Oefentoets Biologie: Zenuwstelsel | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Zenuwstelsel

2/3 De ziekte van Huntington.

Glutamaat is een exciterende neurotransmitter in hersenen en ruggenmerg die kan worden gevormd uit glutamine.
Glutamine wordt onder andere gemaakt door astrocyten. Deze hersencellen hebben vertakkingen die een soort omhulsel om synapsen vormen en die het externe milieu van neuronen onder strikte controle houden.

Op grond waarvan behoort glutamine tot de niet-essentiële aminozuren?

Zenuwstelsel

3/3 De ziekte van Huntington.
Zie figuur C 417 van de bijlage.

De manier waarop glutamaat en glutamine worden vervoerd en omgezet in en rond een synaps, is schematisch weergegeven in de afbeelding.

Beschrijf aan de hand van de gegevens in de afbeelding, op welke twee manieren een astrocyt de impulsoverdracht van neuron 1 naar neuron 2 mogelijk maakt.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

De huid.

De apocriene klieren vervullen vooral een functie bij de verspreiding van de lichaamsgeur. Ze worden geactiveerd door zenuwen van het orthosympatische deel van het zenuwstelsel en hebben adrenaline als neurotransmitter.

Vier situaties:

1. een vrouw rent haar geliefde tegemoet,
2. een man ziet een vrouw met wie hij ruzie heeft,
3. een man ziet één van zijn kinderen vallen,
4. een vrouw ziet een op hol geslagen paard op zich afkomen.

Geef van elk van deze situaties aan of de afgifte van de apocriene klieren toeneemt.
En als deze toeneemt, noem de prikkel die de toename veroorzaakt.

Zenuwstelsel

Klieren.

Wordt de afgifte van speeksel door de speekselklier beïnvloed via het zenuwstelsel?
En de afgifte van zweet door de genoemde zweetklier?

Zenuwstelsel

Moderne diagnostiek.
Zie figuur B 4720 van de bijlage.

In de moderne diagnostiek zijn MRI-scans niet meer weg te denken.
In de afbeelding is een MRI-scan van het hoofd weergegeven. Het is een midsagittale uitsnede: een doorsnede precies door het midden van het hoofd.

Drie onderdelen van het centrale zenuwstelsel zijn genummerd.

In welk of in welke van de genummerde onderdelen zijn vooral centra van het animale zenuwstelsel aan te treffen?
In welk of in welke van de genummerde onderdelen zijn vooral centra van het autonome zenuwstelsel aan te treffen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Integratie.
Zie figuur B 3886 van de bijlage.

De intensiteit van de werking van verschillende organen wordt voortdurend gecoördineerd. Na een maaltijd verandert niet alleen de activiteit van de organen van het verteringsstelsel, maar ook die van het ademhalingsstelsel en die van de totale bloedsomloop.

Zie figuur B 3886 van de bijlage.

In de afbeelding zijn het vegetatieve zenuwstelsel en drie organen in een schema weergegeven.

Geef aan welke regulatie plaatsvindt ten aanzien van het spierweefsel van deze organen bij een persoon in rust, vlak na een maaltijd. Doe dit als volgt:
- Teken drie pijlen die aangeven dat de activiteit van deze organen via zenuwbanen geregeld wordt.
- Geef bij elk van de drie pijlen aan of het parasympatische (P) of orthosympatische (O) zenuwen betreft die dan actief zijn.
- Geef door middel van een plusteken of minteken bij elke pijl aan of de activiteit van het spierweefsel van het orgaan gestimuleerd dan wel geremd wordt.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Integratie.
Zie figuur E 38 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch de regulatie van een aantal animale en vegetatieve functies bij de mens weergegeven. Al deze functies spelen een rol bij het constant houden van het inwendig milieu. Met pijlen is aangegeven waar overdracht van informatie en transport van stoffen plaatsvindt. Dit schema is opgezet rond een enkele cel.

In het schema is onder andere sprake van vegetatieve integratie.

Noem het onderdeel van de hersenen en noem het daarmee verbonden orgaan van het hormoonstelsel die bij deze integratie betrokken zijn.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Darmvlokken.
Zie figuur B 1133 van de bijlage.

