Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 4

Ontdek de digitale toets over voedselnetten en de rol van organismen, gericht op leerlingen die meer willen leren over ecologie en de impact van pesticiden, met vragen over voedselketens en de invloed van verschillende diersoorten. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gevolgen van pesticiden in een voedselnet

2/5 Een voedselnet.
Zie figuur A 603 van de bijlage.

Door een ernstig ongeluk met pesticiden in een tarweveld, sterven alle veldmuizen.

Welke dier uit het net zal van deze sterfte het meeste profiteren? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Gevolgen van sterfte in een voedselnet

3/5 Een voedselnet.
Zie figuur A 603 van de bijlage.

Welke dier uit het net zal van deze sterfte het meeste nadeel ondervinden? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Bestrijdingsmiddelen tegen insecten

4/5 Een voedselnet.

Hoe noemen we de groep bestrijdingsmiddelen waarmee bijv. luizen, sprinkhanen enz., kunnen worden gedood?

Voedselnet en rol van de reiger

5/5 Een voedselnet.
Zie figuur A 603 van de bijlage.

Als in dit voedselnet een reiger zou worden geplaatst, welke soort ...voor (= eter) zou het dan zijn? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Conservatie van Ötzi: oorzaak en uitleg

1/3 Ötzi.
Zie figuur B 3683 van de bijlage.

In de Alpen heeft men enkele jaren geleden in een gletsjer een ijsmummie gevonden van 5300 jaar oud. Ötzi, zoals hij genoemd is, wordt bij - 6°C bewaard en tentoongesteld.
Gewoonlijk worden dode organismen door reducenten afgebroken.

Leg uit wat de oorzaak is dat Ötzi grotendeels is geconserveerd.

afbeeldingafbeelding

Onderzoek van cellen en chromosomen

2/3 Ötzi.

Voor onderzoek wordt de mummie gedeeltelijk ontdooid.
In kleine stukjes weefsel onderzoekt men de chromosomen van Ötzi.

Hoe heet het deel van een cel dat dan wordt onderzocht?

Informatie uit Ötzi's gebit

3/3 Ötzi.
Zie figuur B 3137 van de bijlage.

Het gebit kan informatie geven over de plaats waar Ötzi is opgegroeid. Lood en allerlei andere stoffen komen in de kindertijd vooral in het glazuur terecht. De hoeveelheden van deze stoffen in de bodem en in het voedsel verschillen sterk van plaats tot plaats. In de afbeelding is een tand weergegeven.

Welke letter geeft de plaats aan waar de genoemde stoffen vooral terechtkomen?

afbeeldingafbeelding

Voedselketen van de kabeljauw

1/2 Kabeljauw.
Zie figuur B 4560 van de bijlage.

Kabeljauw is een vissoort die veel door mensen wordt gegeten. In de Atlantische Oceaan worden veel kabeljauwen gevangen. Zij leven van vissen zoals haringen. Haringen eten onder andere plantaardig plankton, dat in het zeewater zweeft. Kabeljauwen paren vooral rond april. Als na een maand de eieren uitkomen, groeien de jongen snel. Eerst leven zij nog van plankton daarna gaan zij over op het eten van vissen.
Kabeljauwen kunnen wel anderhalve meter lang worden.

Wat is de volledige voedselketen, waarvan volwassen kabeljauwen volgens de tekst deel uitmaken?

afbeeldingafbeelding

Rol van kabeljauw in het ecosysteem

2/2 Kabeljauw.

Zijn kabeljauwen consumenten, producenten of reducenten?

Voedselketen van de Vlaamse gaai

1/3 Vlaamse gaai.
Zie figuur B 4588 van de bijlage.

Vlaamse gaaien zijn van oorsprong echte bosvogels. In het voorjaar voeden ze hun jongen vooral met insecten.
Dit kunnen bijvoorbeeld rupsen zijn die van eikenbladeren leven. In het najaar schakelen Vlaamse gaaien over op plantaardig voedsel. Vooral de zaden (eikels) van eikenbomen eten ze graag. De vogel verstopt de eikels op verschillende plaatsen in het bos. In de winter weet hij niet alle plaatsen terug te vinden.

In de tekst worden de namen van drie organismen genoemd.

Wat is de volledige voedselketen, waarvan deze organismen volgens de tekst deel uitmaken?

afbeeldingafbeelding

Rol van de Vlaamse gaai in het ecosysteem

2/3 Vlaamse gaai.

Is de Vlaamse gaai een consument, een producent of een reducent?

