Mottensoorten.
Zie de figuren B 5267, B 5266 en A 1171 van de bijlage.
In een bepaalde habitat leeft een mottensoort A. De motten verschillen onderling in lichaamskleur. Deze fenotypische variatie kun je in een diagram (zie afbeelding 1 hiernaast) weergeven.
Er zijn vogels die deze motten smakelijk vinden en eten.
In dezelfde habitat leven drie andere mottensoorten 1, 2 en 3.
Die drie mottensoorten zien er wat betreft kleur hetzelfde uit als de kleurvariaties binnen de mottensoort A (zie afbeelding 2).
Mot 1 lijkt op de lichte variatie van mot A.
Mot 2 lijkt op de grijze variatie van mot A.
Mot 3 lijkt op de hele donkere variatie van mot A.
Er is één belangrijk verschil. De mottensoorten 1, 2 en 3 smaken gruwelijk en na zo'n ervaring vermijden de vogels om 1, 2 of 3 te eten.
Stel je voor dat het aantal motjes nr 3 om één of andere reden plots enorm toeneemt in de habitat.
Welke invloed zal dat hebben op de samenstelling van de populatie van mot A?
Kies het diagram in afbeelding 3 dat die invloed het beste weergeeft.
De verticale gestreepte lijn stelt het gemiddelde voor van de oorspronkelijke populatie.
Het juiste diagram is
.
afbeelding
afbeelding
afbeelding