Oefentoets Biologie: Stofwisseling | HAVO 4/HAVO 5 | variant 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Stofwisseling

4/7 Variatie bij hardlopers.
Zie figuur B 2973 van de bijlage.

Hardlopers worden vaak onderworpen aan de Conconi-test. Hierbij wordt de loopsnelheid steeds verder opgevoerd en wordt gelijktijdig de hartslagfrequentie bepaald met behulp van een hartslagmeter. In de afbeelding is het verband tussen loopsnelheid en hartslagfrequentie van een hardloper weergegeven. Bij punt P buigt de grafiek af. Dit noemen we het H(art)- F(requentie)-omslagpunt.

Welke van de volgende beweringen over de loopsnelheid van deze hardloper bij of boven het omslagpunt is juist?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

5/7 Variatie bij hardlopers.

Enige tijd geleden werd een 'atletiekgen' ontdekt, het ACE-gen. Er zijn twee allelen bekend: Ag en As . Het product van het Ag-allel activeert een hormoon uit de bijnieren. Dit hormoon speelt een sleutelrol bij de regulatie van de bloeddruk, maar is ook betrokken bij het regelen van het vermogen van spiervezels tot opname van zuurstof en glucose.
Bij een onderzoek ondergingen drie groepen soldaten gedurende tien weken een intensief trainingsprogramma. De soldaten hadden dezelfde basisconditie, maar verschillende ACE-genotypen. In de tabel hieronder staan de resultaten van het trainingsprogramma, gemeten bij het onderzoek.

afbeeldingafbeelding

Hoe wordt het heterozygote fenotype genoemd dat verschilt van de homozygote fenotypen?

Stofwisseling

6/7 Variatie bij hardlopers.

Twee heterozygote mensen (Ag As ) krijgen samen een kind.

Hoe groot is de kans dat dit een kind zal zijn dat later, na een intensief trainingsprogramma, een conditieverbetering van ongeveer 66% zal scoren?

Stofwisseling

7/7 Variatie bij hardlopers.

Er worden vier celtypen onderzocht op de aanwezigheid van het Ag-allel bij een heterozygote persoon:

1. bijniercellen;
2. rode bloedcellen;
3. witte bloedcellen;
4. spiercellen.

In welke van deze cellen komt het Ag -allel voor?

Stofwisseling

1/3 Warming-up.

Voor sportmensen is het belangrijk dat er voor een wedstrijd of training een goede 'warming up' plaatsvindt.
Deze 'warming up' heeft onder andere de volgende doelen. Ten eerste stijgt de temperatuur in de skeletspieren, waardoor ze beter kunnen functioneren. Ten tweede heeft de 'warming up' tot gevolg dat het orthosympatisch zenuwstelsel wordt geactiveerd en de bijnieren worden aangezet tot afgifte van adrenaline.

Wordt de afgifte van spijsverteringsenzymen beïnvloed door de 'warming-up'?
Zo ja, wordt de afgifte van spijsverteringsenzymen dan geremd of gestimuleerd?

Stofwisseling

2/3 Warming-up.

De ademfrequentie neemt toe door afgifte van adrenaline, maar ook door andere veranderingen in de samenstelling van het bloed.

Door welke verandering in het bloed wordt de ademfrequentie tijdens de 'warming-up' het sterkst beïnvloed?

Stofwisseling

3/3 Warming-up.

Op welke wijze zal de bloedstroom in het hart veranderen als gevolg van de 'warming-up'?

Stofwisseling

1/5 Is de mens een wateraap?
Zie figuur B 2770 van de bijlage.

Apen lopen voornamelijk op vier poten. Mensen lopen op twee benen: ze lopen rechtop. Dat rechtop lopen is lang geleden ontstaan. Volgens veel biologen ontstond het rechtop lopen op de savanne, maar volgens Elaine Morgan ontstond dat in het water: de wateraap-theorie. Die theorie gaat ervan uit dat vroege mensachtigen circa 7 miljoen jaar geleden een periode in het water hebben doorgebracht en daar de rechtopgaande houding ontwikkelden. Pas daarna zouden zij zich over de savanne verspreid hebben. Morgan wijst, om haar idee kracht bij te zetten, op bepaalde nadelen van het rechtop lopen, die op het land wel en in het water niet of in mindere mate optreden.
Zo zitten de billen bij de mens lager dan het hart. Bij apen steken ze gewoonlijk boven het hart uit.

In de aders in de wand van de endeldarm komen geen kleppen voor. Daardoor kunnen aambeien ontstaan. Aambeien zijn spataders rond de anus. Bij sommige mensen komen spataders in de benen voor.

Leg met behulp van deze gegevens uit dat bij de mens gemakkelijker rond de anus aambeien kunnen ontstaan dan bij apen.

