Zenuwstelsel
3/4 Voetballen.
Bevinden de motorische centra zich in het merg of in de schors van de grote hersenen?
En de sensorische centra?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
3/4 Voetballen.
Bevinden de motorische centra zich in het merg of in de schors van de grote hersenen?
En de sensorische centra?
4/4 Voetballen.
Tijdens dezelfde wedstrijd plukt de keeper de bal net voor het doel uit de lucht. Na eenmaal stuiteren gooit hij de bal weer uit.
Wat voor zenuwcellen zijn betrokken bij deze bewegingen?
1/4 Zenuwstelsel.
Zie figuur A 163 van de bijlage.
In de afbeelding geeft tekening 1 schematisch een zenuwcel van de mens weer die is verbonden met spiervezels.
Tekening 2 in de afbeelding is een schema van een aantal verbindingen in het ruggenmerg.
In dit schema is een aantal zenuwcellichamen en uitlopers aangegeven met letters.
Op welke van de plaatsen E, F of G in tekening 2 bevindt zich deel P uit tekening 1?
afbeelding
2/4 Zenuwstelsel.
Zie figuur A 163 van de bijlage.
Hoeveel cellichamen van schakelcellen zijn in tekening 2 weergegeven?
afbeelding
3/4 Zenuwstelsel.
Zie figuur A 163 van de bijlage.
Kunnen volgens de getekende schakelingen via baan S impulsen van het ruggenmerg naar de hersenen worden geleid en/of impulsen van de hersenen naar het ruggenmerg?
afbeelding
4/4 Zenuwstelsel.
Zie figuur A 163 van de bijlage.
Zenuwceluitloper T wordt onderbroken door een beschadiging.
Wordt daardoor een motorische of een sensorische zenuwceluitloper onderbroken of is dat niet uit de afbeelding op te maken?
afbeelding
1/6 Botox.
Zie figuur A 992 van de bijlage.
Clostridium botulinum is een langwerpige, sporenvormende bacterie die botuline, één van de giftigste stoffen op aarde, kan produceren. De sporen van deze bacterie zijn bestand tegen zowel vocht als droogte en kunnen ook goed tegen hitte. Wanneer er geen zuurstof aanwezig is, verandert de spore in een bacterie en deze produceert grote hoeveelheden botuline. In ingeblikte voedingswaren of voedsel dat onder olie bewaard wordt is geen zuurstof aanwezig. In dit zo geconserveerde voedsel zal botuline kunnen ontstaan wanneer sporen aanwezig zijn en uitgroeien tot een bacterie.
Botuline kan kapot gekookt worden door verhitting boven de 85°C gedurende minstens vijf minuten.
In het menselijk lichaam voorkomt botuline dat blaasjes met neurotransmitter in zenuwcellen kunnen fuseren met het celmembraan. Hierdoor geeft de zenuwcel geen neurotransmitter af en geen impuls door. Door het botuline ontstaan vaak problemen met scherp zien en met spreken. In een later stadium worden de arm- en beenspieren slap, treden ademhalingsproblemen op en wordt het hartritme ontregeld. Dit kan uiteindelijk leiden tot de dood.
Clostridium botulinum behoort tot de grampositieve bacteriën. In de afbeelding is een vereenvoudigde determinatietabel weergegeven waarmee microbiologen kunnen bepalen met welke groepen (P t/m U) van grampositieve bacteriën ze te maken hebben.
In welke groep hoort Clostridium botulinum thuis?
-
afbeelding
2/6 Botox.
Zie figuur B 4369 van de bijlage.
In de afbeelding is een schematische weergave van een motorische zenuwcel gegeven.
In welk van de met P t/m U aangegeven delen verstoort het botuline de functie van de zenuwcel?
afbeelding
3/6 Botox.
Het botuline beïnvloedt de impulsoverdracht van motorische zenuwcellen.
Eén van de mogelijke gevolgen is dat het zien slechter wordt.
Leg uit dat het bij een botulinevergiftiging vooral moeilijker wordt om dingen dichtbij scherp te zien.
4/6 Botox.
Door de Amerikaanse onderzoeker Swaminathan is de structuur van het botulinemolecuul onderzocht. Hij bracht een verandering aan in het gen voor het botuline. Hij ontdekte dat door de verandering van slechts één aminozuur in het botuline, er een niet giftig product ontstaat. De op deze manier geproduceerde stof geeft niet alleen inzicht in de werking van het botuline, maar kan misschien ook gebruikt worden in de bestrijding van botulisme; een ziekte die bij waterdieren optreedt als zij het botuline binnenkrijgen.
Om de verandering aan te brengen moet eerst het oorspronkelijke botuline-gen geïsoleerd worden uit de bacterie.
Waar in deze bacterie is dit gen aan te treffen?
5/6 Botox.
Zie figuur B 4370 van de bijlage.
