Oefentoets Biologie: Gedrag - Predatie | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 12 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

12

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/4 Onderzoek bij eidereenden.

De tekst hieronder geeft een beschrijving van een bepaald biologisch onderzoek.

Tekst:
Swennen deed onderzoek naar de manier waarop eidereenden hun eieren tegen predatoren beschermen.
Swennen merkt op dat de meeste soorten eenden hun nest vrij van uitwerpselen houden, maar dat de eidereend hierop een uitzondering vormt: vooral bij verontrusting bevuilen eiders nogal eens hun eigen nest.
Dit feit, gevoegd bij het gegeven dat roofdieren als steenmarter, bunzing en vos (die op zijn tijd graag vogeleieren eet) een scherpe neus hebben, roept de vraag op hoe eidereenden het zich kunnen veroorloven de plaats van hun nesten zo duidelijk voor de predator te markeren. Swennen heeft echter een vermoeden in welke richting de oplossing gezocht moet worden: misschien hebben de uitwerpselen wel een afstotende werking. Swennen weet nu dat hij gegevens moet verzamelen, die antwoord op deze vraag geven. Hij besluit in gevangenschap levende ratten en fretten (albino-bunzings) voedsel te verstrekken dat besmeurd is met de uitwerpselen van broedende eidereenden. Dit besmeurde voedsel wordt geweigerd. Pas na een dag wordt ervan gegeten. Hij doet dezelfde proef met uitwerpselen van niet-broedende eidereenden. Ditmaal laten de ratten en fretten zich niet weerhouden maar eten het voedsel direct op. Swennen vindt hierin een bevestiging van zijn vermoeden.

naar. H.P. Callagher, Gids voor vogelonderzoek, deel 1

Noem een vraagstelling uit het onderzoek van Swennen.

Gedrag

2/4 Onderzoek bij eidereenden.

In het onderzoek van Swennen is sprake van een controle- of blancoproef.

Welke is de controle- of blanco proef in dit onderzoek?

Gedrag

3/4 Onderzoek bij eidereenden.

Noem een resultaat of waarneming in het onderzoek van Swennen.

Gedrag

4/4 Onderzoek bij eidereenden.

Welke conclusie kun je uit het onderzoek van Swennen trekken?

Gedrag

1/2 Survivaltraining voor ratelslangen.
Zie figuur B 3629 van de bijlage.

Tekst:
Op Aruba komt een zeldzame soort ratelslang voor, de Cascabel (zie afbeelding), met een populatiegrootte van slechts 300 exemplaren. Natuurbeschermers willen deze populatie aanvullen met in gevangenschap opgegroeide dieren. Het gedrag van deze dieren wijkt echter af.
Ten eerste zijn ratelslangen in het wild 's nachts actief en in gevangenschap overdag. Dat heeft te maken met het feit dat de slangen in gevangenschap overdag gevoerd worden, terwijl de wilde 's nachts kleine vogels en zoogdieren vangen.
Ten tweede is de reactie op vijanden verschillend. In het wild nemen slangen tegen mensen, katten en honden een dreigende houding aan en ratelen met hun staart. In gevangenschap dreigen en ratelen ze niet. Ze zoeken de ‘vijand' zelfs op.
Uit onderzoek is gebleken dat de dieren die in gevangenschap leven, het dreiggedrag pas ontwikkelen als ze de mogelijkheid krijgen zich te verschuilen in een aangebrachte steenhoop. Wilde slangen verschuilen zich onmiddellijk in zo'n hoop. In gevangenschap opgegroeide slangen onderzoeken de hoop soms wel twee weken op hun gemak, voor ze zich erin gaan verschuilen. Zo gauw ze zich echter eenmaal hebben verscholen, verdwijnt het toenaderingsgedrag en gaan ze dreigen en ratelen.

bewerkt naar: Tim Oijen, ‘Ratelslang krijgt survivaltraining', de Volkskrant, 29 maart 1997

De natuurbeschermers willen met een survivaltraining het gedrag van de slangen in gevangenschap veranderen, zodat ze in de natuur kunnen worden losgelaten.

Noem twee onderdelen die in de survivaltraining moeten voorkomen.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Survivaltraining voor ratelslangen.

Op welke manier werkt een steenhoop op het dreiggedrag van de zich hierin verschuilende ratelslang?

Gedrag

1/5 Jagende torenvalken.
Zie figuur B 2433 van de bijlage.

Torenvalken hangen vaak 'biddend' op één plaats in de lucht als ze een prooi waarnemen (zie de afbeelding).
Als de prooi duidelijk zichtbaar is, maken ze een plotselinge duikvlucht om de buit, vaak een klein zoogdier, te grijpen.

Noem de motiverende factor die leidt tot dit jachtgedrag van de torenvalk.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/5 Jagende torenvalken.

Wat is de sleutelprikkel voor een plotselinge duikvlucht?

Gedrag

3/5 Jagende torenvalken.
Zie figuur B 2220 van de bijlage.

Een belangrijk prooidier van de torenvalk is de woelmuis.
Woelmuizen laten in hun leefgebied geursporen achter die bestaan uit urine en uitwerpselen. De achterste delen van hun lichaam zijn meestal doorweekt met urine. De urine van de woelmuizen weerkaatst UV-licht.
Torenvalken kunnen in tegenstelling tot mensen UV-licht waarnemen. Verondersteld wordt dat torenvalken daardoor in korte tijd een groot gebied onderzoeken op de aanwezigheid van woelmuizen.

Welke van de onderstaande biologische termen is van toepassing op de relatie tussen torenvalk en woelmuis?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

4/5 Jagende torenvalken.

Noem een mogelijke functie van het geurspoor voor de woelmuizen zelf.

Gedrag

5/5 Jagende torenvalken.

Naar het waarnemen van UV-licht door torenvalken is onderzoek gedaan. Gevangen torenvalken bleken woelmuizen te kunnen opsporen in een ruimte die alleen 'verlicht' werd met UV-licht. Voor mensen leek deze ruimte donker. Uit dit resultaat werd de conclusie getrokken dat de torenvalken woelmuizen opsporen door het waarnemen van UV-licht. Deze conclusie was op zijn minst voorbarig.
Er zijn één of meer aanvullende experimenten nodig om die conclusie te rechtvaardigen.

Beschrijf kort een aanvullend experiment en vermeld daarbij welke uitkomst de conclusie rechtvaardigt dat torenvalken woelmuizen opsporen met UV-licht.

Ziekten

Een parasiet knoeit met de psyche.

De eencellige parasiet Toxoplasma gondii komt bij één op de drie mensen voor in het zenuwstelsel en in de spieren. Daar kan de parasiet jarenlang verblijven, zonder duidelijke ziekteverschijnselen te veroorzaken. De parasiet komt binnen via besmet vlees of besmette vis. Ook veel muizen zijn besmet. Besmette muizen blijken zich actiever en minder voorzichtig te gedragen dan niet-besmette muizen. De Tsjech Jaroslav Flegr beweerde dat deze gedragsverandering door Toxoplasma wordt veroorzaakt.

De parasiet heeft voordeel bij deze beïnvloeding. Hij kan zich zo sneller verspreiden.

Leg dit uit.