Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose

Waterverlies bij vier soorten waterdieren.

Bij een experiment worden vier dieren van ongeveer dezelfde grootte uit hun eigen milieu overgebracht naar een ander milieu:

1. een zoetwatervis wordt overgebracht naar zeewater;
2. een zeevis wordt overgebracht naar zoet water;
3. een zoetwaterschildpad wordt overgebracht naar zeewater;
4. een zeeschildpad wordt overgebracht naar zoet water.

De dieren kunnen zich niet aanpassen aan hun nieuwe milieu.

Welk dier zal na een half uur het meeste water hebben verloren?

Osmose

Vissen, die van zeewater naar zoetwater trekken.

Bij sommige vissen die van zeewater naar zoetwater trekken, blijkt in het zoete water een sterke verdikking van de buitenste laag van de huid op te treden.

Welke functie heeft deze verdikking vooral?

Osmose

Als een vis in zeewater.

Een bepaalde zoetwatervis kan zich goed aanpassen wanneer hij in zeewater terecht komt.
Enkele uitspraken over zijn veranderde zout- en waterhuishouding zijn:

1. het gewicht van de vis neemt af;
2. de hoeveelheid gevormde urine neemt toe;
3. de concentratie zouten in de cellen neemt af;
4. de concentratie zouten in de cellen neemt toe.

Welke uitspraken duiden op een aanpassing van de zoetwatervis aan het verblijf in zeewater?

Osmose

Uiencellen onder de microscoop.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water.
Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water.

Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

Osmose

Het volume en de turgor van een plantencel.
Zie figuur B 413 van de bijlage.

In het diagram is het verband weergegeven tussen het volume van een plantencel en de turgor van die cel.
Bij R zijn het celvolume en de turgor van die cel maximaal.

In welk van de trajecten tussen P en R treedt waterverplaatsing op tussen de celinhoud en de omgeving?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Aardappelreepjes in glucose-oplossingen.
Zie figuur B 414 van de bijlage.

Reepjes aardappel, gesneden uit dezelfde verse aardappel, werden in glucose-oplossingen van verschillende concentraties gelegd. De reepjes hadden een gelijke lengte en dikte.
Na een uur werd de lengteverandering van de reepjes gemeten.

Van de verkregen resultaten werd het afgebeelde diagram gemaakt.
Aan het eind van de proef worden drie aardappelreepjes met elkaar vergeleken:

- de aardappelreepjes die respectievelijk in de 1%, de 2% en de 5% glucose-oplossing hebben gelegen.

Welke van deze reepjes is het slapst?


-

afbeeldingafbeelding

Osmose

Vormverandering van een rode bloedcel
Zie figuur B 95 van de bijlage.

Een rode bloedcel van een mens bevindt zich in een bepaalde oplossing en ziet er dan uit zoals in plaatje 1 is weergegeven. Na toevoeging van een stof aan deze oplossing treedt een duidelijke vormverandering op (zie plaatje 2).

Welke stof kan dit zijn geweest?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Osmose in bloedcellen. (2)

Vier reageerbuizen bevatten ieder een oplossing van keukenzout. In elk van de vier buizen wordt een druppel bloed van een mens gedaan.
Het volgende wordt waargenomen:

- in buis 1 veranderen de rode bloedcellen niet van vorm,
- in buis 2 verschrompelen de rode bloedcellen,
- in buis 3 zwellen de rode bloedcellen en barsten ze,
- in buis 4 zwellen de rode bloedcellen, maar barsten ze niet.

Welke van de buizen is gevuld met de meest geconcentreerde oplossing van keukenzout?

Osmose

Rode bloedcellen in een bloedstolsel.
Zie figuur B 423 van de bijlage.

De afbeelding geeft een rode bloedcel en een fibrinedraad weer in een bloedstolsel bij een vergroting van 1480x. In het stolsel heeft de rode bloedcel zijn gladde, ovale vorm verloren. Dit is een gevolg van het feit dat bij stolling de concentratie van opgeloste deeltjes in de vloeistof rond de rode bloedcel verandert.

Neemt de concentratie van opgeloste deeltjes in de vloeistof rond de rode bloedcel bij de stolling af of toe?
Neemt de rode bloedcel dan water op of verliest de cel water?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een experiment met rode bloedcellen.

Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde concentratie van opgeloste deeltjes die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing.
Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende concentratie van opgeloste deeltjes.
De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembranen passeren.
Na enige tijd worden de rode bloedcellen onder de microscoop bekeken. Het blijkt dat ze gezwollen zijn.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in deze gezwollen rode bloedcellen kleiner dan, gelijk aan of groter dan die van een 0,9% NaCl-oplossing?

Osmose

Een experiment met rode bloedcellen.

Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde concentratie van opgeloste deeltjes die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing. Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende concentratie van opgeloste deeltjes. De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembranen passeren. Na enige tijd worden de rode bloedcellen onder de microscoop bekeken. Het blijkt dat ze gezwollen zijn.
Terwijl de gezwollen rode bloedcellen nog onder de microscoop liggen, wordt een oplossing Q onder het dekglaasje gebracht. Het volume van de cellen wordt daardoor kleiner.

Is de oplossing Q hypotonisch, hypertonisch of isotonisch ten opzichte van de oplossing P?

Osmose

Sterke zoutoplossing met een druppel bloed.

In een reageerbuis met een sterke zoutoplossing (bij voorbeeld 10% NaCl) wordt een druppel bloed gedaan.

Hoe zullen de rode bloedcellen veranderen en waardoor wordt dit veroorzaakt?

Osmose

Vier reageerbuizen met een druppel bloed.

Vier reageerbuizen bevatten elk een verschillende vloeistof. In elk van de vier wordt een druppel bloed gedaan.
Het volgende wordt waargenomen:

buis 1. de rode bloedcellen zwellen, maar barsten niet,
buis 2. de rode bloedcellen zwellen en barsten,
buis 3. de rode bloedcellen verschrompelen,
buis 4. de rode bloedcellen veranderen niet.

Eén van de reageerbuizen is gevuld met gedestilleerd water.

Welke?

Osmose

Een witte bloedcel met glucose-oplossing.

Een witte bloedcel van een mens wordt ondergedompeld in water waarin glucose is opgelost.
De concentratie van opgeloste stoffen in het cytoplasma van de witte bloedcel is groter dan de concentratie van glucose in de omringende vloeistof.

In deze situatie gaat naar alle waarschijnlijkheid door osmose

Osmose

Bloedcellen.

Bloed van een mens wordt met een microscoop onderzocht. Dit gebeurt ook met ééncellige groene wieren, afkomstig uit zeewater. Nadat het bloed is verdund met gedestilleerd water, ziet men dat de rode bloedcellen zijn opengebarsten. De cellen van de groene wieren in gedestilleerd water zijn niet opengebarsten.

Wat kan een verklaring zijn voor dit verschil?

Osmose

Stevigheid & koolhydraten bij planten

In planten komen opgeloste en niet opgeloste koolhydraten voor.

Kunnen deze een rol spelen bij de stevigheid?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Bloemsteel van een paardenbloem in zuiver water.
Zie figuur B 342 van de bijlage.

Een bloemsteel van een paardenbloem wordt in een bekerglas met zuiver water gehangen.
Tevoren is de onderzijde van de steel enkele centimeters in de lengterichting ingesneden.
Na 30 minuten zijn de uiteinden van de steel naar buiten omgekruld (zie tekening).

Wat is de oorzaak van het omkrullen?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Plantaardig weefsel in twee verschillende zoutoplossingen.

Van een plant worden twee even grote kubussen uit hetzelfde weefsel gesneden.
Men legt elk van deze kubussen ieder 24 uur in twee verschillende zoutoplossingen. Kubus 1 is dan groter en kubus 2 kleiner geworden. In onderstaande tabel worden van de cellen van kubus 1 en 2 de stevigheid, de concentratie van de in het vacuole vocht opgeloste stoffen en de zuigkracht (= de kracht waarmee water door een cel kan worden opgezogen) vergeleken, zoals deze zijn na deze 24 uur.

In welke regel van de tabel zijn de verschillen juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Effect van koken op spinaziebladeren.

Spinazie, een bladgroente, wordt gekookt.

Verandert daardoor in de spinaziebladeren de doorlaatbaarheid van de celmembranen voor zouten?
En de doorlaatbaarheid van de vacuolemembranen?
En die van de celwanden?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Osmose in een plantencel.
Zie figuur B 2622 van de bijlage.

In de afbeelding is een cel schematisch getekend. Deze cel ligt in een sterke oplossing van een rood zout waarvoor het celmembraan niet doorlatend is.

Op welke van de aangegeven plaatsen bevindt zich het rode zout?

afbeeldingafbeelding