Sinds 1970 zijn er ook medische toepassingen van het giftige botuline. De Amerikaanse oogarts Scott spoot kleine hoeveelheden ervan in de oogspieren van scheelziende patiënten. Vanaf 1980 voorzag hij ook therapeutische toepassingen van het gif bij allerlei neurologische ziekten. De stof wordt de laatste jaren inderdaad bij steeds meer aandoeningen gebruikt, waaronder overmatig zweten, spierspasmen en oorsuizen.
In de afbeelding is het oog schematisch weergegeven met daarin een viertal verschillende spieren, die een rol spelen bij de functie van het oog.
In welke van de vier in de afbeelding aangegeven spieren zal een oogarts botuline spuiten tegen het scheel kijken? Leg aan de hand van de functie van de aangegeven spier uit waarom je voor deze spier hebt gekozen.
afbeelding
6/6 Botox.
Zie figuur B 4371 van de bijlage.
De grootste bekendheid kreeg het botuline toen het door de cosmetische chirurgie in ‘Botox-behandelingen' werd toegepast. Bij een Botox-behandeling injecteert de plastisch chirurg een hele kleine hoeveelheid botuline in de aangezichtsspiertjes. Botuline blokkeert het ‘aanspan-signaal' tussen de zenuwcellen in de huid en de huidspieren. Hierdoor kunnen de spiertjes in de huid niet meer worden aangespannen en blijft de huid volledig ‘glad' (zie de afbeelding).
Een persoon die een Botox-behandeling overweegt, is bang voor bijwerkingen. Hij verwacht dat de huid op de behandelde plek minder gevoelig zal worden.
Leg uit of dit een gegronde angst is.
afbeelding
1/6 Pijnbestrijding.
NIEUWE INZICHTEN EN TECHNIEKEN MAKEN BETERE BESTRIJDING MOGELIJK.
Pijn is het belangrijkste verschijnsel in de geneeskunde. Met toenemend succes zoeken medische wetenschap, industrie en overheid naar betere methoden om pijn te bestrijden of tenminste tot een leefbaar niveau terug te brengen. Toch is pijn belangrijk voor het leven. Het is een belangrijk signaal dat het lichaam gevaar loopt. Wee degene die geen pijn voelt.
Nooit meer pijn? De gedachte alleen al doet Ben Crul van het Academisch Ziekenhuis Nijmegen - een man die nota bene van pijnbestrijding zijn levenswerk heeft gemaakt, gruwen. "Pijn is leven," zegt hij, "het belangrijkste signaal dat het lichaam gevaar loopt, dat er maatregelen genomen moeten worden. Wee degene die geen pijn voelt, hem of haar is geen lang leven beschoren". Crul verwacht én hoopt dus niet dat het ooit mogelijk wordt een zo belangrijke lichaamsfunctie helemaal uit te bannen. Dat gezegd hebbende steekt hij enthousiast van wal over de nieuwe tijden die zijn aangebroken in de eeuwenoude geschiedenis van de pijn.
Tijden waarin de hoofdrol die pijn speelt eindelijk door de geneeskunde wordt erkend: "Pijn is eeuwenlang door medici beschouwd als niet meer dan één van de vele signalen naast hoest, koorts, bobbels, opgezette organen en dergelijke, dat er iets niet in orde is in het lichaam." Het móest dus een oorzaak hebben, en als die niet was te vinden, trok de arts zijn handen van de patiënt af en verwees hem naar de pastoor of dominee. Want dan was de pijn, het lijden, blijkbaar geen zaak meer van het lichaam maar van de ziel. "Die manier van denken, die onverschilligheid tegenover de pijn zèlf, los van de mogelijke oorzaak, kom je nog steeds vaak tegen in de geneeskunde. Hoe valt anders te verklaren dat er in de medische opleiding nauwelijks aandacht wordt besteed aan pijn en pijnbestrijding, en in de medische praktijk zeer veel mensen nodeloos pijn lijden?"
Twee groepen wil hij met name noemen: kankerpatiënten en mensen die een operatie hebben ondergaan.(...) Te veel kankerpatiënten in de laatste fase lijden even onnodige als ondraaglijke pijn omdat ze door de medische stand aan hun lot worden overgelaten. In een tijd waarin de angst voor pijn bij deze patiënten vaak groter was dan de angst voor de dood moet het mogelijk zijn om negen van de tien kankerpatiënten pijnvrij te houden.(...) De angst voor en onbekendheid met morfine is, volgens Peer Neeleman, hoofd pijnbestrijding van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam, nog steeds het grootste obstakel in de behandeling van kankerpatiënten. (...)De revolutionaire ontdekking in de jaren tachtig dat morfine bij pijnpatiënten niet tot gewenning of verslaving leidt en evenmin tot de gevreesde ademnood en dus langdurig en ruimschoots mag worden voorgeschreven, dringt slechts moeizaam tot de medische stand door.
