Ademhaling
4/5 Een longblaasje.
Zie figuur B 787 van de bijlage.
Bevat het bloed bij P meer of minder koolstofdioxide dan bij R of evenveel?
afbeelding
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VMBO theoretische leerweg, 4
NVON
cc-by-sa-40
4/5 Een longblaasje.
Zie figuur B 787 van de bijlage.
Bevat het bloed bij P meer of minder koolstofdioxide dan bij R of evenveel?
afbeelding
5/5 Een longblaasje.
Zie figuur B 787 van de bijlage.
Welke van onderstaande stoffen bevindt zich in cel 1?
afbeelding
1/3 Het middenrif.
Zie figuur B 907 van de bijlage.
Het middenrif van de mens speelt een rol bij de ademhaling. Het bestaat uit een peesplaat met spierweefsel.
Het spierweefsel is bevestigd aan de onderste ribben, aan de onderste punt van het borstbeen en aan de wervelkolom. De afbeelding geeft schematisch de plaats van het middenrif weer.
Het krampachtig samentrekken van de spieren van het middenrif staat bekend als 'de hik'.
Welke van de onderstaande organen gaan door het middenrif?
afbeelding
2/3 Het middenrif.
In welke van de volgende situaties stroomt bij een mens lucht de longen in?
3/3 Het middenrif.
Stroomt er lucht door de luchtpijp als het middenrif omhoog gaat?
En als het middenrif omlaag gaat?
1/2 Astma.
Bij een astma-aanval zijn de vertakkingen van de bronchiën vernauwd. Daardoor heeft een astmapatiënt bij een aanval een moeizame, krampachtige, diepe inademing die vaak een piepend geluid maakt.
Zie figuur B 2111 van de bijlage.
De afbeelding geeft een gedeelte van de longen weer. Met de letter P zijn delen aangeduid die ervoor zorgen dat de luchtpijp bij een astma-aanval niet dichtklapt.
Hoe heten deze delen P?
afbeelding
2/2 Astma.
De ziekte astma is mede erfelijk bepaald. Hieronder staan twee beweringen over de plaatsen waar het erfelijke materiaal voor astma zich bevindt:
I. Bij iemand die aan astma lijdt, bevindt het erfelijke materiaal voor astma zich alleen in de spiercellen van de luchtwegen.
II. Bij iemand die aan astma lijdt, bevindt het erfelijke materiaal voor astma zich in alle chromosomen van de spiercellen van de luchtwegen.
1/4 Astma.
Bij een astma-aanval haalt een patiënt piepend adem. Dit wordt veroorzaakt door een vernauwing in een deel van de luchtwegen. De vernauwing is een reactie op prikkels uit de omgeving. Hieronder staan twee beweringen over gebeurtenissen tijdens een astma-aanval:
1. tijdens een astma-aanval zijn de kringspieren in de kleine luchtwegen ontspannen;
2. het verversen van de lucht in de longen gaat tijdens een astma-aanval slechter dan normaal.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding
2/4 Astma.
Zie figuur B 2216 van de bijlage.
In de afbeelding is een deel van de luchtwegen weergegeven.
Geef de naam van het deel dat in de afbeelding is aangegeven met de letter P. een [invulveld]
afbeelding
3/4 Astma.
Smog is een ernstige vorm van luchtvervuiling. Patiënten met astma hebben veel last van smog. Bepaalde gassen in smog tasten de slijmlaag van de luchtwegen aan. Het verwarmen van de lucht in de luchtwegen wordt hierdoor niet beïnvloed.
Noem twee functies van de slijmlaag van de luchtwegen.
4/4 Astma.
Uitlaatgassen van auto's bevatten koolstofmonoxide. Dit gas bindt zich aan hemoglobine in het bloed.
Welke functie van het bloed wordt dan minder goed vervuld?
1/3 Hooikoorts.
Hooikoorts is een allergische aandoening. Wanneer stuifmeel in aanraking komt met de slijmvliezen van iemand met aanleg voor deze aandoening, reageert het afweersysteem te sterk. Hooikoorts wordt vooral veroorzaakt door stuifmeel dat door de wind verspreid wordt, en niet door stuifmeel dat insecten vervoeren.
Een hooikoortspatiënt heeft vaak een aantal klachten. De meest voorkomende zijn niesbuien en een verstopte neus.
