Plantenfysiologie
Voedingsexperiment met planten.
In een voedingsexperiment met groene planten wordt een oplossing gebruikt die alle noodzakelijke ionen bevat, behalve nitraationen.
De planten groeien slecht omdat
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
Voedingsexperiment met planten.
In een voedingsexperiment met groene planten wordt een oplossing gebruikt die alle noodzakelijke ionen bevat, behalve nitraationen.
De planten groeien slecht omdat
Experiment met planten.
Een aantal experimenten met planten levert de volgende resultaten op:
1. deze planten nemen uit een bodem zonder zuurstof nauwelijks zouten op, maar uit een bodem met zuurstof wel;
2. deze planten nemen bij een temperatuur van 30°C meer zouten op dan bij een temperatuur van 40°C en ook meer dan bij een temperatuur van 20°C.
Steunt resultaat 1 de veronderstelling dat zouten actief door planten worden opgenomen?
En resultaat 2?
afbeelding
Benodigde elementen voor plant.
Granen groeien slecht op pas ontgonnen heidegrond. Ze vormen weinig of geen korrels. De oorzaak hiervan berust op een gebrek aan een bepaald element in de grond. Dit element hoeft slechts in zeer geringe hoeveelheden voor te komen.
Welk van de onderstaande elementen kan dit zijn?
Bemesting.
Planten in een weide blijken na bemesting met anorganische stoffen meer organische stoffen te produceren dan vóór die bemesting.
Welke van onderstaande factoren zal vóór het moment dat bemesting werd toegediend zeker beperkend zijn geweest?
Voeding van planten.
In het begin van de 17e eeuw onderzocht de Vlaming Van Helmont de voeding van planten met bladgroen. Hij bracht in een vat 100 kg droge aarde en plantte hierin een jonge wilg die 2,5 kg woog. De aarde werd vervolgens geregeld met regenwater begoten.
Na vijf jaar woog de wilg, die zorgvuldig uit de aarde verwijderd was, 85 kg. De aarde werd gedroogd en gewogen. Van Helmont vond een gewicht van 99,8 kg.
Hij trok de volgende conclusies:
1. De plant kan al zijn bestanddelen uit water opbouwen.
2. Er is geen sprake van gewichtsverlies, omdat het geconstateerde gewichtsverschil van de aarde berust op een meetfout.
Is conclusie 1 op grond van sindsdien uitgevoerde experimenten juist of onjuist gebleken?
En conclusie 2?
afbeelding
Opname door wortel.
Door de wortels van een landplant met bladgroen worden water en zouten uit de bodem opgenomen.
Welke van de volgende stoffen wordt of welke worden gewoonlijk eveneens door de wortels uit de bodem opgenomen?
Watercultures.
Zie figuur A 311 van de bijlage.
Met behulp van watercultures wordt onderzocht welke betekenis de elementen ijzer, magnesium, stikstof en kalium voor de ontwikkeling van maïsplanten hebben.
Een onderzoeker vulde zes glazen potten volgens het volgende schema:
pot 1: volledige voedingsoplossing.
pot 2: voedingsoplossing waarin alleen het element ijzer ontbreekt.
pot 3: voedingsoplossing waarin alleen het element magnesium ontbreekt.
pot 4: voedingsoplossing waarin alleen het element stikstof ontbreekt.
pot 5: voedingsoplossing waarin alleen het element kalium ontbreekt.
pot 6: water.
In deze potten laat hij zes even grote maïsplantjes groeien.
Zie figuur A 311 van de bijlage.
Na enige tijd heeft hij het resultaat verkregen zoals in de afbeelding te zien is. Hij herhaalt de proef een aantal malen met steeds hetzelfde resultaat. Hij trekt hieruit de volgende drie conclusies:
1. Het effect van het magnesiumtekort is ongeveer even groot als dat van het stikstoftekort: een maïsplant heeft dus van beide elementen ongeveer evenveel nodig.
2. Een maïsplant heeft van het element kalium meer nodig dan van de andere drie onderzochte elementen.
3. Een maïsplant heeft alle onderzochte elementen nodig.
Welke van deze conclusies is of welke zijn op grond van bovengenoemde resultaten juist?
-
afbeelding
Experiment met kamerplanten.
Vier bladerrijke kamerplanten van dezelfde soort worden op verschillende wijze behandeld:
1. één plant wordt begoten met zeewater;
2. één plant wordt in een afgesloten kleine ruimte geplaatst;
3. één plant wordt in een ruimte geplaatst met een hoge relatieve luchtvochtigheid;
4. één plant wordt in het donker geplaatst.
Voorzover niet vermeld, zijn de omstandigheden voor alle planten gelijk en optimaal.
In welk geval is de kans op verwelken binnen enkele uren het grootst?
Functie van water in plant.
Het grootste deel van het water dat door een groene landplant (geen kiemplant) wordt opgenomen, wordt gebruikt bij
Waslaagje.
Als een plant aan zijn buitenoppervlak bedekt is met een waslaagje, is de functie daarvan bescherming tegen
Experiment met afgesneden takjes.
Zie figuur B 352 van de bijlage.