"Ik noem het de morfine-angst," zegt Neeleman, die tien jaar geleden in Groningen begon te experimenteren met morfinepompen buiten tegen het lichaam aan ('een zegen!') en nu enthousiast vertelt hoe hij zijn jongere patiënten voorziet van een onderhuids en op afstand bedienbaar morfinereservoir waardoor zij alles kunnen blijven doen. "Vrijen, zwemmen, zweten in de disco! Niemand hoeft meer te weten dat hij of zij een dodelijke ziekte onder de leden heeft." Het einde van de pijn is voor kankerpatiënten in zicht.(...)
Het is nog slechts een kwestie van tijd of pijn en kanker zijn, in negen van de tien gevallen, van elkaar losgekoppeld.(..)
Na eerst de gebrekkige pijnbestrijding bij kankerpatiënten aan de kaak te hebben gesteld, is Ben Crul uit Nijmegen zich vervolgens druk gaan maken over de onnodige pijn die patiënten na een operatie lijden. Hij heeft het in zijn ziekenhuis voor elkaar gekregen dat alle operatiepatiënten behandeld worden volgens een vast pijnbestrijdingsschema. "Net als overal elders heerst hier de opvatting dat pijn na een operatie erbij hoort en geen kwaad kan. "Kom mevrouw, even de tanden op elkaar, over drie dagen is het over!" Maar pijn lijden kan wel kwaad.(...)
Bij ons worden dus niet alleen om de paar uur temperatuur, bloeddruk en hartslag van een postoperatieve patiënt gemeten, maar ook de intensiteit van de pijn. "Pijn hoort er niet meer bij!"
Zie volgende scherm
2/6 Pijnbestrijding.
In het artikel wordt gesteld dat morfine geen gewenning of verslaving teweeg brengt.
Leg uit wat met gewenning wordt bedoeld.
3/6 Pijnbestrijding.
Leg uit wat met verslaving wordt bedoeld.
4/6 Pijnbestrijding.
In welk deel van de hersenen heeft morfine waarschijnlijk zijn uitwerking?
5/6 Pijnbestrijding.
Bij suikerpatiënten gebruikt men tegenwoordig ook pompen om het medicijn met kleine hoeveelheden heel regelmatig aan de patiënt toe te dienen.
Om welk medicijn gaat het bij suikerpatiënten?
Om [invulveld]
6/6 Pijnbestrijding.
In welk onderdeel van het lichaam worden de stoffen uit de pompen direct gebracht?
In de/het [invulveld]
1/5 Slapen en geheugen.
Zie figuur B 3630 van de bijlage.
Tekst:
Voor eindexamenkandidaten interessant om te weten: tot in de kleine uurtjes doorleren heeft geen zin. Het is veel beter om op tijd naar bed te gaan en acht uur achter elkaar te slapen. Slapen is goed voor het geheugen. Dit is onlangs door Amerikaanse onderzoekers aangetoond.
Er zijn twee verschillende soorten slaap: de diepe slaap of SW-slaap (‘slow wave') en de REM-slaap (‘rapid eye movement'). Tijdens de REM-slaap gaan de ogen achter de gesloten oogleden snel heen en weer.
De slaap volgt een vast patroon waarin diepe slaap en REM-slaap elkaar afwisselen. In de afbeelding is dit patroon weergegeven.
bewerkt naar: Slapen en dromen, Multifactor seminar 1994, Studium generale, KUN;
Suzanne Baart, ‘Finale maakt de slaper slim', de Volkskrant, 29 april 2000.
Tijdens de vierde en laatste REM-slaap wordt informatie opgeslagen in het lange-termijngeheugen.
Met proefpersonen wordt een experiment uitgevoerd om de invloed van de duur van de slaap op het geheugen te onderzoeken. De groep proefpersonen wordt in twee gelijke subgroepen verdeeld.
Personen van subgroep 1 kunnen ongestoord acht uur slapen.
Personen van subgroep 2 worden, na een bepaald aantal uren slaap, wakker gemaakt.
Hoeveel uur mogen personen van subgroep 2 maximaal slapen om een meetbaar verschil in geheugentest te vinden met personen van subgroep 1?
afbeelding
2/5 Slapen en geheugen.
Tijdens de diepe slaap worden eiwitten in zenuwcellen aangemaakt. De concentratie van het groeihormoon in het bloed is verhoogd. Dit is belangrijk voor de vorming van nieuwe verbindingen tussen zenuwcellen in de hersenen en om bestaande verbindingen tussen zenuwcellen te versterken. Dit proces wordt in gang gezet tijdens de diepe slaap en wordt afgemaakt tijdens de laatste REM-slaap.
Welk organel zorgt of welke organellen zorgen voor transport van deze eiwitten in een zenuwcel?