Voordelen van Vlaamse gaai voor eikenboom

3/3 Vlaamse gaai.

De Vlaamse gaai vindt niet alle verstopte zaden van de eik terug.

Welk voordeel heeft dit voor de eikenboom?

Voedselketen van de zee-olifant

1/2 Een zee-olifant.
Zie figuur B 4603 van de bijlage.

Zee-olifanten zijn grote zeeroofdieren.
Ze worden zo genoemd omdat ze zo groot zijn èn omdat de mannetjes een slurfachtige neus hebben.
Zee-olifanten eten vooral inktvis.
Inktvissen - op hun beurt - eten garnalen die van plantaardig plankton leven.

Welke voedselketen wordt hierboven beschreven?

afbeeldingafbeelding

Soorten kiezen van de zee-olifant

2/2 Een zee-olifant.

Welk soort kiezen heeft een zee-olifant?

Predatoren in de Tuin

Een predator in de tuin.

Een voorbeeld van een predator in de tuin is .

Afvaleters in de Tuin

Een afvaleter in de tuin.

Een voorbeeld van een afvaleter in de tuin is .

Autotroof of heterotroof: Duivelsnaaigaren

Duivelsnaaigaren.
Zie figuur B 5139 van de bijlage.

Duivelsnaaigaren is een plant die wat betreft organische stoffen geheel afhankelijk is van de plant waarop hij parasiteert.

Is het duivelsnaaigaren autotroof of heterotroof?
En bezit duivelsnaaigaren wel of geen bladgroen? bladgroen

afbeeldingafbeelding

Invloed van Mottensoorten op Populatie

Mottensoorten.
Zie de figuren B 5267, B 5266 en A 1171 van de bijlage.

In een bepaalde habitat leeft een mottensoort A. De motten verschillen onderling in lichaamskleur. Deze fenotypische variatie kun je in een diagram (zie afbeelding 1 hiernaast) weergeven.
Er zijn vogels die deze motten smakelijk vinden en eten.
In dezelfde habitat leven drie andere mottensoorten 1, 2 en 3.
Die drie mottensoorten zien er wat betreft kleur hetzelfde uit als de kleurvariaties binnen de mottensoort A (zie afbeelding 2).
Mot 1 lijkt op de lichte variatie van mot A.
Mot 2 lijkt op de grijze variatie van mot A.
Mot 3 lijkt op de hele donkere variatie van mot A.
Er is één belangrijk verschil. De mottensoorten 1, 2 en 3 smaken gruwelijk en na zo'n ervaring vermijden de vogels om 1, 2 of 3 te eten.
Stel je voor dat het aantal motjes nr 3 om één of andere reden plots enorm toeneemt in de habitat.

Welke invloed zal dat hebben op de samenstelling van de populatie van mot A?
Kies het diagram in afbeelding 3 dat die invloed het beste weergeeft.
De verticale gestreepte lijn stelt het gemiddelde voor van de oorspronkelijke populatie.
Het juiste diagram is .

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Invloed van remstoffen op zaadkieming

Remstoffen.
Zie figuur B 5283 van de bijlage.

Stoffen uit zaden kunnen de kieming van andere zaden beïnvloeden.
Over deze invloed wordt een experiment gedaan met zaden van tuinkers, biet en radijs. Tijdens de proefjes krijgen de zaden voldoende water om te kunnen kiemen.
Om een voorwerpglaasje wordt filtreerpapier gevouwen. Hierop worden twee groepjes van 10 zaden gelegd. Aan één kant van het glaasje (begin) wordt door het papier water opgenomen. Dit stroomt dan naar de andere kant (eind), zodat mogelijke remstoffen van het eerste groepje zaden naar het tweede groepje zaden getransporteerd worden. Zie foto hiernaast.
Na een week wordt het gemiddelde % kieming genoteerd in een tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

- Welke zaden kiemen het minst goed?
Die van de .

-En welke zaden worden het minst beïnvloed door remstoffen in deze proef?
Die van de .

afbeeldingafbeelding

Energieverlies bij de koe

Energie.
Zie figuur B 5284 van de bijlage.

Nog geen 4% van de energie vanuit het voer wordt in de koe vastgelegd en is beschikbaar als voedsel voor de mens.
Van de energie uit het voer van de koe gaat 96% blijkbaar verloren. De mens kan niet alle delen van de koe eten, zoals huid, hoeven en botten.

Noem nog twee vormen van energieverlies door de koe als tussenstap te nemen.

afbeeldingafbeelding