Het slijmvlies in de neus speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van hooikoorts. De huid van de handen speelt hierbij nauwelijks een rol. Dat komt door de verschillen tussen het slijmvlies in de neus en de huid van de handen.
Leg uit dat stuifmeel dat op het neusslijmvlies is terecht gekomen meer invloed op het lichaam kan hebben dan stuifmeel dat op de huid van een hand terecht is gekomen.
2/3 Hooikoorts.
Alleen stuifmeel van bepaalde typen planten heeft invloed op hooikoortspatiënten.
Bij planten kunnen de volgende kenmerken voorkomen:
1. kleverig stuifmeel,
2. heel veel stuifmeel,
3. geurende bloemen,
4. nectar in de bloemen,
5. onopvallend gekleurde bloemen.
Welke van deze kenmerken komen voor bij planten waarvan het stuifmeel hooikoorts veroorzaakt?
3/3 Hooikoorts.
Bij sommige weervoorspellingen krijgen hooikoortspatiënten het advies binnen te blijven.
Drie voorbeelden van weerberichten in juni zijn:
Weerbericht 1: Overwegend bewolkt met af en toe regen. Zwakke wind uit het westen. Maximumtemperatuur ongeveer 16°C.
Weerbericht 2: Zonnig en droog. Vrij sterke wind uit het zuiden. Maximumtemperatuur in de middag ongeveer 23°C.
Weerbericht 3: De hele dag regen. Vrijwel windstil. Maximumtemperatuur in de middag 12°C.
Bij welk van deze weerberichten krijgt iemand die veel last heeft van hooikoorts, het advies om binnen te blijven? Leg je antwoord uit.
1/3 Slijm.
Zie figuur B 2447 van de bijlage.
De afbeelding geeft een schematische doorsnede weer van een gehoororgaan van iemand die verkouden is.
Daarin is te zien dat een deel verstopt is.
Wat is de naam van het verstopte deel?
afbeelding
2/3 Slijm.
Door een zware verkoudheid is het slijmvlies van de neus opgezwollen. Daardoor gaat het slijmvlies minder goed functioneren.
Noem twee functies van het slijmvlies van de neus.
3/3 Slijm.
Mensen met hooikoorts hebben opgezette slijmvliezen in de neus zonder dat ze echt verkouden zijn.
Hooikoorts wordt veroorzaakt door stuifmeel dat afkomstig is van planten. In de herfst zijn er evenveel planten als in de zomer. Toch hebben veel hooikoortspatiënten geen last als ze in de herfst buiten komen, en in de zomer wel.
Leg uit dat hooikoortspatiënten in de zomer buiten wel last hebben van hooikoorts en in de herfst niet.
1/3 Slijm.
Zie figuur A 479 van de bijlage.
De neus is aan de binnenkant bekleed met een slijmvlies. De neusholten staan in verbinding met een aantal bijholten in de botten van het voorhoofd. Ook de wand van de bijholten is bedekt met slijmvlies. De ligging van de bijholten is schematisch aangegeven in de afbeelding. Bij een verkoudheid zwellen de slijmvliezen van de neusholten en de bijholten op. In de afbeelding is te zien dat zich in de buis van Eustachius slijm kan ophopen.
In een enkel geval kan het slijm uit de buis van Eustachius doorschuiven het gehoororgaan in.
In welk deel van het gehoororgaan komt het slijm dan het eerst terecht?
afbeelding
2/3 Slijm.
Door een zware verkoudheid is het slijmvlies van de neus opgezwollen. Daardoor gaat het slijmvlies minder goed functioneren.
Noem twee functies van het slijmvlies van de neus.
3/3 Slijm.
Een verkoudheid ontstaat in het slijmvlies van de neus. Soms ontsteekt ook het slijmvlies in de voorhoofdsholten. Dat kan een gevolg zijn van hard snuiten. Door hard te snuiten gaat het slijmvlies niet kapot. Scheuren van het slijmvlies is dan ook geen verklaring voor het ontsteken van het slijmvlies in de voorhoofdsholten.
Geef een verklaring voor het feit dat hard snuiten bij verkoudheid een ontsteking van het slijmvlies in de voorhoofdsholten kan veroorzaken.