Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | VWO 3/VWO 4/VWO 5 - variant 10

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 3, VWO 4, VWO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag bij dieren

4/4 Rekenende mieren.
Zie figuur B 5341 van de bijlage.

'Het lijkt er dus op dat mieren beter zijn in wiskunde dan veel mensen: inderdaad superslimme dieren.'

Is de conclusie dat mieren slim zijn en dus wiskundig inzichtgedrag vertonen, juist?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Operant conditioneren.

Operant conditioneren van dieren gebeurt in de wetenschap, in het circus en in de dierentuin.

Wat is operant conditioneren?

Gedrag bij dieren

Blozen.

Wat is blozen?

Gedrag bij dieren

Moedermelk.

Hoe weten pasgeboren baby's waar ze de moedermelk moeten zoeken?

Gedrag bij dieren

Krekelzang.

Van krekels wordt wel gezegd dat zij zingen.

Hoe doen zij dat?

Gedrag bij dieren

Mieren.

Mieren vormen vaak zeer georganiseerde gemeenschappen. Sommige vormen van organisatie gaan wel heel ver.

Welke van de volgende werkzaamheden wordt daadwerkelijk door mieren uitgevoerd?

Gedrag bij dieren

Een kunstje met een koekje.

Je leert een hond een kunstje door hem te belonen met een koekje. Daarna wil je hem het kunstje weer afleren door juist geen koekje te geven.

Wanneer duurt het afleren het langst?

Gedrag bij dieren

Onthouden van een route.

Bij het onthouden van een route oriënteren mannen zich anders dan vrouwen.

Klopt dit?

Gedrag bij dieren

Zwartkopmeeuwen.

Paul observeert in een kolonie van de zwartkopmeeuw (Larus melanocephalus) een vrouwtje dat wordt aangelokt door een pronkend mannetje. Ze nadert hem, maar plotseling wijst ze hem af door zich om te draaien en weg te vliegen.
Er is geen vijand of verontrusting door Paul.

Wat kan de oorzaak zijn van haar gedrag?

Gedrag bij dieren

Wormtrappelen.

Als men kievitsjongen uit een broedmachine laat wormtrappelen op een natte dweil, verdwijnt dit gedrag als men het vaak herhaalt.
Bij kievitsjongen in de natuur die wormtrappelen op een nat weiland, gebeurt dat niet.

- Leg dit verschil in gedrag uit.
- Van welk type leergedrag is sprake bij de kieviten op de natte dweil?

Gedrag bij dieren

1/4 Oriëntatie bij de strandvlo.
Zie figuur B 5343 en figuur B 5344 van de bijlage.

De strandvlo (Talitrus saltator, zie afbeelding B 5343 hiernaast) leeft in het vochtige duinzand van onze kust, vlak boven de waterlijn en onder het aangespoelde wier. Het is voor dit dier van levensbelang om de smalle strook vlak bij zee terug te vinden als het op zoek is geweest naar voedsel of door de wind een eind wordt weggeblazen.

Om erachter te komen hoe de zandvlo zich oriënteert, wordt een experiment gedaan.
Een witte schijf, voorzien van de windstreken, wordt in een laboratorium volgens de juiste kompasrichting opgesteld. De zon is vervangen door een lamp, die vanuit dezelfde stand de schijf belicht als de zonnestand op dat moment van de dag.
Een aantal strandvlooien die gevangen zijn op een strand waarvan de kustlijn NW-ZO loopt, wordt op het middelpunt van de schijf geplaatst.
Na enige tijd is er sprake van een significante beweging in de richting van de blauwe pijl in afbeelding B 5344 hiernaast.

Welke conclusie kun je trekken over de manier waarop de strandvlooien zich oriënteren?




-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

2/4 Oriëntatie bij de strandvlo.
Zie figuur B 5344 van de bijlage.

Nu wijzigt men het dag- en nachtritme van de gevangen strandvlooien zodanig dat hun klok 12 uur 'vooruit wordt gezet'.
Deze vlooien volgen significant de richting van de rode pijl, terwijl een controlegroep zich in de richting van de blauwe pijl blijft bewegen.

Welke conclusie kun je nu trekken over de manier waarop de strandvlooien zich oriënteren?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

3/4 Oriëntatie bij de strandvlo.

Het gedrag van de strandvlo vertelt ons hoe het met onze stranden en de kwaliteit van het zand is gesteld, concludeert een team van Britse en Italiaanse onderzoekers. Zij bestudeerden het glibberige diertje op verscheidene Italiaanse en Noord-Afrikaanse stranden.
Er bestaat een natuurlijke variatie in het navigatievermogen van vlooienpopulaties. Biologen van de universiteiten van Birmingham en Florence toonden aan dat deze variatie verandert met de stabiliteit van het strand. Strandvlooien van San Rossario, een eroderend Italiaans strand aan de Thyreense Zee, zijn gemiddeld minder nauwkeurig in hun oriëntatie dan vlooien van Castiglione della Pescaia. Dit is een stabiel strand ten zuiden van San Rossario. Vergelijkbare verschillen zagen de onderzoekers tussen vlooien op Noord-Afrikaanse stranden.
Met deze gegevens hebben strandbeheerders een mooi instrument in handen om de stabiliteit van hun strand te toetsen.

Leg deze laatste bewering uit met behulp van bovenstaande informatie.

Gedrag bij dieren

4/4 Oriëntatie bij de strandvlo.

Strandvlooien blijken hun navigatie op grond van ervaring te kunnen aanpassen.
Leg uit dat dit functioneel is, als een strandvlo door de wind vanaf het ene strand met een bepaalde kompasrichting op een ander strand verzeild raakt.

Welke vorm van leergedrag kan hierbij gebruikt worden?

Gedrag bij dieren

1/2 Cartoons.
Zie figuur B 5345 van de bijlage.

Bekijk de twee cartoons hiernaast van Floris Algra.

Welk woord moet op de stippellijn worden ingevuld?

Dat is het woord [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

2/2 Cartoons.
Zie figuur B 5345 van de bijlage.

Zijn er in een bepaald gebied meer insecten met felle kleuren die giftig zijn, of meer insecten met felle kleuren die niet giftig zijn? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Meerkoet.
Zie figuur A 1185 van de bijlage.

Hiernaast een afbeelding met gedragingen van de meerkoet uit het werk van Kornowski.

Wat wordt hier getoond?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Twee gedragingen.

Gegeven de volgende twee gedragingen:

I. Graafgedrag van een goudhamster;
II. Stapelen van kisten door chimpansees om bananen bovenin hun kooi te bereiken.

Welke van de onderstaande beweringen hierover is juist?