Oefentoets Biologie: Voortplanting | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 9

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Het uitblijven van de menstruatie.

Als een vrouw zwanger is, blijft de menstruatie uit.

Wat is de oorzaak van dit uitblijven?

Voortplanting

De innesteling.

Bevruchting heeft bij de menselijke eicel direct na de ovulatie plaats.

De eerste klievingsdelingen treden dan op in

Voortplanting

Sperma.

Sperma is

Voortplanting

Vier uitspraken over de menstruatie.

Vier uitspraken over de menstruatie bij de mens zijn:

1. Menstruatie is het afstoten van een deel van het baarmoederslijmvlies.
2. Menstruatie is het afstoten van een niet-bevruchte eicel.
3. Menstruatie ontstaat doordat de eierstokken de productie van een bepaald hormoon sterk verlagen.
4. Menstruatie ontstaat doordat de baarmoeder de productie van een bepaald hormoon sterk verhoogt.

Welke uitspraken zijn juist?

Voortplanting

1/3 Syndroom van Down.

Bij mensen met het syndroom van Down komt in elke lichaamscel een extra chromosoom 21 voor. Dit wordt ook wel aangeduid met trisomie 21.
Als een vrouw van 20 jaar zwanger is, is de kans dat haar kind trisomie 21 heeft 1 op 2300. Bij vrouwen van 45 jaar en ouder is die kans groter dan 1 op 100. Toch komen er meer zwangerschappen met trisomie 21 voor bij jonge vrouwen dan bij vrouwen van 45 jaar en ouder.

Geef hiervoor een verklaring.

Voortplanting

2/3 Syndroom van Down.

Trisomie 21 kan zijn veroorzaakt door non-disjunctie tijdens meiose I of meiose II. Bij non-disjunctie blijft een chromosomenpaar bij elkaar tijdens de anafase.
Nadat een bepaalde spermamoedercel meiose I en II heeft ondergaan is de verdeling van de chromosomen 21 over de vier gevormde spermacellen als volgt:

afbeeldingafbeelding

Heeft bij de vorming van deze spermacellen non-disjunctie plaatsgevonden tijdens meiose I, tijdens meiose II, of is beide mogelijk?

Voortplanting

3/3 Syndroom van Down.
Zie figuur B 3720 van de bijlage.

Bij ongeveer 8% van de personen met het syndroom van Down treft men het normale aantal chromosomen in de cellen aan. Bij deze mensen is de lange arm van het derde exemplaar van chromosoom 21 gekoppeld aan de lange arm van chromosoom 14 ter hoogte van het centromeer. Daarbij gaat van beide chromosomen de korte arm verloren. Men spreekt dan van translocatie-trisomie.

In de bijlage is een aanzet gegeven voor een schematische tekening van een kerndeling bij aanvang van de anafase.

Teken in de 'cel' in de uitwerkbijlage alleen de chromosomen 14 en 21 bij aanvang van de anafase van meiose I bij een vrouw met deze translocatietrisomie. Breng het verschil tussen de chromosomen 14 en 21 in de tekening tot uitdrukking.

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/2 Onvruchtbaarheid.

Sommige mannen produceren antistoffen tegen hun eigen spermacellen. Bepaalde eiwitten van de eigen spermacellen worden in dat geval door het lichaam als antigenen beschouwd.
De spermacellen klonteren samen nadat ze zijn gevormd. Ze zijn daardoor niet in staat een eicel te bevruchten.

Is te verwachten dat de beschreven onvruchtbaarheid zich na verloop van tijd zal herstellen, zodat deze mannen weer vruchtbaar worden? Geef een verklaring voor je antwoord.

Voortplanting

2/2 Onvruchtbaarheid.
Zie figuur C 83 van de bijlage.

Wordt bij mannen die door de beschreven antistofproductie onvruchtbaar zijn, FSH gevormd?
En LH?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/2 Prenatale genetische diagnostiek (PGD).

Tegenwoordig is men in staat om, voordat bevruchte eicellen in de baarmoeder worden teruggeplaatst, deze genetisch te onderzoeken op erfelijke afwijkingen.

Welke consequenties kan prenatale gendiagnostiek hebben voor het sluiten van een levensverzekering?

Voortplanting

2/2 Prenatale genetische diagnostiek (PGD).

En welke voor het krijgen van een latere arbeidstoekomst?

Voortplanting

1/3 Het genotype XXY.
Zie figuur A 288 van de bijlage.