In de afbeelding zijn schematisch overlangse doorsneden van drie darmvlokken weergegeven.
In darmvlok 1 zijn alleen spieren, in darmvlok 2 alleen bloedvaten en in darmvlok 3 is alleen een lymfevat getekend. In werkelijkheid bevinden zich al deze structuren in elke darmvlok.
Met R en S zijn twee verschillende lagen spieren aangegeven.

Verandert het ritme van de samentrekkingen van de spieren in laag R onder invloed van impulsen uit het animale of uit het autonome zenuwstelsel?
En van de spieren in laag S?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Honing veroorzaakt botulisme bij baby's.

Botuline is buitengewoon giftig. De stof hecht zich aan het presynaptische membraan van motorische neuronen die verbonden zijn met motorische eindplaatjes van spieren. De versmelting van acetylcholine bevattende blaasjes met het presynaptische membraan wordt vervolgens geblokkeerd. Hierdoor is botuline al in een zeer geringe concentratie levensbedreigend.
Een van de eerste vergiftigingsverschijnselen die de artsen bij baby's met botulisme vonden was constipatie (verstopping).

Beschrijf hoe constipatie een gevolg kan zijn van een botulismevergiftiging.

Zenuwstelsel

Leergedrag bij honden.
Zie figuur B 1339 van de bijlage.

Bij de hond treedt evenals bij de mens de terugtrekreflex op. De terugtrekreflex houdt in dat bij het stappen op een heet, scherp of elektrisch geladen voorwerp de poot reflexmatig wordt teruggetrokken. Bij de hond verlopen de impulsen bij de terugtrekreflex op overeenkomstige wijze als bij de mens.
In de afbeelding is schematisch een dwarsdoorsnede van het ruggemerg en een aantal zenuwbanen van een hond getekend. Enkele neuronen die verbonden zijn met een voorpoot, zijn met cijfers aangegeven.
Een hond stapt met zijn rechtervoorpoot op een plaat die onder elektrische spanning staat. Reflexmatig trekt hij deze poot terug.

Via welke van de in de afbeelding aangegeven neuronen verlopen dan impulsen?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Volggedrag.
Zie figuur B 2643 van de bijlage.

De jongen van bepaalde soorten vogels, zoals ganzen, vertonen volggedrag. In de natuurlijke situatie lopen jonge ganzen, nadat ze uit het ei zijn gekomen, steeds met hun moeder mee. Om dit volggedrag te bestuderen doet een onderzoeker het volgende experiment.
Ganzeneieren worden uitgebroed in een broedmachine. Het eerste bewegende voorwerp dat de gans na het uitkomen te zien krijgt, is een speelgoedeend op wieltjes die over de grond wordt voortgetrokken. Deze proef wordt met een groot aantal ganzen uitgevoerd; daarbij vindt de eerste confrontatie met de bewegende speelgoedeend plaats 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20, 22 of 24 uur na het uitkomen. De onderzoeker registreert of de jonge gans die op één van de genoemde tijdstippen voor het eerst de bewegende speelgoedeend ziet, volggedrag gaat vertonen. Zijn resultaten zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.

Het zenuwstelsel van vogels bestaat onder andere uit:

1. de grote hersenen;
2. de kleine hersenen;
3. de hersenstam;
4. het ruggenmerg.

Welk van de genoemde delen is of welke zijn betrokken bij de uitvoering van het volggedrag van de jonge ganzen?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Voortplantingsgedrag.
Zie figuur B 2426 van de bijlage.

De afbeelding geeft een kanarie weer. Over het voortplantingsgedrag bij vrouwtjeskanaries is het volgende bekend:

1. het voortplantingsgedrag is het gevolg van de toename van de daglengte,
2. het optreden van het voortplantingsgedrag wordt gestimuleerd door de aanwezigheid van mannetjes,
3. het voortplantingsgedrag kan worden opgewekt door het injecteren van gonadotrope hormonen (FSH en LH).

Wordt de daglengteverandering geregistreerd door het centrale zenuwstelsel, door de hypofyse of door de ogen?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Staafjes en kegeltjes.

Een proefpersoon bevindt zich in een zonnige tuin. Hij loopt naar binnen en komt in een donkere kamer. Door de verandering van de belichting verwijden de pupillen van de ogen van deze proefpersoon zich in een reflex.

Welk gedeelte van het centrale zenuwstelsel maakt deel uit van deze reflexboog?