Oefentoets Biologie: Ecologie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 20

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

2/3 Zeehonden.

Een biologe doet onderzoek naar het gedrag van zeehonden in een gebied waarin zowel krabbeneters als zeeluipaarden voorkomen. Ze vindt aan de kust een jonge zeehond die gedeeltelijk opgegeten is door een andere zeehond.

Kan deze andere zeehond een krabbeneter zijn geweest volgens de informatie?
En kan het een zeeluipaard zijn geweest?

Ecologie

3/3 Zeehonden.

Over de hele wereld zijn er achttien soorten zeehonden. Veel van die zeehonden eten onder andere krill. Krill bestaat uit verschillende soorten garnaalachtige diertjes die zich met algen voeden.

Noteer met behulp van bovenstaande informatie een voedselketen die bestaat uit drie schakels en waarin een zeehond voorkomt.

Ecologie

1/2 Eencelligen.
Zie figuur A 964 van de bijlage.

Twee soorten eencellige diertjes, P en Q, bevinden zich in een pot met water en voedingsstoffen. Dagelijks wordt het aantal diertjes per soort bepaald. In de tabel worden de resultaten weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Zie figuur A 964 van de bijlage.

Maak met de gegevens uit de tabel een diagram op de uitwerkbijlage. Teken een lijn voor soort P en een lijn voor soort Q in één diagram.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

t2/2 Eencelligen.

Eén van beide soorten wordt opgegeten door de andere soort.

Welke soort wordt opgegeten, soort P of soort Q? Leg je antwoord uit met behulp van het diagram.

Ecologie

1/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4434 van de bijlage.

Informatie 1 De Waddenzee
afbeeldingafbeelding
Aan de noordgrens van Nederland ligt de Waddenzee (zie de afbeelding). Tussen de eilanden en het vaste land liggen de zogenaamde wadden.
Tweemaal per dag worden de wadden bij vloed overstroomd door voedselrijk water uit de Noordzee. Bij eb stroomt het zeewater weer terug naar de Noordzee en vallen de wadden droog. Met de vloed worden ook veel organismen, zoals plankton en vissen, aangevoerd.
De Waddenzee is ondiep, waardoor de temperatuur van het water in het voorjaar snel kan oplopen en in de winter snel kan dalen. In het ondiepe water kan het zonlicht tot op de bodem doordringen. Al deze factoren hebben invloed op het leven in de Waddenzee.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4435 van de bijlage.

Informatie 2 Een voedselweb
afbeeldingafbeelding
In de afbeelding is een voedselweb uit de Waddenzee schematisch weergegeven.
Het voedselrijke water dat bij vloed de Waddenzee binnenstroomt, bevat veel microscopisch kleine organismen, het zogenaamde plankton. Fytoplankton bestaat uit plantaardige organismen zoals wieren. Zoöplankton bestaat uit diertjes zoals roeipootkreeftjes, vissenlarven en eencelligen.

Zie volgende scherm

Ecologie

3/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4436 van de bijlage.

Informatie 3 Bodemdieren
afbeeldingafbeelding
In de afbeelding zijn schematisch enkele diersoorten weergegeven die in en op de bodem van de Waddenzee leven.
Sommige bodemdieren, zoals slakjes, voeden zich met wieren die ze van de bodem afschrapen. Veel schelpdieren, zoals mosselen en kokkels, zeven plankton als voedsel uit het water. Schelpdieren die zich dieper in de bodem hebben ingegraven, hebben een soort slurfje met twee buisjes: de sifon. Door het ene buisje zuigen ze water met plankton aan. Het water stroomt in de schelp langs kieuwen en wordt door het tweede buisje weer afgevoerd.
In de winter, als het water van de Waddenzee erg koud wordt, kruipen bodemdieren dieper in het zand.

Zie volgende scherm

Ecologie

4/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4437 van de bijlage.

Informatie 4 De scholekster
De scholekster is één van de vele vogelsoorten in het waddengebied. De vogel gaat tijdens eb op zoek naar voedsel op de droogvallende delen van de wadden.
Hij eet allerlei soorten wormen en schelpdieren. Met zijn snavel kan hij de grootste mossels en kokkels open krijgen. De fel oranje snavel is zes tot acht centimeter lang.
In de broedtijd legt een vrouwtje twee tot vier eieren. De jongen worden twee maanden lang verzorgd.

Informatie 5 Voortplanting van zeehonden
Zie figuur B 4437 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding
In de afbeelding worden enkele gebeurtenissen weergegeven die te maken hebben met de voortplanting van de gewone zeehond.
De vrouwtjes zijn vanaf hun vierde jaar geslachtsrijp, de mannetjes vanaf hun zesde jaar.
De zwangerschap bestaat uit twee perioden: de stille zwangerschap en de draagtijd.
De stille zwangerschap is de periode tussen de bevruchting en de innesteling.
Deze periode duurt veel langer dan bij mensen.
De draagtijd is de periode tussen de innesteling en de geboorte.

