Deze oefentoets bevat 19 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
19
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VMBO theoretische leerweg, 4
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Bloed
Bloedgroepen. Zie figuur B 2997 en B 2998 van de bijlage.
Lisette laat haar bloedgroep bepalen. Hiervoor worden twee druppels van haar bloed op een glazen plaatje gebracht: druppel P en druppel Q. Aan druppel P wordt wat anti-A toegevoegd, aan druppel Q wat anti-B (zie de afbeelding B 2997). Uit de bepaling blijkt dat Lisette bloedgroep A heeft.
Zie figuur B 2998 van de bijlage.
In de afbeelding staan vier mogelijke resultaten van bloedgroepbepalingen.
Welke letter geeft het resultaat weer van de bloedgroepbepaling van Lisette?
afbeeldingafbeelding
Bloed
Bloedgroepen.
Van welke bloedgroep(en) kan een patiënt met bloedgroep A bij een bloedtransfusie bloed ontvangen zonder nadelige gevolgen? (We laten de resusfactor buiten beschouwing.)
Bloed
Bloedtransfusie.
Loek heeft bloedgroep AB en is resusnegatief. Marieke heeft bloedgroep O en is resuspositief. Beiden hebben nog nooit een bloedtransfusie gehad.
Welke antistof(fen) zal men in het bloed van Loek en Marieke aantreffen?
afbeelding
Bloed
Bloedgroepen.
Het bloed van iemand met bloedgroep B, Rh+ wordt vergeleken met het bloed van iemand met bloedgroep AB, Rh+.
Waarin verschillen deze twee bloedgroepen?
Bloed
Bloedtransfusie.
Iemand krijgt op vakantie in Zuid-Amerika een ongeluk. Hij verliest daarbij veel bloed. In een klein ziekenhuis krijgt hij bloed van bloedgroep AB, Rh- toegediend. Hij heeft zelf bloedgroep 0, Rh-.
Zal er in zijn lichaam een afweerreactie optreden? Zo ja, hoe?
Bloed
Bloedgroepen.
Van welke bloedgroep(en) kan een patiënt met bloedgroep B bij een bloedtransfusie bloed ontvangen zonder nadelige gevolgen? (We laten de resusfactor buiten beschouwing.)
Bloed
Bloedgroepantistoffen.
Loek heeft bloedgroep O en is resusnegatief. Marieke heeft bloedgroep AB en is resuspositief. Beiden hebben nog nooit een bloedtransfusie gehad.
Welke antistof(fen) zal men in het bloed van het meisje en de jongen aantreffen?
afbeelding
Bloed
Resusfactor.
In bepaalde gevallen kan de combinatie van de resusfactor van een zwangere vrouw en de resusfactor van het zich in haar ontwikkelende kind gevaar opleveren voor dit kind.
Is de moeder in deze gevallen resuspositief of resusnegatief? En het kind?
Bloed
Bloedgroepen.
Het bloed van iemand met bloedgroep A, Rh+ wordt vergeleken met het bloed van iemand met bloedgroep 0, Rh+.
Waarin verschillen deze twee bloedgroepen?
Bloed
1/3 Bloedgroepen.
Mensen kunnen verschillende bloedgroepen hebben. In de tabel staat weergegeven hoe de ABO- en resusbloedgroepen zijn verdeeld over de bevolking van Europa. afbeelding
Hoeveel procent van de Europese bevolking heeft volgens de gegevens in de tabel het resus-antigeen op de rode bloedcellen?
Resus-antigeen op [invulveld] % van de rode bloedcellen.
Bloed
2/3 Bloedgroepen.
De bloedgroepen van het ABO-systeem worden bepaald door twee verschillende antigenen die zich op het oppervlak van rode bloedcellen kunnen bevinden. Bij mensen met de bloedgroepen O, A en B zijn altijd antistoffen in het bloed aanwezig tegen lichaamsvreemde bloedgroepantigenen.
Leg uit waardoor iemand met bloedgroep AB geen antistoffen tegen de bloedgroepantigenen van het ABO-systeem maakt.
Bloed
3/3 Bloedgroepen.
Anja heeft bloedgroep O+.
Welke antistoffen tegen bloedgroepantigenen heeft Anja in haar bloed?
Bloed
1/2 Bloedgroep AB. Zie figuur A 960 van de bijlage.
Van vier verschillende personen worden twee druppels bloed op een voorwerpglaasje gebracht. Aan de ene druppel bloed wordt wat vloeistof met anti-A toegevoegd, aan de andere wat vloeistof met anti-B. In de afbeelding zijn de resultaten van deze bloedgroepbepalingen weergegeven.
Welke letter geeft het resultaat weer van de bloedgroepbepaling van iemand met bloedgroep AB?
afbeelding
Bloed
2/2 Bloedgroep AB.
Bloedgroep AB+ (met resusfactor) komt vaker voor dan bloedgroep AB- (zonder resusfactor). Iemand met bloedgroep AB+ krijgt bij een operatie rode bloedcellen toegediend. Er zijn op dat moment zowel rode bloedcellen van het type AB+ als van het type AB- beschikbaar.
Welk type rode bloedcellen kan worden gebruikt zonder dat klontering van bloedcellen bij deze ontvanger optreedt?
Bloed
Pestepidemie.
In de 17e eeuw zijn veel mensen in Europa overleden aan de pest, een besmettelijke ziekte die veroorzaakt wordt door een bacterie. Men heeft menselijke resten uit die tijd opgegraven en onderzocht. Daaruit is gebleken, dat mensen met bepaalde bloedgroepen een grotere kans hadden om aan de ziekte te overlijden dan mensen met een andere bloedgroep. Antigenen van de pestbacterie lijken sterk op antigeen B dat op de rode bloedcellen kan voorkomen. Mensen met anti-B in hun bloed zouden daardoor meer kans op genezing hebben dan mensen die deze stof missen.
Vier bloedgroepen zijn:
- bloedgroep A - bloedgroep B - bloedgroep AB - bloedgroep 0
Met welke twee bloedgroepen hebben mensen de meeste kans op genezing volgens de informatie hierboven?
Bloed
2/2 Verdeling van de bloedgroepen.
Als iemand een bloedtransfusie met rode bloedcellen nodig heeft, maar er zijn geen cellen van de eigen bloedgroep beschikbaar, kunnen in sommige gevallen rode bloedcellen van een andere bloedgroep gegeven worden. Dit kan alleen zonder gevaar voor klontering, als de donorbloedcellen geen antigenen dragen waartegen de ontvanger antistoffen maakt. Een onderzoeker die zich in het gebied van de Bororo indianen bevindt, heeft een bloedtransfusie met rode bloedcellen nodig. Zelf heeft hij bloedgroep B.
Kan hij zonder gevaar voor klontering bloedcellen ontvangen van één van de bewoners van het gebied? Leg je antwoord uit.
Bloed
Bloedgroepen.
Iemand heeft bloedgroep B.
Van welke bloedgroep(en) kan deze persoon bloed ontvangen bij een kleine bloedtransfusie?
Bloed
Vakantieleed.
Iemand krijgt op vakantie in Zuid-Amerika een ongeluk. Hij verliest daarbij veel bloed. In een klein ziekenhuis krijgt hij bloed van bloedgroep AB, Rh-
toegediend. Hij heeft zelf bloedgroep O, Rh-
. In zijn lichaam treedt een afweerreactie op.
Welke gevolgen heeft deze afweerreactie voor de rode bloedcellen van het donorbloed?