Voortplanting
Kruisbestuiving.
Bij kruisbestuiving is het stuifmeel - dat tot bevruchting leidt - afkomstig van
Deze oefentoets bevat 11 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
11
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
Kruisbestuiving.
Bij kruisbestuiving is het stuifmeel - dat tot bevruchting leidt - afkomstig van
Een stuifmeelkorrel in een bepaald ontwikkelingsstadium.
Zie figuur B 356 van de bijlage.
In de tekening is een stuifmeelkorrel afgebeeld in een bepaald ontwikkelingsstadium.
Wordt dit stadium vóór of ná de bestuiving aangetroffen?
Bedraagt in dit stadium het aantal kernen dat zich erin bevindt, 1 of meer?
afbeelding
afbeelding
Een peul met zes zaden.
In een bepaalde peul bevinden zich zes zaden.
Hoeveel stuifmeelbuizen zijn er minstens gegroeid door de stijl van de stamper waaruit deze peul is ontstaan?
Kruisbestuiving.
Een bloem van een plant wordt door middel van kruisbestuiving bestoven.
Er volgt bevruchting.
Is het stuifmeel waarmee dit gebeurde afkomstig van een bloem van dezelfde plant, of van een bloem van een andere plant van dezelfde soort?
Hoeveel kernen uit de stuifmeelkorrel versmelten met kernen in een zaadbeginsel?
afbeelding
Rafflesia arnoldii.
zie figuur B 448 van de bijlage
Voor zover bekend is Rafflesia arnoldii de plantensoort met de grootste bloemen ter wereld. De plant bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant. Op de wortels van de gastheerplant vormt Rafflesia jaarlijks één bloemknop. Na het uitkomen bloeit de bloem slechts één dag. De rode bloem heeft een diameter van ongeveer 1 meter en verspreidt een doordringende geur van rottend vlees. In een bloem worden òf stuifmeelkorrels òf eicellen gevormd.
Welke vorm van bestuiving kan bij Rafflesia arnoldii optreden?
afbeelding
Bestuiving bij sleutelbloemen.
Zie figuur B 446 van de bijlage.
Bij een sleutelbloemsoort komen twee typen planten voor. De bloemen van planten van type 1 hebben andere stempels, een andere stijl en andere stuifmeelkorrels dan de bloemen van type 2.
De stempels en stuifmeelkorrels zijn sterk vergroot schematisch weergegeven. Het verschil in bouw van de bloemen heeft invloed op de bestuiving. De kleine stuifmeelkorrels van type 2 passen tussen de uitsteeksels van de stempels van type 1 en 2, de grote stuifmeelkorrels van type 1 passen alleen tussen de uitsteeksels van een stempel van type 2.
Wordt door de speciale bouw van de bloemen bij deze sleutelbloemsoort modificatie, selectie of kruisbestuiving bevorderd?
afbeelding
Appels.
Zie figuur A 153 van de bijlage.
Bij bepaalde appelrassen kan een stuifmeelkorrel die op de stempel van een bloem van dezelfde boom valt, geen stuifmeelbuis vormen. Het gevolg hiervan is dat zo'n appelboom, wanneer hij alleen staat, geen appels vormt.
Om van een alleenstaande appelboom toch appels te krijgen, zijn exemplaren in de handel gebracht waarbij takken van twee verschillende appelrassen (ras l en ras 2) door middel van enten op een gemeenschappelijke onderstam zijn geplaatst. Van beide rassen wordt in dat geval een goede oogst verkregen. Er wordt aangenomen dat geen mutaties optreden.
Hoeveel verschillende genotypen kunnen voorkomen in de celkernen die aanwezig zijn in de alleenstaande boom en in de appels, zoals is weergegeven in figuur A 153?
afbeelding
Bloeiende planten.
Zie figuur B 659 van de bijlage.
In de figuur staan drie bloeiende planten afgebeeld.
Met pijltjes (I, II en III) wordt aangegeven in welke richting stuifmeel wordt overgebracht.
Kruisbestuiving wordt voorgesteld door
afbeelding
Bestuiving met insecten.
Bij een bloem die uitsluitend via insecten bestoven wordt, kan men verwachten dat
Bestuiving voltooid.
Bij bloemen is de bestuiving voltooid als
Rafflesia arnoldii.
Zie figuur B 448 van de bijlage.
Welke vorm van bestuiving kan bij Rafflesia arnoldii optreden?
afbeelding