Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 12 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

12

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Kieming.

Wanneer de kiem die in een boon aanwezig is, gaat uitgroeien, verbruikt deze daarvoor energie.

Waaruit krijgt de kiem deze energie?

Plantenfysiologie

Kieming van zaad.

Als een zaad gaat kiemen, worden in dit zaad eiwitten gevormd.

Uit welke verbindingen?

Plantenfysiologie

Kieming van zaad.

Wanneer een erwt gaat kiemen, begint het kiemplantje uit te groeien.

De energie die voor deze groei van het kiemplantje nodig is, is afkomstig van

Plantenfysiologie

Kiemende sojaboon.

Verbruikt een kiemende sojaboon glucose voor de ontwikkeling van het kiemplantje?
En eiwit?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zaadlobben en diervraat.

Tijdens de kieming van de pronkboon blijven de zaadlobben onder de grond omgeven door de zaadhuid. Bij de snijboon barst de zaadhuid tijdens de kieming open en komen de zaadlobben boven de grond. In deze zaadlobben ontstaat dan bladgroen. Nadat de eerste gewone bladeren hun normale grootte hebben bereikt, treedt bij beide kiemplanten diervraat op: door muizen worden de zaadlobben van de pronkboon opgegeten; konijnen eten de zaadlobben van de snijboon op.

Welke kiemplant zal of welke kiemplanten zullen nu verder kunnen groeien?

Plantenfysiologie

Kiemingsproef.
Zie figuur A 300 van de bijlage.

Tijdens een experiment worden bonen tot ontkieming gebracht. Er is voldoende zuurstof en water voor de ontkieming en de ontwikkeling van de bonen. Het experiment wordt uitgevoerd in het licht.
Gedurende het experiment wordt op opeenvolgende tijdstippen het drooggewicht van eenzelfde aantal ontkiemde bonen bepaald. Het drooggewicht is het gewicht van de kiemplantjes en de resten van de boon zonder het daarin aanwezige water.



In welke van de in getekende diagrammen in figuur A 300 is het verloop van het drooggewicht in dit experiment juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kiemingsproeven.

In een experiment wordt de invloed van koolstofdioxide op de ontkieming en ontwikkeling van bonen onderzocht. De bonen ontkiemen in een afgesloten ruimte. Deze ruimte is groot genoeg voor volwassen bonenplanten.
Vanaf de tweede dag na. het verschijnen van de worteltjes wordt de ruimte voortdurend geventileerd met lucht die geen koolstofdioxide bevat. De verdere omstandigheden zijn optimaal voor de groei en ontwikkeling van de bonenplanten.

Kunnen de bonen zich vanaf dat moment verder ontwikkelen?
Zo ja, tot welk stadium?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Tarwezaden.
Zie figuur B 1585 van de bijlage.

Een onderzoeker bestudeert de ontkieming van tarwezaden en de groei van de kiemplantjes.
Daartoe zaait hij een groot aantal tarwezaden in een kasje. Hij bepaalt de gemiddelde droge massa ('drooggewicht') en de gemiddelde verse massa ('versgewicht') van een bepaald aantal zaden en van de delen die zich uit de zaden ontwikkelen op de dagen 0, 2, 4, 6, 8 en 10 van het experiment. Hij zet de gegevens over de droge massa van de zaadlobben, van de kiemplanten zonder zaadlobben en van het totaal (de kiemplanten met zaadlobben) in de loop van deze tien dagen uit in een diagram (zie de afbeelding). De droge massa is de massa van een plant of plantendeel nadat al het water eruit is verwijderd. De verse massa is de massa van een plant of plantendeel met het water. Er wordt van uitgegaan dat het gehalte aan zouten voor alle plantendelen gelijk en constant is.
De onderzoeker heeft zowel de verse massa als de droge massa bepaald. Door vergelijking van de droge massa van de verschillende delen in de loop van de tijd wordt bepaalde informatie geleverd die door vergelijking van de verse massa niet wordt geleverd.

Welke informatie is dit?

Informatie over




-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Tarwezaden.
Zie figuur B 1585 van de bijlage.

Er wordt van uitgegaan dat de dissimilatie per gram drooggewicht in de ontkiemende tarwezaden constant blijft.

Leg uit vanaf welke dag dan zeker bladgroen in de ontkiemende tarwe aanwezig was.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Ontkieming.

Een groot aantal even zware zaden van een bepaalde plant wordt op vochtige watten gelegd.
Na enige dagen beginnen de zaden te ontkiemen. Tijdens de ontkieming wordt om de vier uur het drooggewicht van één zaad bepaald. Het drooggewicht is het gewicht van het zaad, wanneer al het water daaruit is verwijderd.

Neemt het drooggewicht van de zaden tijdens de ontkieming af, blijft dit gelijk of neemt dit toe?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Ontkieming.

Tijdens de ontkieming worden cellen groter doordat in het cytoplasma één grote met vocht gevulde ruimte ontstaat.

Hoe heet dit proces?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Ontkieming.

Tijdens de ontkieming verbruiken cellen zuurstof.

Hoe komt zuurstof de cellen binnen?