Oefentoets Biologie: Assimilatie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Assimilatie

Bacteriën die in het donker leven.

Sommige bacteriën die in het donker leven zijn autotroof. Ze kunnen zelf glucose opbouwen.

De energie om glucose op te bouwen verkrijgen zij uit

Assimilatie

Bacteriën op gebouwen.

In met zwaveldioxide verontreinigde lucht kunnen bepaalde kleurloze bacteriën zich op gebouwen van kalksteen goed ontwikkelen. Ze zetten deze zwaveldioxide om in zuren die de kalksteen oplossen. De energie die vrijkomt, gebruiken de bacteriën voor koolstofassimilatie.

Zijn deze bacteriën autotrofe of heterotrofe organismen?
Treedt er chemosynthese of fotosynthese bij deze bacteriën op?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

Licht- en donkerreactie.
Zie figuur B 2633 van de bijlage.

Welke van de schema's in de afbeelding geeft de processen in de licht- en donkerreactie van de fotosynthese juist weer?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

De hoeveelheid O2 in een sloot.

In een sloot met verschillende planten en dieren werd op een zomerdag elke twee uur op dezelfde plaats de hoeveelheid O2 per liter water bepaald. De waarnemingen zijn in de tabel weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Tussen welke van bovenstaande tijdstippen kan fotosynthese plaatsgevonden hebben in de sloot?

Assimilatie

Fotosynthese-intensiteit van een tabaksplant & temperatuur.

De fotosynthese-intensiteit van een tabaksplant neemt toe als de temperatuur wordt verhoogd van 20°C naar 25°C.

Wat is de verklaring hiervoor?

Door deze temperatuurverhoging

Assimilatie

Zuurstofafgifte bij bij een plant met bladgroen.

Een onderzoeker plaatst een plant met bladgroen in het licht. Hij meet de zuurstofafgifte per minuut van deze plant. Deze zuurstofafgifte is niet maximaal. Hij verhoogt de sterkte van het licht dat op deze plant valt.
Ondanks deze extra belichting neemt de zuurstofafgifte per minuut niet toe.
Ter verklaring van dit resultaat worden vier beweringen gedaan:

1. Het zuurstofgehalte van de lucht was de beperkende factor voor de fotosynthese voordat hij de verlichtingssterkte verhoogde.
2. Het koolstofdioxide-gehaltes van de lucht was de beperkende factor voor de fotosynthese voordat hij de verlichtingssterkte verhoogde.
3. De verlichtingssterkte was de beperkende factor voor de fotosynthese.
4. Door het toenemen van de verlichtingssterkte nam de dissimilatie af.

Welke bewering kan een juiste verklaring voor deze waarneming zijn?

Assimilatie

Fotosynthese bij maïs- en tabaksplanten.
Zie figuur B 425 van de bijlage.

Bij de fotosynthese van maïs- en tabaksplanten is onderzocht wat het verband is tussen de CO2 -opname per dm2 bladoppervlak en de CO2 -concentratie in de omringende lucht. Alle andere omstandigheden bleven gedurende dit onderzoek steeds gelijk. Onder deze omstandigheden is de CO2 -opname per dm2 per uur een maat voor de fotosynthese.
Het resultaat van het onderzoek is in het diagram weergegeven.

Is een CO2 -concentratie in de lucht tussen 0,02% en 0,04% gedurende deze proef beperkend voor de fotosynthese in maïsplanten?
En voor de fotosynthese in tabaksplanten?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

Een tulp & fotosynthese.
Zie figuur B 1434 van de bijlage.

Op een zonnige voorjaarsdag neemt de tulp uit de afbeelding koolstofdioxide uit de lucht op voor de fotosynthese.
Delen van de tulp zijn bladeren, bloemsteel en bol.

Met welk of met welke van deze delen neemt de tulp koolstofdioxide uit de lucht op voor de fotosynthese?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

Fotosynthese-activiteit van een plant.
Uit welke van onderstaande gegevens kan de fotosynthese-activiteit van een plant worden afgeleid?

1. de hoeveelheid overdag opgenomen CO2 en de hoeveelheid gedurende de nacht afgegeven CO2 .
2. de hoeveelheid gedurende de dag opgenomen CO2 en de hoeveelheid gedurende de dag afgegeven O2 .
3. de hoeveelheid gedurende de nacht opgenomen O2 en de hoeveelheid gedurende de nacht afgegeven CO2 .
4. de hoeveelheid gedurende de nacht opgenomen O2 en de hoeveelheid gedurende de dag afgegeven O2 .

Assimilatie

Takjes van een waterplant.
Zie figuur A 186 van de bijlage.

Takjes van een waterplant met bladgroen zijn in het licht in leidingwater ondergedompeld, zoals in de tekening is weergegeven. Er ontwijken zuurstofbelletjes. Bij verschillende koolstofdioxideconcentraties van het water wordt gemeten hoeveel zuurstof er per tijdseenheid afgegeven wordt. De resultaten staan in het diagram.
Vervolgens wordt bij een koolstofdioxideconcentratie P eenzelfde soort meting gedaan, nadat er een bepaalde verandering in de proefomstandigheden is aangebracht. Er blijkt nu meer zuurstof afgegeven te worden dan bij de eerste meting bij deze koolstofdioxideconcentratie.

