B 6823 van de bijlage.

Tekst:
De Nieuw-Zeelandse vliegenvanger is een vogelsoort die voorkomt in Nieuw-Zeeland en op enkele eilanden in de buurt van Nieuw-Zeeland. Zo'n 120 jaar geleden werd de hermelijn, een Europese roofdiersoort, in Nieuw-Zeeland ingevoerd. Er vielen aanvankelijk veel slachtoffers onder de vogels. Tegenwoordig zijn de vogels in Nieuw-Zeeland zeer waakzaam. Kort geleden belandden er ook hermelijnen op het dichtbij Nieuw-Zeeland gelegen eiland Motuara.
Om te voorkomen dat de vrij kleine populatie van de vliegenvanger op dit eiland uitsterft, geeft een groep biologen de vogels een 'survival training': nagemaakte hermelijnen met een dode vliegenvanger in hun bek worden aan een touw over de grond getrokken. Daarbij wordt de alarmkreet van de vogels ten gehore gebracht. Deze biologen gaan er blijkbaar vanuit dat waakzaamheid ontwikkeld kan worden door een leerproces.

bron: Vogels, mei 1996, p. 6

Van welk leerproces bij vliegenvangers proberen deze biologen gebruik te maken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

2/2 Opgepast, hermelijnen!

In Nieuw-Zeeland heeft de populatie vliegenvangers zelf waakzaamheid ontwikkeld.

Leg uit hoe in Nieuw-Zeeland een blijvende waakzame populatie kon ontstaan na de verspreiding van de hermelijnen uit Europa.
Hoe wordt het proces, waardoor zo'n waakzame populatie ontstaat, genoemd?

Ecologie en gedrag

1/5 De naakte molrat.

Tekst:
De naakte molrat komt alleen voor in de savanne van Oost-Afrika. Daar leven deze kleine knaagdiertjes in kolonies onder de door de zon geblakerde grond. Gemiddeld tellen hun leefgemeenschappen zo'n 100 individuen.
Een kolonie bezit slechts één vrouwtje dat zich voortplant: de 'koningin'. De koningin is agressief, voortdurend actief en dominant aanwezig. Onderzoekers denken dat ze door dit gedrag duidelijk maakt dat ze een goed functionerende koningin is.
Zij paart slechts met enkele van de (volwassen) mannetjes, ook al vormen alle mannetjes sperma. Een vergelijking van het erfelijk materiaal van kolonieleden laat zien dat dit verbazingwekkend uniform is. Naakte molratten van verschillende kolonies in hetzelfde gebied vertonen iets grotere verschillen, maar de overeenkomsten zijn toch opmerkelijk groot.
Doordat er weinig genetische variatie is, zijn de naakte molratten van een kolonie allemaal even goed aangepast aan hun milieu.
Naast de koningin en de mannetjes leven er in een kolonie ook werksters. Dit zijn vrouwtjes die zich niet voortplanten, maar zich uitsluitend bezig houden met het verzamelen van voedsel of het vegen van de gangen. Als ze klaar zijn met hun werk, gaan ze naar de centrale ruimte in de kolonie en 'ploffen' op de soezende leden van de kolonie. Door hun naakte huid houden de dieren elkaar warm.
In de kolonie bevindt zich een speciale 'toiletruimte' waar alle leden van de kolonie hun ontlasting deponeren. De koningin laat na een bezoek aan de toiletruimte een bepaalde roep horen waardoor andere leden van de kolonie worden aangelokt. Deze wentelen zich door de
uitwerpselen/urine, waarmee voorkomen wordt dat andere vrouwtjes dan de koningin zich gaan voortplanten.

bewerkt naar: Roes, Frans: De naakte molrat, blz. 20 e.v., Prometheus 1993

Zie volgende scherm

Ecologie en gedrag

2/5 De naakte molrat.
Zie figuur B 6824 van de bijlage.

Noem een nadeel van de geringe genetische variatie in een kolonie.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

3/5 De naakte molrat.

Geef een mogelijke verklaring voor de grote mate van overeenkomst in genetisch materiaal tussen de naakte molratten van verschillende kolonies in eenzelfde gebied.

Ecologie en gedrag

4/5 De naakte molrat.

Tussen de individuen van de verschillende kolonies zijn de genetische verschillen gemiddeld genomen groter dan de genetische verschillen tussen de individuen binnen een kolonie.
Hiervoor worden de volgende verklaringen gegeven:

1. Een koningin paart een aantel malen met verschillende mannetjes.
2. De koningin van de ene kolonie is genetisch niet identiek aan de koningin van de andere kolonie.
3. De kans op genetisch verschillende mannetjes is in de ene kolonie groter dan in de andere kolonie.

Welke verklaring is of welke verklaringen zijn juist?