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

2/5 Is de mens een wateraap?

Het energiegebruik van chimpansees verschilt, afhankelijk van hun houding. Het energieverbruik van een rechtopstaande chimpansee wordt vergeleken met dat van een chimpansee die op vier poten staat.

Welke van beide heeft het hoogste energieverbruik? Leg je antwoord uit.

Stofwisseling

3/5 Is de mens een wateraap?

Alle landzoogdieren hebben het verschijnsel van tranen als reactie op kou of irritatie van de ogen. Vergeleken met alle landzoogdiersoorten is de mens de enige soort die echt kan huilen: tranen die onmiddellijk na een moment van grote vreugde of intens verdriet 'over de wangen biggelen'. Wanneer bepaalde zenuwen (de nervus trigeminus), die van de hersenen naar de traanklieren lopen, worden geblokkeerd, stopt het verschijnsel van tranen als reactie op kou of irritatie, terwijl het echte huilen kan blijven doorgaan.

Een leerling trekt uit bovenstaande informatie de conclusie dat het echte huilen niet door het zenuwstelsel, maar door hormonen wordt geregeld.

Is dat op grond van bovenstaande informatie een juiste conclusie? Leg je antwoord uit.

Stofwisseling

4/5 Is de mens een wateraap?

Volgens Elaine Morgan zijn 'echte tranen' hypotonisch ten opzichte van de bloedvloeistof het traanvocht heeft een lagere concentratie aan opgeloste deeltjes (een lagere osmotische waarde) dan de bloedvloeistof.
Om te testen of dit waar is, brengt een leerling een druppel bloed en een traan op een voorwerpglaasje met elkaar in contact.

Wat neemt hij onder de microscoop waar als Elaine Morgan gelijk heeft?

Stofwisseling

5/5 Is de mens een wateraap?

Hieronder staat in tabelvorm een lijst van eigenschappen die Elaine Morgan gebruikt voor haar wateraap-theorie.

afbeeldingafbeelding

Noem een eigenschap uit de tabel die haar theorie niet ondersteunt. Leg uit waarom je die eigenschap kiest.



-

Stofwisseling

Een schaars geklede volwassene in de kou.

Een schaars geklede volwassene gaat vanuit een kamer met een temperatuur van 20ºC een koelcel binnen met een temperatuur van -5ºC.

Wat zal het directe gevolg zijn van deze temperatuurverandering voor deze volwassene?

Stofwisseling

1/6 Een survivaltocht.
Zie figuur B 5565 van de bijlage.

Op 14 april 1994 verdwaalde de Italiaanse hardloper Mauro Prosperi tijdens een meerdaagse tocht door de Sahara. Pas na 9 dagen werd hij door bedoeïen gevonden.

Medisch-biologen waren er verbaasd over dat hij zonder water en voedsel zo lang had kunnen overleven. Ze ondervroegen hem over zijn gedrag. Hij bleek zeer verstandig te zijn omgegaan met zijn water- en energiehuishouding. Zo was hij alleen 's nachts actief bezig, zijn weg te zoeken. Overdag deed hij zo weinig mogelijk. Hij gebruikte zijn eigen, kleine hoeveelheden urine als de voornaamste bron van vocht en was gedurende de hele periode niet in paniek geraakt.

Leg uit waarom Mauro's beslissing om alleen 's nachts actief te zijn, gunstig was voor zijn waterhuishouding.

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

3/6 Een survivaltocht.

Prosperi is reservestoffen gaan gebruiken in die periode van 9 dagen.

Welke reservestoffen waren in zijn lichaam opgeslagen?

Stofwisseling

4/6 Een survivaltocht.

Behalve reservestoffen is Prosperi ook eiwitten gaan dissimileren.

Welke stof wordt daardoor in verhoogde concentratie door de nieren uitgescheiden?

[invulveld]

Stofwisseling

6/6 Een survivaltocht.

In vergelijking met mensen zijn kamelen veel beter aangepast om te overleven in de woestijn. Zij kunnen lange tijd zonder water. Uitdrogende kamelen kunnen hun vochtverlies snel aanvullen door in een paar minuten 200 L water te drinken.
De rode bloedcellen van een kameel zijn aangepast aan het vermogen om snel water op te nemen. Over deze aanpassing worden twee beweringen gedaan:

1. De celmembranen van rode bloedcellen van een kameel zijn elastischer dan die van een mens.
2. De celmembranen van rode bloedcellen van een kameel zijn meer doorlaatbaar voor water dan die van een mens.

Welke van deze beweringen geeft of welke geven een mogelijke aanpassing van de rode bloedcellen van een kameel weer?

Stofwisseling

2/2 Zwemmen.

Wat kun je zeggen over de spiervezels van de wereldrecordhouder?