Welke van de volgende veranderingen in de proefomstandigheden kan er zijn aangebracht?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

Een cel van een groenwier.
Zie figuur B 325 van de bijlage.

Een cel van een groenwier wordt beschenen door drie lichtbundels van zuivere kleuren (zie figuur).
Bij deze cel bevinden zich bacteriën die zich van zuurstof afkeren.
De buurcellen worden beschenen met wit licht.

Waar zullen deze bacteriën die zich van zuurstof afkeren, zich hoofdzakelijk bevinden?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

Het absorptiespectrum van bladgroen.
Zie figuur B 210 van de bijlage.

In het diagram is het absorptiespectrum van bladgroen gegeven.

Welke kleur licht draagt het meeste bij tot de zuurstofproductie?
Waardoor?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

Verlichtingssterkte en de opname van koolstofdioxide.
Zie figuur B 478 van de bijlage.

Voor een aantal landbouwgewassen werd het verband tussen de verlichtingssterkte en de opname van koolstofdioxide bepaald. De opname van koolstofdioxide wordt hier gebruikt als een maat voor de fotosynthese-activiteit.
De resultaten zijn weergegeven in het diagram.

Is bij een verlichtingssterkte van 50 mW/cm2 het licht een beperkende factor voor de fotosynthese-activiteit van één of meer van de landbouwgewassen in dit onderzoek?
Zo ja, voor welke gewassen?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

Absorptie door het bladgroen.
Zie figuur B 210 van de bijlage.

In het diagram van de afbeelding is weergegeven hoeveel procent van het licht van een bepaalde kleur wordt geabsorbeerd door het bladgroen van een bepaalde plant. Er wordt aangenomen dat de intensiteit van de fotosynthese van deze plant evenredig is met de hoeveelheid door de plant geabsorbeerde lichtenergie.

Bij welke van de golflengten 450, 550, 650 en 750 nm zal de fotosynthese bij deze plant de grootste intensiteit hebben?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

In zee op 2500 m diepte.

In zee heerst, ongeveer vanaf 500 meter diepte, een bijna volslagen duisternis. Vissen die daar voorkomen bezitten veelal lichtgevende organen. Beneden 2500 m diepte komen vrijwel of geen hogere levensvormen meer voor; zuurstof ontbreekt op deze diepte vrijwel geheel.

Doordat er beneden 2500 m diepte geen licht is

1. wordt er geen zuurstof geproduceerd,
2. komen er geen autotrofe organismen met fotosynthese voor,
3. komen er alleen organismen voor met dissimilatie zonder zuurstof.

Welk verband bestaat er tussen deze verschijnselen?

Assimilatie

Tijdstip van de fotosynthese.

Fotosynthese vindt in het algemeen alleen overdag plaats, doordat

Assimilatie

Groei en ontwikkeling bij aardappelplanten.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Twee aardappels van gelijk gewicht en afkomstig van dezelfde plant worden op verschillende wijzen behandeld. De ene (P) blijft in een goed geventileerde schuur liggen op een donkere plaats. De andere (Q) wordt gepoot op een beschaduwde plaats in de tuin. Na een aantal weken zien de aardappelplanten er uit zoals in de tekening is weergegeven. Naar aanleiding van de verschillen in groei en ontwikkeling tussen beide aardappel planten, wordt het volgende beweerd:

1. Aardappelplanten zijn schaduwminnende planten.
2. Aardappelplant Q heeft meer organische stof geproduceerd dan plant P.
3. De twee aardappelplanten verschillen in genotype.

Welke van de beweringen is, of welke zijn op basis van bovenstaande gegevens waarschijnlijk juist?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie

Stofwisselingsprocessen.

Drie stofwisselingsprocessen zijn:

1. productie van organische stoffen, waartoe andere organische stoffen uit het milieu worden opgenomen;
2. productie van organische stoffen, waartoe alleen anorganische stoffen uit het milieu worden opgenomen;
3. productie van anorganische stoffen, waartoe organische stoffen uit het milieu worden opgenomen.

Welk van deze processen komt of welke komen wel bij planten met bladgroen voor en niet bij planteneters?

Assimilatie

Dieren en hun voedselvoorziening.

Dieren zijn voor hun voedselvoorziening afhankelijk van planten met bladgroen.

Dit komt doordat dieren niet in staat zijn

Assimilatie

Het zetmeelgehalte van plantendelen.

Bij een onderzoek naar het zetmeelgehalte van plantendelen, wordt bij een plant zetmeel aangetroffen in de stengels, in de wortels en in de oudere bladeren. De jonge groene blaadjes bevatten geen zetmeel.

Hoe valt te verklaren, dat deze jonge blaadjes geen zetmeel bevatten?

In de jonge blaadjes