Bij de mens kan tijdens een kerndeling non-disjunctie van chromosomen optreden.
Non-disjunctie wil zeggen dat de chromatiden van één chromosoom gedurende en na de deling bij elkaar blijven, of dat bij meiose-I de chromosomen van één paar bij elkaar blijven.
In de afbeelding zijn de geslachtschromosomen van een man bij normaal verlopende mitose en meiose afgebeeld. Verder zijn voorbeelden van non-disjunctie tijdens mitose, tijdens meiose-I en tijdens meiose-II weergegeven. Alle gevormde gameten zijn in staat tot bevruchting. Er wordt gesteld dat de kans dat uit de dan ontstane zygoten levende nakomelingen ontstaan, in alle gevallen even groot is.
In 1% van de gameetmoedercellen van een man treedt tijdens meiose-I non-disjunctie van de geslachtschromosomen op. Alle door deze man gevormde spermacellen hebben een even grote kans om een eicel te bevruchten. Eén spermacel bevrucht een eicel en gelijktijdig bevrucht een andere spermacel een andere eicel.
Bij de vorming van deze eicellen is geen non-disjunctie opgetreden. Er ontstaat een twee-eiige tweeling.

Hoe groot is de kans dat beide kinderen het genotype XXY hebben?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/3 Het genotype XXY.

Twee gebeurtenissen zijn:

1. Bij een klievingsdeling tijdens de embryonale ontwikkeling van een persoon P is non-disjunctie van de geslachtschromosomen opgetreden.
2. Tijdens de vorming van een spermacel is non-disjunctie van de geslachtschromosomen opgetreden in de meiose-I; deze spermacel versmelt met een normale eicel tot een zygote waaruit een persoon R ontstaat.

Ontstaat na gebeurtenis 1 altijd een persoon met genotype XXY in alle diploïde cellen?
En na gebeurtenis 2?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

3/3 Het genotype XXY.

Een andere persoon Q met het genotype XXY heeft bij de geboorte een mannelijk fenotype. Pas tijdens de puberteit wordt zichtbaar dat de ontwikkeling van Q niet normaal is. Zijn testes zijn klein en hij blijkt geen spermacellen te vormen. Zijn lichaamsbeharing is vrouwelijk en hij ontwikkelt borsten. Door behandeling met een bepaald hormoon kan hij een meer mannelijk uiterlijk krijgen.

Met welk hormoon wordt hij behandeld?

Voortplanting

1/2 Weefsels uit geslachtsorganen.

Vier organen zijn:

1. een ovarium van een niet-zwangere vrouw van 30 jaar,
2. de baarmoeder van een niet-zwangere vrouw van 30 jaar,
3. de prostaat van een man van 30 jaar,
4. een testis van een man van 30 jaar.

Een onderzoekster bestudeert weefsels die afkomstig zijn van deze organen.

In welk of in welke van deze weefsels kan zij zowel stadia van meiose als stadia van mitose aantreffen?

Voortplanting

2/2 Weefsels uit geslachtsorganen.

Gedurende een etmaal wordt de concentratie van geslachtshormonen bepaald in het bloed van de aders en van de slagaders van deze vier organen.

Bij welk of bij welke van deze organen zal de concentratie van geslachtshormonen in het bloed van de ader hoger zijn dan die in het bloed van de slagader?

Voortplanting

1/6 Anticonceptie.
Zie figuur B 2053 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Een van de methoden die een vrouw kan toepassen ter voorkoming van zwangerschap, is het slikken van anticonceptiepillen. Er zijn diverse typen anticonceptiepillen, zoals de combinatiepil en de driefasenpil. Beide typen bevatten oestrogeenachtige stoffen en progesteronachtige stoffen.

Gedurende 21 dagen wordt elke dag een pil genomen: vervolgens wordt 7 dagen gestopt, in welke periode menstruatie optreedt. In de afbeelding is het slikschema van deze pillen weergegeven. De tabel hieronder geeft de hormonale samenstelling van de te slikken pillen weer.

afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Voortplanting

2/6 Anticonceptie.
Zie figuur B 2053 van de bijlage.

Over de driefasenpil en de combinatiepil worden de volgende beweringen gedaan:

1. Door het slikken van de driefasenpil wordt het concentratieverloop van hormonen uit de ovaria, zoals dat tijdens de menstruatiecyclus verandert, meer nagebootst dan door het slikken van de combinatiepil.
2. Door het slikken van de driefasenpil wordt het concentratieverloop van hormonen uit de ovaria, zoals dat tijdens de zwangerschap verandert, meer nagebootst dan door het slikken van de combinatiepil.
3. Door het slikken van de driefasenpil wordt het concentratieverloop van hormonen uit de hypofyse, zoals dat tijdens de zwangerschap verandert, meer nagebootst dan door het slikken van de combinatiepil.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

3/6 Anticonceptie.

Hebben de hormonen die uit de driefasenpil worden opgenomen ter voorkoming van zwangerschap, het eerst een remmend effect op de hormoonproductie van de hypofyse, op de hormoonproductie van de ovaria of op de rijping van de eicellen?

Voortplanting

4/6 Anticonceptie.
Zie figuur B 2053 van de bijlage.

Waardoor begint de menstruatie in de periode S (zie de afbeelding B 2053)?

afbeeldingafbeelding