Vier vergelijkbare takjes worden in het licht geplaatst in proefopstellingen, zoals in de tekening is weergegeven.
Bij opstelling 1 zijn de bovenzijden van de bladeren ingevet en bedraagt de omgevingstemperatuur 10°C.
Bij opstelling 2 zijn de bovenzijden van de bladeren ingevet en bedraagt de omgevingstemperatuur 20°C.
Bij opstelling 3 zijn de onderzijden van de bladeren ingevet en bedraagt de omgevingstemperatuur 10°C.
Bij opstelling 4 zijn de onderzijden van de bladeren ingevet en bedraagt de omgevingstemperatuur 20°C.
Bij welke van de opstellingen zal de luchtbel zich het snelst verplaatsen?
afbeelding
Blad met watercellen.
Zie figuur B 359 van de bijlage.
Bij een bepaalde plant bevinden zich aan de bovenkant van het blad evenveel huidmondjes als aan de onderkant.
Aan één kant van het blad bevinden zich bovendien nog zogenaamde 'watercellen'. Dit zijn cellen die eerder dan andere opperhuidcellen water afstaan, met als gevolg dat de bladeren omkrullen (zie tekening).
Bevinden de watercellen zich aan de boven- of aan de onderkant van het blad?
Zal in situatie P of Q de verdamping het meest worden tegengegaan?
afbeelding
afbeelding
Druppelen van bladeren.
Zie figuur B 57 van de bijlage.
Aan de rand van de bladeren van de Oost-Indische Kers bevinden zich speciale openingen in de opperhuid. Achter deze openingen eindigen kleine vaatbundeltjes. Onder bepaalde omstandigheden wordt water in druppelvorm door deze openingen heen naar buiten geperst. Dit verschijnsel heet het druppelen van de plant (zie afbeelding).
Vindt dit druppelen plaats bij een hoge of bij een lage luchtvochtigheid?
Welke betekenis heeft dit druppelen voor de plant?
afbeelding
Druppelen van bladeren.
Aan de randen van de bladeren van de Fuchsia bevinden zich speciale openingen in de opperhuid. Daar eindigen kleine vaatbundeltjes. Onder bepaalde omstandigheden worden waterdruppels door deze openingen naar buiten geperst. Dit verschijnsel heet het druppelen van de plant.
Welke van de volgende factoren veroorzaakt het druppelen?
Blad van kraaiheide.
Zie figuur B 473 van de bijlage.
De bladeren van kraaiheide hebben een bijzondere vorm. Een dwarsdoorsnede van zo'n blad is in de afbeelding weergegeven.
Op welke van de aangegeven plaatsen zal op een zonnige droge dag de waterdampconcentratie waarschijnlijk het hoogst zijn?
afbeelding
Doorsnede van wortel.
Zie figuur B 431 van de bijlage.
De afbeelding stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een jonge wortel van een zaadplant voor. Vier delen zijn aangegeven met P, Q, R en S.
Wat is de functie van deel S?
afbeelding
Experiment met stekjes.
Zie figuur B 618 van de bijlage.
Vier stekjes van dezelfde plant staan in een buis met water (zie tekening).
De buizen 1 en 2 staan in het licht; de buizen 3 en 4 staan in het donker.
Alle andere omstandigheden zijn gelijk.
Uit welke buis zal na 24 uur het meeste water verdwenen zijn?
afbeelding
Experiment met bebladerde stekken.
Met vier bebladerde stekken van een zaadplant wordt een experiment gedaan.
Stek 1 heeft wortels en wordt onder een glazen stolp in een buisje water gezet.
Stek 2 heeft wortels en wordt in een buisje water in de open lucht gezet.
Stek 3 heeft geen wortels en wordt onder een glazen stolp in een buisje water gezet.
Stek 4 heeft geen wortels en wordt in een buisje water in de open lucht gezet.
Aan de bladeren van één van de stekken verschijnen na enige tijd druppels.
Welke stek is dit?
Experiment met plant.
Zie figuur B 600 van de bijlage.
De tekening stelt een opstelling van een experiment voor.
De opstelling staat in het licht.
Tijdens het experiment blijft het vloeistofniveau in buis P gelijk; in buis Q zakt het 5 mm.
Op grond van deze waarneming worden de volgende conclusies getrokken door:
leerling 1: de plant neemt water op,
leerling 2: de plant verbruikt water voor fotosynthese,
leerling 3: de plant neemt water op èn verbruikt water voor fotosynthese,
leerling 4: de plant neemt water op, verbruikt water voor fotosynthese èn geeft water aan zijn omgeving af.
Welke leerling trekt de juiste conclusie op grond van de waarneming tijdens dit experiment?
afbeelding
Groei van maïsplant en wateropname.
Zie figuur A 161 van de bijlage.
In de afbeelding zijn twee stadia van dezelfde maïsplant getekend. In vier maanden tijd heeft de plant zich van stadium 1 ontwikkeld tot stadium 2.
De stadia van de plant zijn niet in de juiste verhouding weergegeven.
Gedurende deze vier maanden heeft de plant minstens 100 liter water opgenomen. De maïsplant weegt echter minder dan 100 kilo.
Wat is er met het grootste deel van het opgenomen water gebeurd?
afbeelding