Oefentoets Biologie: Bloed - Algemeen | VWO 1/VWO 2 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

Immuniteit.

I. Natuurlijke immuniteit wordt veroorzaakt door een vaccin.
II. Kunstmatige immuniteit is voor kinderen noodzakelijk om te overleven.

Bloed

Etter.

Waaruit bestaat etter?

Bloed

Vaccin.

Wat is een vaccin?

Bloed

Kniebuigingen.

Een proefpersoon maakt snel achter elkaar 25 diepe kniebuigingen.

Welke van de volgende veranderingen zullen vrijwel zeker plaatsvinden in het lichaam van de proefpersoon
tijdens het maken van de kniebuigingen?

1. het aantal ademhalingen per minuut neemt toe,
2. de hoeveelheid bloed die per minuut het hart verlaat, neemt toe,
3. de hoeveelheid bloed die per minuut naar de beenspieren gaat, neemt toe,
4. de bloeddruk neemt toe.

Bloed

Bloed en vervoer.

Bloed dient niet voor het vervoer van

Bloed

Orgaantransplantatie.

Wat is Euro Transplant?

Bloed

Bloedsomloop van een vis.
Zie figuur B 1090 van de bijlage.

De tekening stelt schematisch een deel van de bloedsomloop van een vis voor.

Is bloedvat P een slagader of een ader?
Is het bloed daarin zuurstofrijk of zuurstofarm?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

Een vissenhart.
Zie figuur B 948 van de bijlage.

De tekening stelt voor een vissenhart met de aansluitende bloedvaten.

Welk onderdeel stellen de cijfers 2 en 3 voor?
Uit of in welke richting stroomt het bloed bij de cijfers 1 en 4?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloeddoping.

Een vorm van doping is de zogenaamde bloeddoping.
Een ösportmanö krijgt dan op kunstmatige wijze extra rode bloedcellen in zijn bloed. Hij hoopt als gevolg daarvan betere prestaties te kunnen leveren.

Wat is het gevolg van deze extra hoeveelheid rode bloedcellen in het lichaam?

Bloed

Zuurstofbinding.

I. In de lichaamshaarvaten zal het bloed zuurstof en kooldioxide opnemen.
II. Hemoglobine bevindt zich bij de mens in de rode bloedcellen en dient voor de bloedstolling.

Bloed

Hartwerking.

I. De vier hartkleppen staan nooit tegelijkertijd open.
II. De bloeddruk wordt gemeten in de aders.

Bloed

De (schematische) bloedsomloop van een vis.
Zie figuur B 220 van de bijlage.

In de figuur staat een deel van de bloedsomloop van een vis schematisch getekend.

Welke organen worden voorgesteld door de cijfers 1 en 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

2/4 Bloedafbraak.

Rode bloedcellen bevatten onder andere ijzer.
Als rode bloedcellen worden afgebroken, gaat dit ijzer naar de plaats waar nieuwe rode bloedcellen worden gevormd.

Waar worden rode bloedcellen gevormd?

Bloed

3/4 Bloedafbraak.

Andere stoffen uit de rode bloedcellen komen via de gal in de darmen terecht. Daar worden ze verder afgebroken door bacteriën.

Op welke plaats komt de gal het verteringskanaal binnen?

Bloed

1/3 Bloed.

In het bloed van de mens komen verschillende deeltjes voor: bloedplaatjes, rode bloedcellen en witte bloedcellen.

Welke van de volgende stoffen zit in de rode bloedcellen?

Bloed

2/3 Bloed.

Welke deeltjes in het bloed spelen een rol bij de bloedstolling?

Bloed

3/3 Bloed.

Welke deeltjes in het bloed vernietigen bacteriën?

Bloed

1/8 Orgaantransplantatie.
ORGAANTRANSPLANTATIE

Hart
Een patiënt komt in aanmerking voor een harttransplantatie als er sprake is van een chronisch hartfalen, waarbij de levensverwachting kleiner is dan één jaar en andere behandelingen niet (meer) mogelijk zijn.
Bij een harttransplantatie is een snelle transplantatie is van essentieel belang. Het hart is vier tot acht uur buiten het lichaam houdbaar, maar hoe sneller de operatie, hoe groter de kans op succes.
Het hart is het eerste orgaan dat uit een donor wordt genomen. Harttransplantatie geldt niet als de moeilijkste van alle orgaantransplantaties. Een operatie duurt gemiddeld zo'n drie tot vier uur. Een bijkomend nadeel is dat in verband met de geboden snelheid donor en ontvanger op bloedgroep op elkaar worden afgestemd. Afstemming op weefseltypering is in verband met de tijdsdruk niet mogelijk. Gevolg is dat in 5 tot 15 procent van de transplantaties het donorhart niet goed op gang komt.
De overlevingskans voor een persoon met een donorhart ligt op ruim 90 procent na één jaar; 84 procent leeft na vijf jaar nog.

Lever
De lever heeft verschillende functies, stoornissen hieraan kunnen aanleiding zijn tot transplantatie. Als een van de twee leverfuncties niet goed werkt, betekent het nog niet dat automatisch tot transplantatie wordt besloten. Er mag niets mis zijn met het hart en de longen van de patiënt.
De leverziekte dient ook zó ernstig te zijn dat andere behandelingen geen nut meer hebben. Een leveraandoening wordt meestal veroorzaakt door een erfelijke ziekte, een virusinfectie, medicijngebruik of overmatig alcoholgebruik. In het laatste geval is de aandoening vaak te behandelen met medicijnen en door te stoppen met drinken. Soms is transplantatie noodzakelijk, maar alcoholisten komen daarvoor in beginsel pas in aanmerking wanneer zij minimaal zes maanden ‘droog staan'.
De levertransplantatie is wellicht de moeilijkste van alle orgaantransplantaties. Veel patiënten verkeren ten tijde van de operatie in een slechte conditie door een gebrek aan eiwitten. De operatie duurt zeven tot acht uur. Er is ook haast geboden bij een transplantatie: tussen het moment van uitname en transplantatie mag maximaal twaalf uur zitten. Ook hier geldt: hoe sneller, hoe beter.
Afstoting bij levertransplantaties is een reële kans. Zo'n 30 tot 40 procent van de patiënten heeft te maken met acute afstotingsverschijnselen (tussen 7 en 21 dagen na de transplantatie). De kans op overleving is ongeveer 85 procent na één jaar en 50 procent na vijf jaar.

Uit: http://www.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Orgaandonatie/weefsels.html

Zie volgende scherm