Opslag
Opslag.
Cellulose, glycogeen en vetten kunnen in het lichaam van organismen worden opgeslagen.
Welke van deze stoffen kunnen zowel door planten als door mensen als reservestof worden opgeslagen?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VO
NVON
cc-by-sa-40
Opslag.
Cellulose, glycogeen en vetten kunnen in het lichaam van organismen worden opgeslagen.
Welke van deze stoffen kunnen zowel door planten als door mensen als reservestof worden opgeslagen?
Opslag.
In het lichaam van een zoogdier komen voor: lever, onderhuids bindweefsel en spieren.
In welke hiervan vindt opslag van reservestoffen plaats?
Opslag.
In het lichaam van een zoogdier komen voor: beenmerg, onderhuids bindweefsel en spieren.
In welke hiervan vindt opslag van reservestoffen plaats?
Opslag.
Stoffen die in organismen kunnen worden opgeslagen, zijn: eiwit, glycogeen, vet en zetmeel.
Welke van deze stoffen wordt bij de mens zowel in het beenmerg als in het onderhuids bindweefsel opgeslagen?
Reserve.
Reservestoffen in organismen kunnen zijn: eiwitten, glycogeen, vetten en zetmeel.
Welke van deze stoffen worden in het lichaam van de mens speciaal als reservestof opgeslagen?
Opslag.
Zie figuur B 1721 van de bijlage.
I. Sommige cellen dienen voor het langdurig opslaan van reservevoedsel.
II. In sommige van deze cellen wordt het daarin aanwezige reservevoedsel eerst omgezet in glucose vóórdat het verbruikt wordt.
Zie figuur B 1721 van de bijlage.
Voor welke van de afgebeelde celtypen (± 500 x vergroot) gelden zowel bewering I als II?
Zowel bewering I als II gelden voor de celtypen
afbeelding
Reserve.
Welke stof wordt zowel in planten als in dieren als reservestof opgeslagen?
Reservestoffen.
In weefsels van dieren en planten kunnen reservestoffen worden opgeslagen. Over reservestoffen in een beukenboom en in een konijn die in Nederland leven, worden enkele beweringen gedaan. De beweringen hebben betrekking op de maanden december en januari:
1. De beukenboom verbruikt in deze maanden geen reservestoffen, omdat er geen bladeren aan de boom zitten.
2. Het konijn kan geen reservestoffen verbruiken omdat deze het dier beschermen tegen de lage temperaturen.
3. Zowel in de beukenboom als in het konijn zijn koolhydraten opgeslagen als reservestoffen.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
Vermageren in de winter.
Egels houden een winterslaap. Tijdens deze periode eten ze niet en vermageren ze sterk.
Dit vermageren komt hoofdzakelijk door verbruik van
Opslag.
Hieronder volgt een aantal beweringen over vet en glycogeen.
1. vet levert per gram meer energie dan glycogeen.
2. vet en glycogeen kunnen beide als reservestof bij dieren dienen.
3. vet en glycogeen kunnen beide via tussenstappen uit eiwit worden gevormd.
Welke beweringen zijn juist?
Glucose uit glycogeen.
Glucose kan door het lichaam van de mens worden gevormd uit glycogeen en uit zetmeel. Daarover worden de volgende beweringen gedaan:
1. bij de vorming van glucose uit glycogeen en uit zetmeel komt water vrij;
2. vorming van glucose uit zetmeel kan plaatsvinden in de holte van de dunne darm;
3. vorming van glucose uit glycogeen kan gestimuleerd worden door hormonen.
Welke beweringen zijn juist?
Opslag.
Welk van de onderstaande organen speelt of welke spelen een belangrijke rol bij de opslag van glycogeen?
Opslag.
In het lichaam van de mens kan glucose worden omgezet in glycogeen.
Over glycogeen worden de volgende uitspraken gedaan:
1. Glycogeen wordt onder andere in de spieren opgeslagen.
2. Vorming van glycogeen uit glucose in een levercel heeft invloed op de concentratie van opgeloste stoffen in deze cel.
3. Glycogeen wordt opgelost in het bloed vervoerd, bijvoorbeeld van de lever naar de spieren.
Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?
Opslag.
In welke organen van een mens vindt opslag van glycogeen plaats?
Opslag.
Is glycogeen een eiwit, een koolhydraat, een vet of een zout?
Opslag.
Hieronder volgen vier beweringen over glycogeen:
1. Glycogeen is een koolhydraat dat in de lever en in de spieren wordt opgeslagen.
2. Glycogeen is een koolhydraat dat door de lever wordt uitgescheiden.
3. Glycogeen is een vet dat door gal wordt geëmulgeerd.
4. Glycogeen is een vet dat door de nieren wordt uitgescheiden.
Welke bewering is juist?
Opslag.
In zaadplanten komt zetmeel wel voor en glycogeen niet.
Over dit feit volgen hieronder vier beweringen:
1. zaadplanten missen enzymen die nodig zijn voor de vorming van glycogeen;
2. zaadplanten kunnen de stof waaruit glycogeen wordt opgebouwd niet maken;
3. opslag van glycogeen zou de concentratie opgeloste stoffen in de cellen te hoog maken;
4. bouwstoffen van glycogeen bevatten minder energie dan die van zetmeel.
Welke bewering is juist?
Opslag.
De volgende drie soorten cellen bevatten reservevoedsel.
1. cellen in het onderhuids bindweefsel;
2. cellen met bladgroenkorrels;
3. cellen in een tarwekorrel;
In welke cellen kunnen koolhydraten opgeslagen zijn?
Opslag.
Zie figuur B 2139 van de bijlage.
Afgebeeld staat een overzicht van een gedeelte uit het spijsverteringsstelsel.
Dierlijk 'zetmeel' wordt opgeslagen in
afbeelding
Opslag.
Enige tijd na een broodmaaltijd neemt de hoeveelheid glucose (suiker) in het bloed toe.
Een deel hiervan kan worden opgeslagen als