Zie volgende scherm

Ecologie

5/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4438 van de bijlage.

Informatie 6 Aantallen zeehonden
afbeeldingafbeelding
In de Waddenzee komen twee soorten zeehonden voor: de gewone zeehond en de grijze zeehond. Het aantal zeehonden van elke soort is gedurende een aantal jaren geteld (zie het diagram).
In 2002 brak er een virusziekte uit onder de zeehonden in de Waddenzee, veroorzaakt door het zogenaamde PDV-virus. Veel zeehonden stierven aan deze ziekte.
Het virus is niet gevaarlijk voor de mens, maar wel voor honden. Daarom worden mensen gewaarschuwd om honden uit de buurt van dode zeehonden te houden. Als honden zijn ingeënt tegen hondenziekte, zijn ze ook immuun voor het PDV-virus.

Informatie 7 Zeehondenopvang
Soms worden jonge of zieke zeehonden die mensen aan de kust vinden, opgehaald en verzorgd. Als ze weer gezond zijn, worden ze teruggezet in hun natuurlijke omgeving. Dit wordt gedaan door speciale opvangcentra.
Er bestaat veel discussie over zeehondenopvang. Is het nog nodig? Waarvoor doen we het? Wordt de zeehondenpopulatie er sterker van of juist zwakker?

Bij deze discussie worden onder andere de volgende argumenten gebruikt:

1. Door het opvangen van zieke zeehonden kan er meer bekend worden over de oorzaken van ziektes, zoals het PDV-virus.
2. De populatie zeehonden kan zichzelf goed in stand houden zonder ingrijpen van de mens.
3. Als zieke en zwakke zeehonden sterven, ontstaat er door natuurlijke selectie een sterkere populatie.
4. Door dieren na de opvang terug te zetten in de natuur wordt de kans op verspreiding van ziektes groter.
5. Door menselijke activiteiten is het natuurlijke leefgebied van de zeehond sterk aangetast.

Zie volgende scherm

Ecologie

6/20 De Waddenzee.

In de informatie worden biotische en abiotische factoren genoemd die invloed hebben op het ecosysteem van de Waddenzee.

Noem twee abiotische factoren uit informatie 1.

Ecologie

7/20 De Waddenzee.

Op de bodem van de ondiepe delen van de Waddenzee leven veel wieren. Verder naar het noorden op de bodem van de Noordzee kunnen geen wieren leven.

Leg uit waardoor op de bodem van de diepere Noordzee wieren ontbreken.

Ecologie

8/20 De Waddenzee.

In de informatie worden verschillende organismen genoemd die in en om de Waddenzee leven.

Noteer een voedselketen die bestaat uit vier van zulke organismen en waarin de kokkel (schelpdier) voorkomt.

Ecologie

9/20 De Waddenzee.

Wat is de naam van de organen waarmee schollen zuurstof opnemen uit het water? Dit zijn de [invulveld]

Ecologie

10/20 De Waddenzee.

Uit welke voedingsstoffen bestaat het voedsel van zeehonden vooral?

Ecologie

11/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4436 van de bijlage.

Het water dat de sifon van een strandgaper instroomt, wordt vergeleken met het water dat weer naar buiten stroomt (zie informatie 3).

Bevat het water dat naar buiten stroomt meer of minder zuurstof?
Of is er geen verschil? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

12/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 6822 van de bijlage.

De scholekster voedt zich onder andere met dieren die zijn ingegraven in de zandbodem van de wadden. Hij eet wel veel kokkels, maar kan geen wadpieren vangen.

Leg uit waardoor een scholekster geen wadpieren kan vangen. Gebruik hierbij informatie 3 en 4.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

13/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4434 van de bijlage.

In informatie 1 zijn twee plaatsen op het kaartje aangegeven met de cijfers 1 en 2.

Welk cijfer geeft een plaats aan waar scholeksters voedsel zoeken? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

14/20 De Waddenzee.

Meestal overwinteren scholeksters in het waddengebied. Alleen in strenge winters bestaat er gevaar voor voedselgebrek en trekken ze weg naar het zuiden.

Leg met behulp van de informatie uit waardoor een scholekster minder voedsel kan vinden, als het erg koud is.

Ecologie

15/20 De Waddenzee.

In de Waddenzee worden door beroepsvissers onder andere mossels gevangen.

Zal door deze mosselvisserij de scholeksterpopulatie afnemen of gelijk blijven? Leg je antwoord uit met behulp van de informatie.

Ecologie

16/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4437 van de bijlage.

In informatie 5 staan in een schema enkele gebeurtenissen die te maken hebben met de voortplanting van een zeehond.

In welke maand treedt bij deze zeehond ovulatie op volgens dit schema? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding