1/6 Onderzoek naar deficiëntie en infectie.
Lees onderstaande tekst.
In 1898 werd J. Eijkman de eerste hoogleraar microbiologie aan de Utrechtse universiteit. In 1924 kreeg hij de Nobelprijs voor zijn ontdekking dat vitamine-B-deficiëntie oorzaak was van de ziekte beri-beri. Het onderzoek daarnaar deed Eijkman in Nederlands Indië (het huidige Indonesië) waar hij als militair arts-bacterioloog was aangesteld bij het leger. Hij meende – in navolging van Louis Pasteur – een bacterie te kunnen isoleren die de beri-beri zou veroorzaken. Het bleek echter dat zijn proefdieren – kippen die aan deze zenuwaandoening leden – weer gezond werden als ze ongepelde rijst als voer kregen. In het zilvervliesje rond de rijstkorrel bevindt zich blijkbaar een stof die noodzakelijk is voor een normale ontwikkeling. Deze stof werd vitamine B genoemd.
Na de ontdekking in 1928 door A. Fleming in Londen van een stof die door een culture van de schimmel Penicillium werd geproduceerd en de groei van bacteriën remde, zijn vele van deze antibiotica-producerende micro-organismen geïsoleerd. Maar in de medische praktijk bleek ook spoedig dat bacteriën makkelijk resistentie kunnen ontwikkelen tegen afweerstoffen. Berucht is inmiddels de MRSA-infectie die vooral ziekenhuispatiënten kunnen oplopen. Deze meticilline-resistente stam van Staphylococcus aureus kan bij mensen met verminderde weerstand tot ontwikkeling komen als zijn concurrentiepositie gunstiger wordt door gebruik van antibiotica. Deze Staphylococcus hoort namelijk tot de normale flora van de menselijke huid en slijmvliezen. De bacterie is meestal onschadelijk maar veroorzaakt soms kleine ontstekingen of een steenpuist.
Als bij een verzwakte zieke deze bacterie een grotere infectie vormt, is bestrijding noodzakelijk. Soms blijkt de bacterie een resistentie te hebben tegen alle gangbare antibiotica. Zelfs een van de laatste redmiddelen het antibioticum meticilline helpt niet. Voor een bacterioloog zijn er dan nog twee laatste redmiddelen maar die worden alleen in uiterste nood toegepast. Immers zou ook tegen deze middelen resistentie ontwikkeld worden door bacteriën dan is er geen bestrijding meer mogelijk. Indien MRSA-infectie in een ziekenhuis wordt geconstateerd dan sluit men de betreffende afdeling en ontsmet men het betrokken personeel volledig. De patiënten worden geïsoleerd.
Bacteriologen typeren een S. aureus-stam door op de bacterieculture een testbatterij los te laten van bacteriofagen (bacterievirussen) die ieder een voorkeur hebben voor een bepaalde stam van de bacterie (en zich daarin dan vermenigvuldigen ten koste van die bacterie). De typering levert namen op als faagtype e, of T of III-29. Deze laatste heeft de afgelopen zes jaar in zeventien ziekenhuizen epidemietjes veroorzaakt. Het identificeren van een MRSA is van belang om de besmettingsroute te kunnen achterhalen. Zo is nu faagtype Z-115 in opkomst. Z-115 is waarschijnlijk afkomstig uit Frankrijk.
Zie volgende scherm